Uit de Pers
Predikant
Ds. D.J. Karres schreef eens een boek met de titel 'Een boekje open over de dominees' (Leiden, 1972). Hij begon dit geschrift met aan te geven hoe het beeld van de predikant is verschoven door de jaren heen. En hij had en heeft daarin volledig het gelijk aan zijn kant. Wie de 'Schetsen uit de pastorie van Mastland' van ds. C.E. van Koetsveld weleens heeft gelezen, kan dat volkomen verschoven patroon van leven en werken voor ogen geschilderd krijgen in het sappige proza van deze dominee-literator. Welke collega heeft niet eens uit de mond van een onverwachte passant op zijn pastorale levenspad de wat meewarig klinkende vraag te horen gekregen: 'Bent u een dominee?' Diep meelijden valt daarin te beluisteren: 'Wat zielig zeg, zo'n gewone en sympathieke man met zo'n ouderwets beroep'. Met name buitenkerkelijken kunnen dan tegen je zeggen: 'Ik kan dat eigenlijk niet geloven van u, u bent zo heel anders, zoveel menselijker en gewoner, dan ik me altijd had voorgesteld'. Kortom, dominees staan nogal eens te boek als saaie, een beetje onbenaderbare lieden die eigenlijk een wat eenzaam en slopend bestaan leiden als verkoopkrachten van een allang failliet geachte firma in hemelse en dus onverkoopbaar geraakte zaken.
De positie van de predikant is de laatste tijd nogal eens gesprekspunt in de pers. Op de contio in januari 1990 van de Gereformeerde Bond hield ds. G. Biesbroek een referaat over 'De werkdruk van de predikanten'. U hebt de inhoud intussen kunnen lezen in ons blad. In 'De Wekker' van 2 maart jl. gaat dhr. D. Koole ook o.a. in op de rol van de predikant in gemeenten waarin allerlei spanningen optreden. Hij schrijft:
'Vooral in de kerken van traditioneel-gereformeerde signatuur neemt de predikant in het leven van de gemeente nog altijd een centrale plaats in, en wel in deze zin, dat behalve prediking, catechese en pastorale zorg voor zieken, ook andere activiteiten van de gemeente hun beginpunt bij de predikant vinden en in de voortgang sterk van de initiatieven en inventiviteit van zijn persoon afhankelijk zijn. Dat alles maakt hem in zijn dienende rol enerzijds min of meer belangrijk, maar tegelijk ook erg kwetsbaar. In al zijn doen en laten heeft hij namelijk te maken met mensen die over lang niet alles gelijk denken. Het komt nogal eens voor dat de wijze waarop een predikant in zijn ambtelijke werk functioneert, bij sommigen in de gemeenten weerstanden en irritaties oproept. Nu eens manifesteert zich ontevredenheid over de prediking. Dan weer voelt men zich tekort gedaan in het ontvangen van pastorale aandacht. Wat zijn initiatieven voor de inrichting van het plaatselijke kerkelijke leven betreft vindt de één hem te progressief en een ander te conservatief. Verwijdering tussen leden van de gemeente en de predikant kan ook ontstaan doordat de laatste, in situaties waarin pastorale vermaning nodig is, ontactisch optreedt of vanuit onvoldoende inzicht in achtergronden en bijkomende omstandigheden op een zaak ongelukkig inspeelt. De ervaring leert dat in de ontevredenheid in misnoegdheid van enkelen in de gemeente, vulkanische conflictstof voor de gemeente als geheel opgeslagen kan liggen. Enkele ontevreden broeders en zusters weten soms hele groepen uit de gemeente tegen de persoon en het werk van de predikant te mobiliseren. Kerkeraden die in zulke situaties handelend en bemiddelend moeten optreden, zijn in de regel niet te benijden. Hoewel de positie die de predikant in de gemeente inneemt niet mag worden verabsoluteerd, hangt met zijn persoon en werk toch een zeer wezenlijk element van het leven van de gemeente samen, namelijk de ambtelijke verkondiging van het Woord van God. Verstoorde verhoudingen tussen predikant en leden van de gemeente hebben in de regel negatieve invloed op de prediking. Er dreigt al gauw niet meer zonder vooroordelen en in onbevangenheid te worden geluisterd.'
Ik vermoed dat een aantal collega's, kerkeraden en gemeenteleden deze situatieschets en schildering vanuit eigen problematiek uitnemend zullen herkennen, al is het gelukkig niet overal zo. Er zijn ook vele gemeenten waarin de loop van het Woord ongehinderd mag plaatshebben. Wel is het zo dat voortdurende waakzaamheid geboden is bij predikant èn kerkeraad. Er is soms niet zoveel voor nodig om een 'tijdbom' geplaatst te krijgen die binnen afzienbare tijd explodeert. Ik citeer nogmaals dhr. Koole:
'Het is een heilige plicht van elke kerkeraad alles in het werk te stellen om de verhouding tussen predikant en gemeente zo zuiver mogelijk te houden en bij verstoring ervan in volstrekte onpartijdigheid al datgene te doen wat tot herstel van de verhoudingen kan leiden, eenvoudig omdat anders het gezag van de prediking van het Woord eronder te lijden kan krijgen. De gedachte aan en de bescherming van dit gezag moeten bij de beoordeling en de behandeling van conflicten steeds centraal staan.'
