De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is het evangelie naar Mattheüs een joods geschrift? (2)

Bekijk het origineel

Is het evangelie naar Mattheüs een joods geschrift? (2)

10 minuten leestijd

Gelijkenissen
Jezus leert Zijn discipelen en allen, die tot Hem komen door gelijkenissen. In Matth. 13 : 10-17 vragen de discipelen Hem naar de zin van deze vorm van onderwijs. En doelend op de scharen, die de Heiland volgen zeggen zij: 'Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?' (13, 10). En de Heere antwoordt hen, dat Hij dit doet, 'omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen', (13, 13). En daarbij beroept Jezus zich opnieuw op het Oude Testament als Hij opmerkt: 'En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen', (13, 14, 15; zie Jes. 6 : 9-10).
Wie zich toesluit voor het Woord Gods kan het vermogen om dit Woord te verstaan door God onthouden worden. Dit is de verstokking of verharding van het hart des volks waarvan het Oude Testament spreekt.
Het is met name in het Mattheüsevangelie, dat deze Jesaja-tekst volledig wordt geciteerd. Markus en Lukas geven er slechts gedeelten van.
Naar hetgeen thans aan de discipelen is geopenbaard, zegt Jezus, hebben veel profeten en rechtvaardigen uit Israëls verleden verlangd. Daarom noemt Hij de ogen en de oren van Zijn discipelen, die wèl zien en horen, zalig. Echter ook voor hen geldt: Jezus' waarschuwende prediking. Ook in de discipelenkring en voor de gemeente, die deze zal verzamelen, bestaat het gevaar van een nieuw en zelfverzekerd farizeïsme. De gemeente van alle tijden is en wordt hierdoor bedreigd.

Genezingen
Ook de genezingen, die de Heere Jezus doet, plaatst Mattheüs in het kader van de geboden en de verwachtingen van het Oude Testament. De melaatse, die door Jezus wordt genezen, moet zich van Hem aan de priester tonen en de door Mozes voorgeschreven offergave brengen (81-: 1-4). Als Jezus vele bezetenen geneest is dit mogelijk omdat, volgens de profeet Jesaja, Hij onze zwakheden op Zich genomen heeft, en onze ziekten heeft gedragen (81-14-17; zie Jes. 53 : 4).

Uitzending der discipelen
Bij Zijn verkondigend, lerend en genezend werkzaam zijn beperkt Jezus zich aanvankelijk tot het volk waartoe Hij behoort, tot Israël. En als Hij Zijn discipelen uitzendt, geldt dit ook voor hen. Hij zegt hun, dat zij niet tot de heidenen zullen gaan, en het gebied van de Samaritanen moeten zij vermijden. Zij zullen doen, wat Jezus Zelf ook doet: Zich wenden tot 'de verloren schapen van het huis Israël' (10, 6; 15, 24). Wel stellen de profeten van het Oude Testament in uitzicht, dat ook de heidenvolken zich tot de Heere zullen bekeren. Máár, o.a. Jesaja noemt als eerste taak voor de Knecht des Heeren: 'om Jakob tot Hem terug te brengen en om Israël tot Hem vergaderd te doen worden' (Jes. 49, 5).
Wat betreft de uitdrukking 'verloren schapen', die duidt er op, dat de geestelijke herders van het volk hun veronachtzamen. Reeds eerder heeft de Heere Jezus op de nalatigheid van deze leiders gewezen. De scharen, die op Hem toekomen, die Hij geneest en heelt, ziet Hij als, voortge­jaagd en afgemat, als 'schapen die geen herder hebben', (9, 36).
Met deze omschrijving plaatst Jezus zich in de traditie van het Oude Testament. Ook daar zijn het Mozes (Num. 27, 17) en ook de profeten, van vóór en na de ballingschap (1 Kon. 22, 17; 2 Kron. 18, 16; Ezech. 34, 5; Zach. 10, 2), die in zorg zijn over het verbondsvolk. Het heeft geen herders, is verstrooid en dient tot voedsel voor al het gedierte des velds. En Jezus deelt deze zorg over herders, die wèl zichzelf, maar niet het volk weiden (Ezech. 34, 1) en Hij verwijt dit ook Farizeeërs en Schriftgeleerden.

