Globaal bekeken
In de Utrechtse Volksalmanak van het jaar 1862 troffen we het volgende gedicht onder het opschrift 'Op het Kerkhof te Utrecht'.
Hier rusten voeten moê van 't draven,
En handen van 't aanhoudend slaven,
Geen hoofd wordt hier van denken stomp.
Hier rust de vroeg- en laat-bekeerde,
De onkundige en de hooggeleerde:
Wat vleesch was wordt een aarden klomp,
Maar, wat de ontbonden geest zal wezen.
Vreest hij niet, die zijn God blijft vreezen!
R. H. Graadt Jonckers
Een lezer stuurde ons een foto van wijlen ds. W.L. Tukker, gevonden 'bij het opruimen van oude recherche- en bondspaperassen'. Hier volgt de beschrijving bij de foto:
'De foto is op 14 juni 1961 genomen in Grand-Hotel "Huis ter Duin" te Noordwijk, waar ds. Tukker aan de maaltijd zat met het hoofdbestuur van de Bond van Christelijke Politieambtenaren in Nederland.
Hoe de toen Katwijkse pastor in dit politiegezelschap verzeild raakte, vraagt enige toelichting.
De Christelijke Politiebond placht eens in de twee jaar haar congres te houden. Telkens kreeg een andere afdeling uit het land gelegenheid dit belangrijke bondsgebeuren te organiseren. Daartoe behoorde het beleggen van een wijdingsdienst, voorafgaande aan het tweedaagse congres.
Gelet op de pluriformiteit van het bondsgezelschap werd afwisselend een predikant van een der plaatselijke kerken aangezocht.
Voor het in 1961 door de afdeling Noordwijk-Katwijk te organiseren congres, zou een van de hervormde dominees in aanmerking komen. Aangezien het congres, met het oog op de beschikbare ruimte in het Noordwijkse 'Huis ter Duin' zou worden gehouden, meende het afdelingsbestuur, dat de predikant uit de buurgemeente Katwijk diende te komen. De keuze viel toen op ds. W.L. Tukker, omdat nog niet eerder een Gereformeerde Bondspredikant voor een dergelijke wijdingsdienst was aangezocht. In de bestuursvergadering ging men unaniem accoord met ds. Tukker als voorganger, "'t Is wel een zwaore", merkte een van de Katwijkse bestuurders op. Ds. Tukker verklaarde zich onmiddellijk bereid de dienst te leiden.
De dienst werd gehouden in de Grote Kerk te Noordwijk-Binnen. Het kerkgebouw was tot in de hoeken bezet, hoofdzakelijk met mannen, leden van de Christelijke Politiebond. Ook waren er belangstellenden, want de dienst was openbaar. Indrukwekkend was de samenzang. De organist Joh. Admiraal, heeft mij later herhaaldelijk gevraagd nog eens zo'n congres in Noordwijk te organiseren. "Dat zingen, man, dat was geweldig".
De preek was geheel in de stijl van ds. Tukker: geen woord te weinig, geen woord teveel. Jaren later sprak men in de kringen van de politiebond nog over deze kerkdienst
Voor mij en nog enkele bestuursleden zat aan deze wijdingsdienst een pikant detail. In Noordwijk lag er reeds vele jaren een door de kerkeraad van de Hervormde Gemeente genomen besluit, dat predikanten van de Gereformeerde Bondsrichting niet tot de kansel mochten worden toegelaten. Ds. Tukker was in deze wijdingsdienst de eerste predikant van GB-huize, die in Noordwijk op de preekstoel kwam. Na deze "doorbraak" heeft hij in de Grote Kerk verscheidene malen gepreekt, nu in gewone diensten van de Hervormde Gemeente.
Voor het leiden van de wijdingsdienst wilde ds. Tukker geen enkele beloning of blijk van waardering. "Het is mij een eer geweest voor de politie te mogen spreken".'