Predikant en kerkeraad
Van belang in deze is voorts ook de relatie tussen predikant en kerkeraad. Is er voldoende openheid en dan van beide kanten uiteraard? Soms kunnen predikanten zich al te afstandelijk opstellen ook naar hun kerkeraad. Dat kan uiteraard allerlei onuitgesproken redenen hebben. Predikanten laten zich soms moeilijk corrigeren, zijn lichtgeraakt en snel op hun weleerwaarde tenen getrapt. Het werk van de predikant vindt plaats in een grote mate van vrijheid en wanneer kerkeraadsleden zich al te zeer bemoeien met de tijdsinvulling van de predikant kan laatstgenoemde dat wellicht ervaren als bemoeizucht. Ook al is het niet zo eenvoudig, kerkeraadsleden kunnen hun predikant soms ook al te zeer aan zijn eenzame lot overlaten. Zo kunnen soms onbedoeld problemen ontstaan, die zich gaan manifesteren in prediking en pastoraat. Terecht schrijft dhr. Koole ook daarover het volgende:
'Dit sluit natuurlijk niet uit dat in bepaalde situaties ook de predikant tot de orde kan moeten worden geroepen. Ook hij is mens en niets menselijks is hem vreemd. Een geïrriteerde uitval, een misplaatste opmerking, een al te scherpe karakterisering, negatie van broeders en zusters van wie hij tegenspraak te duchten heeft, het versluierd of op heel directe wijze uitdelen van reprimandes vanaf de preekstoel, snelle opvliegendheid wanneer de dingen in de gemeente een andere loop nemen dan men zich had voorgesteld, het zijn allemaal dingen waaraan predikanten zich schuldig kunnen maken en uit de kerkelijke praktijk is genoegzaam bekend hoeveel conflictstof in zulke dingen opgeslagen ligt. In broederlijke liefde en uit besef van verantwoordelijkheid voor het heil van de gehele gemeente, zal een kerkeraad in zulke situaties de moed moeten hebben ook de predikant onder correctie te stellen en hem in positieve zin bij te storen. Zonder aanzien des persoons. De geest van broederlijke samenwerking binnen een kerkeraad wordt alleen maar verdiept en bevorderd wanneer men als broeders, in het onderlinge opzicht dat er behoort te zijn, elkaar recht in de ogen kijkt. Met onuitgesproken negatieve gedachten over elkaar rondlopen (hoewel het ons natuurlijk duur te staan zou komen wanneer we alles maar hardop zouden zeggen) schept een sfeer van onoprechtheid in de onderlinge omgang.
Overigens hoeven gesprekken over deze dingen met een predikant niet altijd in de voltallige kerkeraadsvergadering te worden gevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden, de aard van een conflict en de mentale instelling van de predikant, kan men een zaak ook laten behandelen door één of enkele broeders, bij wie de wijsheid daartoe aanwezig kan worden geacht.'
Predikant en gemeente
Over deze problematiek schreef ook dr. F.G. Immink, één der rectoren van het Theol. Seminarium van de Ned. Herv. Kerk in het decembernummer 1989 van Theologia Reformata in de rubriek Reflexen. Hij gaat eerst in op het verschijnsel dat de laatste tijd nogal eens predikanten moeten worden losgemaakt van hun gemeente.
'Wat is in de praktijk het geval? Er is een toenemend aantal predikanten die moeten worden losgemaakt van hun gemeente (Ord. 13-30). Zowel voor predikant als gemeente zijn dat zeer pijnlijke situaties. In enkele gevallen wordt als oorzaak gezien dat personen worden toegelaten tot het ambt van predikant, die niet de vereiste geschiktheid hebben.
Nu moeten we hier wel op onze hoede zijn. Soms botert het niet tussen predikant en gemeente, en dat is zeker niet altijd terug te leiden tot de kwestie van geschiktheid. Een predikant kan in zijn gemeente tegen problemen oplopen waar hij niet tegen opgewassen is. Er zijn gemeenten die verscheurd worden door partijschappen, en niet zelden liggen er maatschappelijke en sociologische verschillen aan ten grondslag.
Sommige gemeenten hebben een zeer complexe struktuur, waar een predikant op stukloopt, terwijl hij in een andere gemeente weer prima funktioneert. Soms doet zoiets zich ook voor in een eerste gemeente, en je kunt je voorstellen dat een beginnend predikant dan onder geweldige druk komt te staan. Je kunt tot de ontdekking komen dat je niet bij elkaar past. Maar toch kun je niet zeggen dat het altijd aan de gemeente ligt, of aan de combinatie mssen deze predikant en deze gemeente. Eerlijkheidshalve moeten we zeggen dat er ook een categorie predikanten is, die uitgerekend die eigenschappen mist die nodig zijn om predikant te kunnen zijn.