Aanklachten tegen leiders en volk
Israëls leiders zijn voortdurend met Jezus in conflict. Zij stellen Hem strikvragen en betwisten Hem Zijn bevoegdheid. En dan spreek Hij Zijn 'Wee u'-s tegen hen. Hij noemt hen huichelaars, blinde wegwijzers en dwazen. Zij tonen zich naar buiten als rechtvaardig, maar zijn innerlijk vol van ­wetsverachting (23 : 1-28).
Jezus verwijt deze schijnvromen, dat zij de graven van de profeten en van de rechtvaardigen bouwen en verzorgen. Van hen zijn er in het verleden velen door de leiders van het ontrouwe bondsvolk gedood. En de Heere Jezus, die weet wat Hem zal gebeuren, zegt nu tot Zijn tegenstanders: 'Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol'. En met gezag voegt Hij eraan toe: Daarom, zie. Ik zend tot u profeten, wijzen en schriftgeleerden', (23, 24). Met de volmacht van deze Godsgetuigen uit Israëls verleden zendt Jezus Zijn discipelen, de apostelen, tot Zijn volk en tot de wereld. En Hij weet: Evenals Ik zullen ook de Mijnen worden gegeseld, gekruisigd en gedood, en — vervolgd van stad tot stad. De discipel is niet meerder dan zijn Heer. En dan stelt Jezus het toen levend geslacht, het volk en zijn oversten, verantwoordelijk voor al het vergoten bloed der rechtvaardigen; van Abel, de eerste — tot Zacharia, de priesterzoon onder koning Joas, de laatste der bloedgetuigen Gods, die in Israëls Heilige Schrift genoemd worden Gen. 4, 8; II Kron. 24 : 20-21). Echter als Jezus het ongelovig geslacht van Zijn tijd zo toespreekt, velt Hij daarin tevens een oordeel over allen, in verleden en heden, die zich op uiterlijke gronden tot het volk Gods rekenen. Het schuldig gedrag van de ontrouwe herders in Jezus' dagen, wordt door Hem op één lijn gesteld met de bloedschulden waarvan het Oude Testament spreekt.

De 'Wee u'-aanklachten, die bij Mattheüs het uitvoerigst voorkomen, hebben een parallel in de 'Wee u"s van Jesaja. Die richt zich tot diegenen in Israël, die 'de Wet van de Heere der heerscharen verworpen en het woord van de Heilige Israels hebben versmaad' (Jes. 5 : 8-24).
Ook het misleide volk. Zijn stad- en landgenoten, klaagt Jezus aan. Hij heeft in hun midden krachten gedaan, maar zij bekeren zich niet. Zij blijven in de ban van hun geestelijke leidslieden. Zo zegt Hij tot de Galileese steden Chorazin en Betsaïda Zijn 'Wee u'. De heidense steden Tyrus en Sidon zullen het dragelijker hebben in de oordeelsdag dan zij. En tegen de ingezetenen van Zijn woonplaats Kapernaüm zegt Hij: Denkt niet, dat het je zal helpen, dat Ik bij jullie heb gewoond. Gij zult tot straf voor uw ongeloof in het dodenrijk moeten afdalen. Zelfs het goddeloze Sodom, noemt Hij minder schuldig dan Kapernaüm (11 : 16-24).
Zo spreekt Jezus een zwaar oordeel uit over Zijn volk. Maar, het is een oordeel der liefde. Hij spreekt tot Jeruzalem, en dat betekent hier het volk Israël: '...hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert en gij hebt niet gewild. Zie uw huis wordt u woest gelaten' (23, 37. 38). Het beeld van vleugels wordt in het Oude Testament gebruikt voor Gods hulp en bescherming. Zo wordt in Ps. 91 over de Godsgetrouwen gezegd: 'Met Zijn vlerken beschermt Hij u, en onder Zijn vleugelen vindt gij een toevlucht' (Ps. 91:4). Het liefde-aanbod, dat de Heere Jezus hier doet, staat in de geloofstraditie van het volk Israël.

De laatste dingen
In Mattheüs 24 spreekt Jezus tot Zijn discipelen over de verwoesting van de tempel. En in tegenstelling tot Markus en Lucas vragen de leerlingen niet alleen naar de tijd van de tempelverwoesting, maar ook naar de tijd van Jezus' komst. Met deze vraag plaatst de evangelist de verwoesting van de tempel in het perspectief van de komst des Heeren bij de voleinding der wereld. Het evangelie spreekt dan ook in de grondtaal over de Parousie. Een woord, dat in het Nieuwe Testament wordt gebruikt voor het komen van Christus in heerlijkheid aan het einde der tijden.
Mattheüs sluit hier duidelijk aan bij de Joodse verwachting aangaande het komen van de Mensenzoon in de eindtijd, waarvan het boek Daniël spreekt. En Jezus weet, dat Hij zal komen als Gods gezondene met de wolken des hemels, om gericht te houden over de volken der wereld (Dan. 7 : 13, 14).

