De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

17 minuten leestijd

Toeëigening des heils
Dit thema geniet weer een zekere actualiteit, althans binnen een klein afgebakend terrein op het kerkelijk erf. De toeëigening van het heil van Christus is onderdeel van de Gereformeerde belijdenis. En als zodanig een steeds weerkerend thema in prediking en pastoraat binnen de Gereformeerde gezindte. Buiten deze gezindte is echter ons thema geheel uit het gezichtsveld verdwenen. De themadagen van de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Apeldoorn hadden in 1988 de toeëigening van het heil als gespreksonderwerp. Onlangs verschenen bij uitg. Kok-Voorhoeve in Kampen de toen gehouden lezingen onder de titel 'Delen in het heil' onder red. van dr. W.H. Velema. Het viel me bij het lezen van deze bundeling referaten op hoe èn prof. Velema èn dr. W. Verboom aangeven dat het thema 'toeëigening des heils' noch in de grote handboeken voor de homiletiek (predikkunde) noch in de vakliteratuur voor het pastoraat eigenlijk nog voorkomt. Enerzijds volop aandacht voor de hoorder maar dan vanuit de communicatietheologie waarin de relatie zender (prediker) en hoorder centraal staat. Anderzijds, in het pastoraat, staat wel de ervaring van de mens volop centraal. Echter wat de Bijbel zegt èn de situatie van de mens staan als gelijkwaardige grootheden naast elkaar. Maar dat het heil in Christus van buiten de mens komt en door de arbeid van Woord en Geest het mensenleven binnen gaat en hem eigen wordt gemaakt, daarover wordt niet meer gerept. Vandaar dat we aan het begin schreven dat deze zaak binnen een klein gebied op het kerkelijk erf nog steeds actueel is.
Die actualiteit hangt mede samen met het feit dat er (weer eens!) gesprekken zijn gevoerd tussen Christelijk Gereformeerden en (vrijgemaakt) Gereformeerden. En één van de gesprekspunten betrof de 'toeëigening des heils'. Daar zijn een aantal verschillen tussen beide kerken over dit punt. De kwestie was en is echter of deze verschillen kerkscheidend mogen zijn, hereniging in de weg staan of vallen binnen het kader van de confessie en daarom geen kerkscheidende factor mogen vormen. Men is er van Chr. Geref. zijde weer niet uit gekomen en er zal opnieuw over worden gesproken. Uit een artikel van prof. Kamphuis in 'De Reformatie' van 24 februari 1990 blijkt waar ongeveer de knelpunten bij de Chr. Gereformeerden werden gevoeld. Hij schrijft:

'Daarom is het mij onduidelijk dat er tussen de onderscheiden deputaatschappen "verschil van inzicht " bleef op het punt dat "telkens in de prediking de gemeente onderscheidenlijk (moet) worden aangesproken". Wellicht zit het hier vast op het woord "telkens".'

Ik vermoed dat het niet alleen maar vast zit op het woordje 'telkens' gelijk prof. Kamphuis vermoedt. M.i. zit het verschil eerder in het woord 'onderscheidenlijk', hoewel ook dat weer een kwestie is van de interpretatie van zo'n woord. Prof. Kamphuis zet vervolgens uiteen hoe hij tegen heel dit gesprek aankijkt.

