Harmonieuze groei
Wij hebben tot nu toe op een aantal elementen gewezen, die in het groeiproces van het geloofsleven samengaan. Wij hebben genoemd onder meer het idee van de automatische groei en de geleidelijke wasdom. Eén factor willen wij nog van naderbij belichten. Het geestelijk leven draagt bovenal het karakter van een harmonische ontwikkeling. Het is niet moeilijk in te zien wat dit betekent. Let u maar eens op het plantenleven of op ons menselijk lichaam. Wanneer daar alle delen gelijk op zich ontplooien, ontstaat er een harmonisch geheel. Blijft de ontwikkeling van één deel of één lid bij die van de andere achter, dan is dit een afwijking, die de harmonie kan verstoren en zelfs de indruk van een handicap kan wekken. In diezelfde betekenis zal de geestelijke wasdom zich nu ook moeten uitbreiden over alle zielsvermogen, zonder dat het ene zich ten koste van het andere laat gelden. Wij moeten op onze hoede zijn voor een eenzijdige ontplooiing in geestelijk opzicht. De zonde heeft in ons het licht van de kennis verduisterd, de gevoelens van het hart vervalst en de wil tot het kwade omgebogen. En daarom zal de genade van God door de Heilige Geest gelijk verdeeld op deze drie onderscheiden terreinen moeten inwerken om het zondebederf te herstellen. Dan alleen zullen wij van binnen en van buiten tot harmonische-gevormde kinderen Gods opgroeien.
Wij noemden eerst de verduistering van het licht der kennis. God heeft Adam bij zijn schepping terstond een geweldige taak gegeven en hem daarvoor ook bekwaamd. Als profeet mocht hij receptief, ontvankelijk de gedachten, die God hem gaf, ontvangen, zodat zijn gehele gedachtenwereld gevuld werd met die kennis, die Zijn Schepper en Verbondsgod hem gaf uit de schepping en de bijzondere openbaring. Die geestelijke kennis is heel wat anders dan puur verstandelijke kennis. Bij de laatste blijft er steeds een afstand tussen ons en datgene wat wij kennen. Er is ons zo te zeggen een glaswand tussen ons en datgene wat wij kennen. Geen intieme vereniging tussen de kenner en het gekende. Wij kijken naar het voorwerp van onze kennis, zoals de onderzoeker tuurt door de microscoop naar zijn object, koel en kritisch beschouwd hij dat. Er blijft een ravijn tussen het een en het andere. Zelfs gebeurt dat bij het onderzoek van de Heilige Schrift. Wij praten óver wat wij daar vinden, maar wij praten er niet uit. Dat geschiedt nu met de geestelijke kennis van de Heilige Schrift. Die valt samen met het leven van onze ziel in de gemeenschap met de Heere. Jezus noemde dit in Zijn Woord: Dit is het eeuwige leven, dat zij kennen. Deze geestelijke kennis is bevindelijk van aard. Het natuurlijke aangeboren verstand kan er volledig blind voor zijn. De volksmond beseft het heel goed, wanneer deze zegt, dat menige professor geen kennis aan de waarheid heeft en dat een onkundig, maar gelovig loondorser hem in dit opzicht ver overtreft. Het kan ook gebeuren, dat een bekwaam predikant in dit opzicht ver wordt voorbijgestreefd door een eenvoudige koster.
Deze kennis wordt ons gegeven door de verlichting van de Heilige Geest. Is er een geestelijke groei bij ons te bespeuren, dan zal onze bevindelijke kennis gaandeweg dieper en rijker worden. Wij leren al meer scherper te onderscheiden tussen goed en kwaad. Het wordt ook beter met onze kennis en waarneming, met ons fijn gevoel om te doorzien wat goed is of kwaad. Om te onderscheiden datgene waar het op aankomt, door toetsing der dingen aan het Woord van God. Ons oog bemerkt de eerste wortelvezels van de zonde in ons binnenste, die wij vroeger helemaal niet opmerkten. Des te dieper wordt al voortgaande het schuldbesef. Meer uitwendig zien wij de vlekken en smetten, de dwaalwegen van ons hart. Ja, wij bespeuren met droefheid in ons de verkilling van de liefde. Gelukkig komt er ook meer licht op de volkomenheid der genade in Christus. Zo blijven wij in het evenwicht. Anders zou alleen wanhoop ons deel zijn. De eigengerechtigheid gaat ons hoe langer hoe meer smarten. Het is de grootste vijand van het geloof. Maar bij die doorgronding van de boosheid van het ik, is er nu ook de gelovige toevlucht tot Christus alleen.