Het levenseinde van Judas
Als Judas de Heere Jezus heeft overgeleverd aan de Hoge Raad, pleegt hij, uit wroeging, zelfmoord. Dit bericht komt alleen voor bij Mattheüs. Die vermeldt hoe Judas eerst het bloedgeld, dertig zilverlingen, aan zijn opdrachtgevers terugbrengt. Die kopen daar een akker voor als begraafplaats voor vreemdelingen (27 : 3-10). Dit veld wordt Bloedakker genoemd; een naam, die samenhangt met Judas' bloedschuld. Ook hier zegt de evangelist, dat daarmee een profetenwoord uit het Oude Testament in vervulling gegaan is. Hij citeert daarbij uit de profeet Zacharia de gelijkenis over de goede en getrouwe herder van het bondsvolk, die door de ontrouwe leiders wordt afgekocht voor de prijs van dertig zilverlingen (Zach. 11 : 11-13). Zo is ook de Heere Jezus, die kon zeggen, dat Hij de goede herder was, voor dit bedrag overgeleverd en ter dood gebracht.

Jezus voor Pilatus
Bekend is ook het samentreffen van de stadhouder Pontius Pilatus met het Joodse volk, dat door zijn leiders tegen Jezus is opgehitst (27 : 24-25). Pilatus betuigt daarbij Jezus' onschuld met het voltrekken van een Joodse rite genoemd in Deut. 21 : 6-9. Hij wast zijn handen ten aanschouwen van de schare en zegt: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige; gijlieden moogt toezien', (27, 24). Het volk antwoordt hierop met de bekende kreet: 'Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen', (27, 25) en daarmee dwingt het Jezus' dood van Pilatus af. Mattheüs is de enige van de evangelisten, die dit gebeuren noemt. Hij plaatst daarmee de onschuld van Jezus en Zijn onterecht ter dood gebracht worden in het historisch kader van de gerechtelijke ceremoniën, die de Heere God aan Israël heeft voorgeschreven.

Het einde van de offercultus
Echter even duidelijk laat Mattheüs zien, dat met dit binnen-Israëlgebeuren van Jezus' dood tevens de bijzondere heilshistorische positie van het bondsvolk tot een eind komt.
Als Jezus, roepend met luide stem, de geest geeft, scheurt het voorhangsel van de tempel in tweeën. Het heiligdom, waar de hogepriester jaarlijks, met ander bloed dan het zijne (Hebr. 9:25) binnenging, heeft zijn cultische functie niet meer. De afsluiting is gespleten, de weg ligt open: Christus Jezus is nu met Zijn bloed het hemels heiligdom binnengegaan om daar Israël en de volken met God te verzoenen. Zo zal 'het recht der Wet' worden vervuld, ook in ons (Rom. 8:4).
Mattheüs duidt op dit wereldwijd uitzicht — nu samen met Markus en Lukas — met de vermelding van het getuigenis van de Romeinse hoofdman: 'Waarlijk, Deze was Gods Zoon' (27, 54).

Jezus gestorven
Verder staat het evangelie naar Mattheüs, bewust in de Joodse traditie als het melding maakt van de tekenen, die Jezus' dood begeleiden: 'De aarde beefde en de steenrotsen scheurden. En de graven werden geopend en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; ... zij kwamen in de heilige stad en zijn velen verschenen' (27 : 51-53)
De tijd van de komst van de Messias is in Israël de tijd van de opwekking der doden. Elia, Jeremia of andere profeten zullen dan verschijnen. De heiligen, die uit hun graven komen en verschijnen, zijn bij Mattheüs tekenen bij Jezus' verrijzenis uit de dood. Die verrijzenis is voor Hem de weg naar Zijn verhoging tot de Vader, waar Hij voor ons bidt (Rom. 8 : 34). Op die plaats, aan de rechterhand Gods, is Hij als de Messias ons ten goede werkzaam, totdat Hij komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Is het evangelie naar Mattheüs een joods geschrift? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's