'Soms speelt een verschil in kerkhistorische achtergrond een rol, waar we scherp oog voor moeten hebben. Van christelijke gereformeerde zijde wordt gesteld: "De belofte en de vervulling van de belofte in de bondeling mogen niet vereenzelvigd worden". En mijn hart zegt daar "amen" op! En ik geloof stellig het hart van al mijn ambtsbroeders. Daarom versta ik niet dat het rapport vervolgt met als inleidend woord het tegenstellende "maar": "Maar de gereformeerde deputaten vinden het niet terecht te spreken over tweeërlei kinderen van het verbond tegen de achtergrond van de strijd in de veertiger jaren."
Ik verwacht dat deze zin als volgt moet worden gelezen: in de dogmatische constructie, die ons in 1942 e.v.j. werd opgedrongen, werd over tweeërlei kinderen van het Verbond gesproken in déze zin dat aan sommigen de volle belofte van het Evangelie toekwam en daarentegen aan anderen slechts het zgn. "algemeen aanbod van de genade". En zó willen we niet over "tweeërlei kinderen" spreken. Maar (zo wil ik mijnerzijds dan wel aanvullen) dat neemt niet weg, dat de vraag óók kan worden gesteld of allen, die onder de belofte leven, door het wederbarende werk van de Geest de vervulling van de belofte deelachtig worden. Daarop moet het antwoord luiden: néén —, kinderen van het Verbond zullen in ongeloof verloren gaan! Vanuit déze gezichtshoek kan ik wel degelijk over "tweeërlei kinderen" spreken.
Zo meen ik ook dat er geen wezenlijk verschil naar voren komt, wanneer de gereformeerde deputaten stellen, dat zij met betrekking tot "de schenking en de deelachtigmaking van de belofte" liever niet spreken over "schenking en gelovige aanvaarding". Met "deelachtigmaking" zal hier toch bedoeld zijn het deelachtig maken van dit beloofde heil. Welnu, dat gebeurt in de weg van de "gelovige aanvaarding" van de belofte. Maar die gelovige aanvaarding wordt gewerkt (vgl. Heid. Cat. Z. 7 en Z. 25) door de Heilige Geest, die daarbij gebruik wil maken van het Evangelie. Als ik let op de menselijke verantwoordelijkheid moet ik hier spreken over "gelovige aanvaarding" van het beloofde heil. Let ik echter (vgl. Dordtse Leerregels III/IV, 11) op het souvereine, wederbarende werk van de Geest des Heren, dan moet gesproken worden van "deelachtig máking". Hier is geen dilemma, geen: òf-òf, maar een: èn-èn, waarbij dit werk van de Geest als evangelie (blijde boodschap voor zondaren!) mag worden verkondigd met bevel van geloof en bekering. Daarom zeggen onze deputaten ook volkomen terecht: "De toeëigening is in de belofte begrepen", maar de christelijke gereformeerde broeders niet minder terecht: "Er moet ook bij verbondskinderen een wezenlijke verandering plaatsvinden".
Zo zou er wel meer zijn te noemen, waarbij ik mij niet graag in dilemma zou willen laten dringen, maar waarbij ik wèl zeg: wat moeten we scherp naar elkaar luisteren.'

Voor ons die Gereformeerd willen zijn binnen de Hervormde kerk zijn de hier aan de orde zijnde vragen van even groot belang. Daarover nog straks. Eerst nog dit, Prof. Kamphuis geeft aan het slot van zijn artikel aan hoe verslagen hij uiteindelijk is en waarom.

'Het hart is daarom zo verslagen, omdat ik als ik de christelijke gereformeerde deputaten hoor spreken over het thema van de "toeëigening des heils" er niets is, waarin ik mijn broeders niet herken. Ik zeg niet: er niets is, waarin ik wellicht soms niet een andere wijze van zeggen zou kiezen. Maar dat is er óók wel op sommige punten — en ik gaf er boven enige reken­schap van — als ik op de uitspraken van onze deputaten let, waarmee ik overigens zakelijk geheel akkoord ga.
En dan is er het woord van de apostel: "kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid", 1 Joh. 3, 18.
O, die tucht van de roep tot liefde in de naam van Hem, die, ons heeft liefgehad, toen wij nog vijanden waren! Is Hij de Levende niet? En zien zijn ogen niet scherp? Want we mogen het ons allen laten gezeggen: zijn liefde is niet blind.'