Het wijdingswoord handelde over 2 Kr. 9 : 7b: 'Welgelukzalig deze knechten, die geduriglijk voor Uw Aangezicht staan'.
Jeugdherinneringen van Jan Ligthart. Zo luidt de titel van een boekje, dat we dezer dagen in handen kregen, geschreven door de befaamde pedagoogevangelist, uitgegeven in het jaar 1919 door het Ligthart-comité. Wist u dat er in Amsterdam ooit een palingoproer is geweest? Hier volgt wat Jan Ligthart erover zegt:
'(...) zelfs Willem III was een opvoeder, toen hij zich door de Willemstraat liet trekken. Zonder karton- of houtslöjd paste hij daar de zelfwerkzaamheid toe. Hij stelde die mannen in de gelegenheid, iets voor hem te doen. Iets dat ze graag deden. Iets dat hen een eer werd, een levenslange trots: "Ik heb den Koning nog voortgetrokken!" Daarmee riep hij van het beste wakker, wat in die mannen leefde: huldigende toewijding aan majesteit.
Vischkoopers, kroeghouders, geldschieters in zelfgewilde dienstbaarheid zich te doen inspannen voor Majesteit, zij het aardsche, het is een begin van zedelijke opvoeding. En het is de bittere fout onzer hedendaagsche zoogenoemde democratie, dat ze den eerbied voor Majesteit vernietigt. O, ik weet, dat er veel valsche majesteit is, maar daarom kan dat eerbiedsgevoel toch echt zijn. En niet de majesteit daar buiten, maar dat eerbiedsgevoel daar binnen is de opvoedingskracht. Wellicht buigen wij allen voor valsche majesteit wij blinde zoekers der Waarheid. Doch beter is het, een Koningskar voort te trekken, dan den zegewagen van de Zelfzucht. Als er maar een element van toewijding is!
Jaren later heb ik in denzelfden Jordaan het zoogenaamde palingoproer bijgewoond. Het Gemeentebestuur had een aloud volksvermaak verboden, waarbij een paling aan een touw boven het grachtwater hing en gegrepen moest worden door een onder het touw door varenden man. Zoo iets als het kalknuppelen, maar weer wat anders.
Het verbod was gerechtvaardigd, — ofschoon, als men toch beschermen wou, er in de gevangenissen en bordeelen heel wat menschen nóg dringender behoefte aan hulp hadden dan die paling,
't Ging echter waarschijnlijk minder om het palingbelang dan om de zedelijke opvoeding der Jordaners, die nu toch eindelijk eens afstand moesten doen van zoo onmenschelijk vermaak. Afstand, nog eer ze er in hun hart afstand van hadden gedaan.
De Jordaners verzetten zich, en soldaten trokken den Jordaan binnen. Het werd een formeel oproer. Natuurlijk wonnen de geweren het en tegenwoordig worden de palingen alleen maar levend gevild en in stukken gesneden door de gemoedelijke handjes der vriendelijke vischvrouwen. Meneer het Gemeenteraadslid ziet het zonder gewetenswroeging aan, zijn kinderen kijken ook met een zeker welgevallen. Het vischvrouwtje doet het zoo kwiek, en paling is lekker. Maar de Jordaners mogen niet meer "palingtrekken", denken er niet eens meer aan. Dat is voorbij. Door kogels getroffen.
En dit was nu juist de fout dat de kogels het geveld hebben.
Er was een betere manier geweest
Men had er Willem III voor moeten spannen. Gelijk de Jordaners Zijne Majesteit hadden voortgetrokken, had deze Majesteit — majesteitelijke roeping en roem! — zich in dienst moeten stellen van hun zedelijk heil. Men had de voornaamste palingtrekkers moeten opzoeken, hen uitnoodigen tot een vergadering ten Raadhuize, en daar had de Burgemeester, ter eere der vergadering in ambtsgewaad, moeten zeggen, hoe graag de Koning wou, dat dit vermaak uit "Zijn Jordaan" verdween, om dan te vragen, of de mannen daar geen middel op wisten: "De Koning vond, dat de Jordaners tegenwoordig te hoog stonden voor zulk een toch altijd wreed genoegen." En dan had men het daarheen moeten sturen, dat bij het eerstvolgend bezoek van Willem III een eere-comité van Jordaners onder leiding van Bokkebek, den Koning, "het besluit der burgerij" meedeelde, om voortaan ter liefde van hun vorst en de palingen, niet meer aan het palingtrekken te doen.