Daarnaast groeien de vermogens van het hart. De liefde van ons hart is over vele personen en dingen verdeeld. Wat kost het een strijd om vader en moeder, man en vrouw en kinderen, wetenschap en kunst ondergeschikt aan God te maken. Telkens balanceren wij tussen twee werelden in plaats van aan God alleen te hangen. Niemand kan evenwel op den duur twee heren dienen en daarmee is het zulk een zegen, wanneer de Heere zelf onze liefde tot Hem doet groeien. Met een half hart kunnen wij bij Hem niet terecht. Niemand weet beter hoe zwak van moed, hoe klein van kracht wij zijn dan de Heere. Het gaat daarom om een brandend hart voor Hem en Zijn dienst te ontvangen. De zelfzucht moet worden uitgedreven. Heerlijk is het die groeiende liefde bij de kinderen Gods te constateren. De levensrichting van het hart loopt dan onder alle beslommeringen en verzoekingen door naar de kant des Heeren. Er komt een toenemende liefde voor Gods Woord, een stille dorst als van het schreeuwende hert naar Gods huis. Een toenemende drang van het gebed om Gods verborgen omgang te zoeken, een leven dicht bij de Heere. Een meerdere afhankelijkheid van de Heere in de kleinste dingen. Een steeds kinderlijker vertrouwen om in rustige zekerheid in alle noden op de Heere te vertrouwen. Dat zijn nu allemaal levensritselingen van de liefde, die de Heilige Geest in ons koude hart heeft uitgestort. Die vermeerdering van liefde krijgt een fijne takt en wordt scherp als een naald. Wij krijgen ons zo te zeggen een antenne, voelhorens, die wij voorheen niet bezaten. Hebben wij takt, dan bemerkt niemand het, hebben wij geen takt, dan gevoelt iedereen het. Het is dus een zeer voorname geestelijke deugd, die stoelt op de liefde.
Tenslotte moeten wij nog iets zeggen over het leven van de wil. Ook die moet door de Heere worden aangeraakt. Wanneer de richting van onze wil wordt omgebogen door de Heilige Geest, hebben wij te maken met een weerstrevend element. De drang blijft in ons heersen om in het zedelijk leven onze eigen zin te doen. En daarom moet ook de vernieuwde wil in de geestelijke groei aanhoudend versterkt worden. Dit gebeurt inderdaad. De Dordtse Leerregels drukken het zo uit: De wil, zijnde nu vernieuwd, wordt niet alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. De Heere onze God stort telkens weer nieuwe krachten in de wil uit, waardoor deze in staat gesteld wordt op de goede weg te wandelen. De onvernieuwde wil is onbekwaam in zichzelf tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. De vernieuwde wil blijft ook heen en weer schommelen tussen verzoeking en gehoorzaamheid. Het is zeker waar. Maar de Heere vuurt aan, spoort aan. Door genade blijven wij bewaard door uitspattingen, uitroeien van het kwade geschiedt hier niet, maar ten onderhouden wel. Er komt een weerstaan, een vechten tegen alle onreinheid.
Daarbij stipten wij tot nu toe slechts áán negatieve resultaat. Het vluchten van het kwade. Maar in de geestelijke groei komt nu ook een najagen van het geestelijke goede. Een wandel in de geboden des Heeren. Wie Christus Jezus, de Heere, eenmaal heeft aangenomen, voelt de aandrang in zich werken om alzo in Hem te wandelen, geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof. Goed, laat het waar zijn, dat dit wandelen een hinken is, een struikelen, toch wordt de gang op de duur vaster. De wandel met de Heere wordt ons een lust en blijdschap. De liefdedienst des Heeren verdriet ons niet. Daarbij mag worden opgemerkt, dat het wilsleven de uitwendige zijde van ons leven zeer ten goede komt. Onze Heidelbergse Catechismus openbaart dit wilsleven niet weinig in de strijd tegen de zonde en de duivel met een vrije en goede concentratie. In dit opzicht komt het regeerambt in de kerk ons onder het oog en het geloofsregiment in zo menige kring uit het leven. Wij staan er op, dat het gezag gehandhaafd wordt in staat en maatschappij, in gezin en school en in alle levensverbanden. Het doet ons leed als het gezag niet wordt uitgeoefend, maar misbruikt in anarchie, revolutie en het overtreden van alle normen. Ja, wanneer de ordeloosheid meer en meer optreedt òf in despotisme en staatsabsolutie wordt vergoddelijkt.
Het wilsleven openbaart meer dan enig ander element het koningschap van ons mens-zijn. Wij ontvangen daarin de genade om tegen de zonde te strijden. Dit geldt ook de weerstand tegen de begeerlijkheden van het lichaam. Wij denken aan de mateloosheid van genot en amusement. De bandeloosheid van ons lichaam over de geest. Het moet in Christus' kracht andersom zijn. De zonde mag niet het lichaam als werktuig blijven gebruiken, zo dat ons innerlijk wezen onder de macht blijft van begeerlijkheden, die het lichaam beheersen. Neen, die heerschapppij is in beginsel gebroken. Het lichaam is het ondergeschikte. De geest is de baas. In het leven der genade komt dit ook aarzelend naar voren. Wij gaan zelfs de leden van ons lichaam in dienst stellen van de gerechtigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's