Het is gevaarlijk vanaf de kantlijn je te mengen in deze tere zaak. Toch kan ik vanuit de bijbelse roeping tot eenheid van hen die Christus belijden niet nalaten begrip te tonen voor de droefheid van prof. Kamphuis. In de kring van de Afgescheidenen is de Gereformeerde confessie de enige weg om te gaan als het om de ware kerk gaat. De eenheid met ons. Gereformeerd Hervormden, loopt vast op wat in de artikelen 27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis beleden wordt. Ook daar heb ik alle begrip voor. Maar wat ik niet helemaal volgen kan is dat twee kerken die beiden voluit de Gereformeerde belijdenis voor hun rekening nemen, toch elkaar niet kunnen vinden in wat diezelfde belijdenis hen vermanend voorhoudt dat de ware Christgelovigen verplicht zijn om de eenheid der Kerk te onderhouden. Je kunt dan tegenwerpen: ja maar 'bevindelijk' is er bij ons een ander klimaat, maar mag dat dan confessioneel gesproken een kerkscheidende factor zijn? En hebben we dan niet juist ook onderling een roeping elkaar geestelijk van nut te zijn in het samen 'de nek buigen onder het juk van Jezus Christus en de stichting van de broeders te dienen overeenkomstig de gaven, die God aan een ieder verleend heeft, allen samen als leden van eenzelfde lichaam' (art. 28 NGB). Het schijnt in kerkelijk Nederland nauwelijks mogelijk tot meer eenheid te geraken. Soms denk je moedeloos: alle energie eraan geven, lijkt bij voorbaat verspild. Terwijl de reusachtige golven van de secularisatie doorgaan de laatste resten van het christelijk geloof in ons land weg te spoelen, blijven twee betrekkelijk kleine kerken van elkaar gescheiden om een kwestie die confessioneel gesproken niet waar te maken valt. Formulieren van Enigheid zijn kennelijk ook niet voldoende om de eenheid der christenen te bevorderen. We kunnen allerlei bezwaren maken tegen Samen op Weg, maar zolang 'klein rechts' op geen enkele manier kerkelijke eenheid vertoont, moet men maar bescheiden zich houden bij eigen kerkelijk erf en daar eerst het puin en gruis zien op te ruimen.

Prediking en toeëigening
We gaven al aan dat de vragen betreffende de toeëigening ook onder ons nog altijd van belang zijn. Je kunt zelfs zeggen dat de verscheidenheid in Hervormd-Gereformeerde kring mede veroorzaakt wordt door het feit hoe men aankijkt tegen de manier waarop God door Zijn Geest Zijn heil aan een mens meedeelt en de wijze waarop dat in de prediking aan de orde dient te komen. Welke visie hebben we op de gemeente? Men verneemt nogal eens klachten over vervlakking in de prediking over de hele breedte onder ons. Een collega gaf het advies nog weer eens te lezen in de in de 50-er jaren verschenen brochure van prof. Berkhof over de 'Crisis der Middenorthodoxie'.
Ik weet niet in hoeverre prof. Berkhof nog achter de inhoud van dit geschrift staat. Geldt het van veel mensen dat ze een 'beweeglijk koninkrijk' zijn, voor de opvattingen van prof. Berkhof lijkt me dat zeker een juiste uitdrukking, daar hij zelf steeds erkent 'in beweging' te zijn in zijn denken. Maar de momentopname van toen gericht op wat heet de 'midden-orthodoxe' prediking, valt dunkt me vandaag te lezen met het oog op wat heet 'Hervormd-Gereformeerde' prediking. Berkhofs klacht toen was dat de functie van de Wet ontbreekt in de Evangelieprediking, met name de aanklagende functie van de Wet. Ik doe een greep uit zijn nog altijd boeiend geschrift:

'De aanklagende functie der Wet komt te kort. Dat geschiedt natuurlijk niet willens en wetens. Men wijst er in de middenorthodoxie gaarne op, dat het schuldbesef door de prediking der liefde Gods wordt opgewekt en op het geloof vanzelf volgt. Dit kan goed bedoeld zijn. Maar in de praktijk betekent het meestal, dat men deze werking verwacht van een genadeverkondiging waarin de Wet niet als relatief zelfstandige grootheid haar plaats heeft. En dan wordt de genoemde stelling tot een leugen. In vele preken wordt dan ook het aanklagend geweld van het Woord Gods gemist. Men verwacht dat dit een vanzelfsprekend "bijprodukt" zal zijn. Maar zo gaat het in het geestelijk leven naar de orde Gods niet toe. Wat werkelijk gebeurt, waar deze functie der Wet wordt veronachtzaamd is, dat het Evangelie boven het bestaan blijft zweven als een vanzelfsprekendheid die men "wel gelooft", omdat men zijn werking niet aan den lijve heeft ondervonden. De mens blijft dan buiten schot. Hij wordt niet gedood en dus ook niet levend gemaakt. De schrijver van de Hebreeënbrief noemt het Woord Gods "levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt zó ver door, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schrift overleggingen en gedachten des harten" (Hebr. 4:12). Van deze doordringende en schiftende macht van het Woord Gods is in onze prediking bitter weinig meer te bespeuren. Niet dat we daaraan ruimte zouden geven door nu ineens heel veel met termen als "zonde, schuld, ongerechtigheid" enz. te gaan werken. Men kan dat zó doen, dat de hoorder nòg buiten schot blijft, gelijk in kerkelijk Nederland bekend kan zijn. Het helpt ook niet, wanneer we die termen gaan "vertalen", zodat we er modernere, begrijpelijker maar meestal minder adequate uitdrukkingen voor in de plaats stellen. Want het gaat niet om de termen. We hebben in de prediking niet naast het Evangelie "ook" nog "over de zonde" te spreken. Maar we hebben het Evangelie zó te preken, dat het licht ervan onweerstandelijk in de schuilhoeken en bunkers van het mensenhart doordringt. We hebben — eventueel zonder over "zonde" te spreken — de weerstanden aan te wijzen die ons er van terughouden, voor dit Evangelie te capituleren. Bij elke tekst zal dat weer op eigen wijze dienen te geschieden, en zonder kennis van de harten der gemeenteleden zal dat niet gaan. Het Evangelie moet in zijn ontmaskerende kracht concreet openbaar worden. Dit doende zijn wij met de Wet bezig.