Dan had men, en waarlijk opnieuw zonder houtslöjd, de zelfwerkzaamheid in actie gebracht ten bate van het zelfheil.'
Een student-lezer stuurde ons een dichterlijke ontboezeming van Constantijn Huygens over 'Een goed predikant'. Om het de lezers enigszins te vergemakkelijken door de Oudhollandse tekst heen te komen plaatsen we het stuk inclusief de zestig woordverklaringen. Een weergave in hedendaags Nederlands, wie waagt zich eraan, zonder het coloriet van dit rijm te raken?
Hij is een Makelaer in ongesiene waren,
Die oore noyt en hoord', in 'therte noyt en waren;
Een Koek van Hemel-kost; een koren Werelt-sout;
Een Christelick Levijt; een 'handgeleld' in 't woud;
Een Trommel van genaed; een Afgesant van boven;
Een Wachter op de poort; een Stoot-steen inde Hoven;
Een 'schave vande Ziel; een 'geessel van de Sond;
Een Segger met gesagh; een Visscher met den mond;
Een Tafel-waerd in 'tKruys; een 'Fackel uyt de woleken;
Een Engel in gebeent; een Voor-hooft aller Tolcken;
Een wecker daermen ronckt; een scheider daermen schermt;
Een dreiger daermen lacht; een trooster daermen kerm.
De blommen van sijn' tael zijn waerheits bloote leden;
Sijn groote Meesters will is 'tslot van all' sijn' reden;
Onraed van woorden-keur beswaert sijn uytspraeck niet;
Welspreken is 'tbestell van Die hem spreken hiet.
En altijd spreeckt hij wel die boden-brood komt halen,
Maer garen laken wij de lakers onser qualen;
Die stormen staet hij uyt, en menigh bitsen tand,
En menigh schudde-muts van menigh onverstand.
't Verleckërend voll-op van troetelende leughen.
Van blinde vrienden-gunst, en kan hem niet verheugen;
Geleertheit rekent hij onnooselheit van geest;
Religie 'tonderscheid des menschen vande beest.
Niet redens gaev' alleen. Sijn' boecken zijn de bladen
Van 't dubbele verbond; de fackel sijner paden
Ontsteeckt hij aen dat licht; die troostelicke brand
Begaeft, beroert, beleid sijn' tongh, sijn hert, sijn' hand;
Het veinsen waer hem konst; het recht gaen heet hij loosheit;
De Werelts wijsheit jock; haer schoonste deughden: boosheit;
Haer soetste reucken: roock; haer dierste peerlen: snot;
En alle vreughd: verdriet van elders als van God.
Gedwongen ootmoets pracht is in hem niet te lesen;
Sijn oog is nederigh, sijn Ziel gelijckt sijn wesen.
Dat defticheit bedaert soo verr beleeftheyt luyt;
Hij kan door fronssen zien, en lacchen t'sijner tijd;
Sijn' kercken sijn soo veel' als huysen van ellende;
Daer oeffent hij 'tbewijs van 'tsaligh sonder-ende,
Daer deelt hij mannelick in ijeder eens verdriet.
En plaestert grouwel-loos de grouwlen die hij siet.
Bekommering van Staet, wat Princen doen en laete,
Bekeurt sijn' lusten niet; de tijding vande straten
Ontmoet hem onverhoeds; hij guntse niet een oor;
Gods lastering alleen ontgrendelt sijn gehoor;
En daer hij 'tlos beleid der Koninghen siet hellen
Tot Godsdiensts ondergang en Waerheits achterstellen.