En een paar bladzijden verder schrijft prof. Berkhof:

'Wanneer zo de aanklagende en de vormende kracht van de Wet ontbreken, betekent dit, dat het Evangelie het mensenbestaan niet meer binnengaat en dus krachteloos is geworden. Samenvattend gezegd: het beslissingskarakter dat aan de Evangelieverkondiging eigen is, wordt niet meer beseft. In vele preken worden ons de prachtigste dingen aangeboden, maar: "vrijblijvend op zicht". Niemand heeft het gevoel, dat hij in een hoek wordt gedrongen of voor een keuze wordt gesteld. De dingen worden goedkoop aangeboden, goedkoop aanvaard, goedkoop afgewezen. Daarmee hangt samen, dat het appèl op de enkeling zo zwak klinkt. Wij spreken graag van "de Kerk". De aandacht voor de enkeling staat in de kwade reuk van "piëtisme". Maar "de Kerk" kan het struikgewas worden, waarachter wij ons verschuilen, om niet naakt en eenzaam voor God te komen staan. Ook de kerkelijkheid kan een vlucht zijn voor de persoonlijke ontmoeting met God. Kierkegaard's kritiek op de Kerk en zijn appèl op de enkeling hebben ons nu, een eeuw later, nu wij het graf van deze profeet bouwen, nog evenveel te zeggen als toen ze werden uitgesproken. Behalve voor het piëtisme zijn wij ook bang voor het methodisme. Al weer: angst is een slechte raadgever. Wij vermijden het, om over de hel te spreken. Je mag de mensen immers niet bang maken. We vergeten daarbij, dat Jezus in zijn gelijkenissen de mensen wèl bang heeft gemaakt. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht geven? De goede preek dringt ons in een hoek, waarin wij niet langer vrijblijvend kunnen toekijken. Wij zeggen "ja" of "neen" en in beide gevallen gebeurt er iets, iets dat het hart van onze verhouding tot God raakt, iets dat dus het hart van ons bestaan raakt, iets dat zich voortzet in dit leven èn in het toekomende.
De Catechismus durft op voorgang van Matth. 16 : 19 en Joh. 20 : 21 v.v. in Zondag 31 te zeggen, dat door de prediking het hemelrijk wordt ontsloten en toegesloten. De beloften die daarin worden gedaan, en de bedreigingen die daarin worden geuit, zijn een voorproef van het grote Gericht. Daarom besluit antwoord 84: "naar welk getuigenis God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven". Als dat waar is, is er geen heerlijker en huiveringwekkender en werkelijker gebèuren dan de preek. Maar waar wordt dat in de middenorthodoxie nog beseft? Omdat wij niet over de hel durven te spreken, wordt de hemel een bleek en vanzelfsprekend geval. Omdat wij geen bedreigingen meer durven uit te spreken, worden de beloften in onze mond flauw en nietszeggend. En de mensen die voor ons zitten, behoeven niets te beslissen.
De "toepassing" ontbreekt! Dat is de formulering van onze klacht in de mond van vele meelevende gemeenteleden.'

Er is onder ons weleens geschreven over verschuivingen in de prediking. De maat die prof. Berkhof in de jaren '50 de midden-orthodoxie nam, mogen we in de jaren '90 ook onder ons nemen. De tijd staat niet stil, ontwikkelingen gaan door. Constateren we niet hoe ook onder ons anders wordt gesproken en geschreven over bijv. de gemeente? Vinden we het nog altijd noodzakelijk dat er aandacht wordt geschonken aan de noodzaak van de bekering, dat er wedergeboorte nodig is en dat voor iedereen, voor jong en oud? En dat we niet klaar zijn door die dingen iedere keer weer te noemen, zonder dat er ook werkelijk geestelijke leiding wordt gegeven vanuit de Schriften? De niet op te lossen twist bij onze geestelijke buren, zet zodoende ook ons aan het denken. En het ontdekkend element voor deze bezinning wordt ons dit keer aangereikt door iemand die de Gereformeerde confessie nauwelijks nog voor zijn rekening zal willen nemen. Zo kan het ook nog een keer!

Hoe zal ik het weten?
We sluiten af met een citaat uit het blad 'Ecclesia' van 23 februari 1990, orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge. Daarin beantwoordt dr. W. Aalders een vraag van een lezer die helemaal op het terrein ligt waarop we ons dit keer met onze rubriek hebben bewogen. De vraag luidt: 'Hoe, maar ook wanneer, mag ik weten dat ik met God door Christus verzoend ben?' Dr. Aalders probeert deze zielevraag te beantwoorden door zichzelf af te vragen: weet ik dat ik met God door Christus verzoend ben? Zijn antwoord is dan o.a.:

'Wat mijzelf betreft vind ik het woord "weten" hier eigenlijk niet op zijn plaats. Het klinkt zo verstandelijk, zo rationeel. Ik weet of ik pijn heb, of ik koorts heb, of ik het koud of warm heb, of ik arm ben of rijk. Het gaat daarbij om ervaringen en gewaarwordingen die ik met mijn zintuigen onderga en met mijn verstand mij bewust maak. In de vraag of ik weet dat ik met God verzoend ben, gaat het echter niet om zulke ervaringen en gewaarwordingen. Het gaat, zoals ik al zei, om de zielsbetrekking tot God. En als het om de ziel gaat, dan gaat het om geheel andere ervaringen en gewaarwordingen. Dan gaat het om ervaringen en gewaarwordingen. Dan gaat het om ervaringen en gewaarwordingen, waar het verstand geen verstand van heeft. Sterker nog, om ervaringen en gewaarwordingen waarbij het verstand een obstakel, een sta-in-de-weg kan zijn.
Vaak komt bij mij de gedachte boven, dat de bezorgdheid en twijfel van veel mensen wat betreft de geloofszekerheid goeddeels veroorzaakt wordt doordat zij een vraag van de ziel met het verstand zoeken te beantwoorden. Dat is een verkeerde weg, waar zij hun zieleleven schade mee berokkenen. Nooit is het verstand bij machte om de diepten van de ziel te peilen. Nooit zal men daarom langs verstandelijke weg tot zekerheid komen. Of de ziel door Christus met God verzoend is, is geen kwestie van weten!
Ik wil daarmee geenszins zeggen, dat er dus geen geloofszekerheid zou zijn. Dat zij verre! Maar geloofszekerheid is geen "weten", maar "geloven". Geloofszekerheid berust op ervaringen en gewaarwordingen van de ziel, waar het verstand niets geen verstand van heeft. De ziel spreekt een eigen en andere taal. En om tot een antwoord te komen op de vraag of ik met God door Christus verzoend ben, zullen wij dus acht moeten geven op de taal van de ziel. Het is een eigenschap van het geloof, dat het enigermate de taal van de ziel verstaat. Eigenlijk moet ik het zó zeggen: het geloof verstaat enigermate het in-werk van de Heilige Geest in de ziel. Het is een diep, een teer, een geheimzinnig werk, dat in-werk van de Heilige Geest! Men zou het kunnen vergelijken met het bespelen van een harp, met het tokkelen op de snaren van een luit.'

Zo kun je het óók zeggen en betuigen. Met allen, dwars door vele kerken heen, die de verschijning van de Heere Jezus hebben liefgekregen geloven en belijden we een 'enige katholieke of algemene Kerk, een heilige vergadering van de ware Christgelovigen, die al hun heil verwachten in Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest'. Toegeëigend aan Christus, Zijn eigendom geworden roemen we in de ene Heere die ons gekocht en bevrijd heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's