Daer roept hij: brand, verraed! en: Vorsten, beight u niet,
lck buyghe voor een Wett van Hooger hands gebied.
Geschillen, 'twilde vier van all te heete herten.
Ontloopt hij ruggeling: men moet hem jaren terten
Om een uer woorden-strijds; de Waerheyt met de Vré
Verhecht hij echtelijck, gelijck sijn meester dé;
Komt d'een van d'ander hand nootsakelick te scheiden,
Hij vatt de voorste vast, en koppelt weder beiden
Met losse knoopen toe, daer koele middelmaet
Met stade weer den strick van d'oude trouw om slaet.
Groot Herder Israëls, laet dijn' verkoren kudden
De vruchten dijns verbonds van suleke tacken schudden;
Sendt knechten inden Oogst van dese' en beter stoff;
Ons wel-zijn hangter aen, en daer aen dijne loff.
1 vgl. 1 Cor. 2 : 9
3 koren: korrel; vgl. Mt. 5 : 13
4 't woud van het leven
5 Trommel van: rommelaar voor
6 Stoot-steen: steen des aanstoots
8 Visscher van mensen (vgl. Mt. 4 : 19)
9 een gastheer (bij het Avondmaal) in de herberg waar het Kruis uithangt: een Fackel: vgl. Ex. 13 : 21
10 in gebeent: met een lichaam; Voor-hooft: opperste (hij vertolkt nl. het Woord Gods)
11 daer-: waar; schermt: twist
14 reden: woorden; vgl. Rom. 9 : 19 ev.
15 last met het kiezen van zijn woorden bemoeilijkt zijn spreken niet
16 'tbestell: de zorg; hiet: liet (vgl. Ex. 4 : 12)
17 boden-brood: bodenloon (de brenger van een goede boodschap had recht op bodenloon; zo zeker de predikant)
18 laken: misprijzen; qualen: gebreken
19 tand: opmerking
20 schudde-muts: afkeuring
23 rekent: acht
25 redens gaev': de gave van het verstand
26 dubbele verbond: oude en nieuwe testament; vgl. Ps. 119 : 105
27 troostelicke: behulpzame
28 Begaeft: maakt sprekend; beleidt: bestuurt
29 het veinzen zou voor hem iets kunstmatigs zijn; oprechtheid noemt hij slimheid; vgl. 1 Petr. 2 : 1
30 jock: scherts
31 dierste: kostbaarste
32 van elders...: als het van elders als van God komt
33 Gedwongen: afgedwongen; lesen: vinden
34 wesen: voorkomen
35 dat door deftigheid rustig is, zoveel als de beleefdheid dit toestaat
36 door fronssen zien: ernstig kijken; t' sijner: op zijn
37 elk huis waar ellende heerst is zijn kerk
38 daar bewijst hij metterdaad de waarheid van de zaligsprekingen (Mt. 5 : 3 evv.)
40 plaestert grouwel-loos: verlicht hij zonder te gruwen
41 van: om de; Princen: vorsten
42 Bekeurt: bekoort; de tijding: het nieuws|
45 daer: waar; 'tlos: het lichtzinnig
47 belght u...: maak u niet boos
48 gebied: gezag; vgl. Hand. 4 : 19; 5 : 29
49 vier: vuur; vgl. Tit. 3 : 9 evv; Tim. 6 : 3 ev.
50 ruggeling: met de rug ernaar toegekeerd; terten: uitdagen
52 Verbecht hij echtelijck: verenigt hij als lot een huwelijk
53 nootsakelick: in geval van nood
55 daer: waar
56 koele... stade: kalme gematigdheid geleidelijk
57 dijn' verkoren: uw uitverkoren
59 van dese'...: zoals ik ze hier beschreven heb en nog betere
60 bangter aen: is er van afhankelijk
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's