Aan de kant van de predikant kunnen er strukturele communicatiestoornissen zijn, of onopgeloste problemen in de persoonlijke ontwikkeling. Onherroepelijk worden we in de uitoefening van ons ambt daarmee gekonfronteerd. Zeker in stress-situaties. Hoe moeilijk is het dan om de problematiek van de gemeente zuiver te houden en niet te vermengen met de eigen blokkades. Gelukkig krijgt de beginnende predikant een mentor toegewezen, en in veel gevallen wordt die werkbegeleiding als positief ervaren. Toch betekent dit niet dat iedereen daarmee geholpen is. Er blijken toch situaties te zijn waarin mensen echt vastlopen. Daarbij rijst de vraag of de geschiktheidsverklaring in sommige gevallen niet geweigerd had moeten worden. We dienen dan wel te bedenken dat het gaat om incidentele gevallen van ongeschiktheid voor het ambt. Het gaat niet om grote aantallen, maar er zijn wel gevallen bekend waarbij al tijdens de studie twijfels rezen over de geschiktheid en men vermoedde dat het in de gemeente wel eens fout zou kunnen gaan.'
Ik denk dat het een goede beslissing is geweest van de generale synode der Ned. Herv. Kerk om per 1 februari 1987 het mentoraat voor beginnende predikanten verplicht te stellen (Ord. 7-19a). Motieven en argumenten om tot dit besluit te geraken waren o.a. een verregaande polarisatie, een voortgaande secularisatie, een toenemende complexiteit van de samenleving en daarom ook van het kerkelijk leven, een sluipende maar niet minder effectieve aanvechting van het geloof binnen en buiten de pastorie (zie Jaarverslag 1988 commissie mentoraat beginnende predikanten). Niet dat dit mentoraat weer alles kan voorkomen, maar wel heel veel.
We gaven al even aan hoe noodzakelijk het is dat de kanalen tussen predikant en kerkeraad open blijven. Dr. Immink zegt daar dit over:
'Maar dat oefening en training verder brengt, geldt zeker ook voor onze communicatieve vaardigheden. Vooral beginnende predikanten leren op dit punt in de praktijk heel veel. Ze worden getraind. Allereerst op de werkplek. Het valt op dat er altijd wel weer kerkeraadsleden of gemeenteleden in de buurt zijn, die de gave en de wijsheid bezitten om juist op dit punt predikanten van dienst te zijn. Ze vormen een klankbord. Een klankbord weerkaatst, geeft iets terug aan de persoon zelf. Dat blijkt heel belangrijk te zijn: terughoren hoe je het doet, zowel positief als kritisch. Op die manier kun je zelf je werk evalueren, en daardoor kun je ook groeien en je ontwikkelen.
Helaas komt het voor dat er geen klankbord is, geen communicatie over de communicatieve vaardigheden. Niet zelden ontstaat er dan een kloof tussen predikant en gemeente, isolement en eenzaamheid in de pastorie. Wanneer de communicatie over het hoe van het werk gestoord is, dan kom je vroeg of laat toch jezelf wel eens tegen. Vaak is dat pijnlijker, en ingrijpender. Want tegenslagen en weerstanden kun je heel lang verbergen, zelfs zo dat je ze zelf ook werkelijk niet ziet.'
Terecht wordt hier impliciet gepleit voor openheid met name bij de predikant zelf. Veel eenzaamheid en frustraties worden ook door predikanten zelf veroorzaakt. Dàt te onderkennen is al een deel van de oplossing van het probleem. Zo vaak zijn we verkrampt bezig. We hebben onszelf in een bepaalde rol gemanoeuvreerd die op den duur een harnas blijkt te zijn waarin we niet echt gaan kunnen. Er is dan soms moed voor nodig dat image te doorbreken door te worden en te zijn die je werkelijk bent.
Dr. Immink geeft tenslotte nog aan welke factoren een rol kunnen spelen in het proces waarin het soms heel erg moeilijk wordt voor predikant en gemeente om samen nog verder te gaan.
'Predikanten hebben een beroep dat hen kwetsbaar maakt. Immers, ambt en persoon zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je komt jezelf tegen in het werk (in de preek, in het pastoraat). Je loopt tegen je eigen grenzen aan, maar je gaat ook je eigen mogelijkheden zien, en zo vormt zich een bepaald patroon in je werk. En hoe verschillend zijn predikanten niet in hun werkwijze! Mijns inziens is dat ook een goede zaak. Binnen bepaalde grenzen heb je de vrijheid om je werk zo in te richten dat je je eigen grenzen in acht neemt en je eigen mogelijkheden uitbouwt.
Het predikantschap is ook een beroep dat voor sommige mensen zeer gevaarlijk is, en het kan gebeuren dat na verloop van tijd de grens van de ongeschiktheid benaderd wordt. Ik wil hier twee factoren noemen die m.i. daarbij een rol spelen. (1) Wanneer de predikant zichzelf volledig identificeert met de kerk, met de Heilige Geest, met zijn ambt. Een overgeaccentueerd roepingsbewustzijn of een fixatie op de profetische houding kunnen tot grote ongelukken leiden. Immers, kritiek is dan niet meer mogelijk, want iedere kritiek is uiteindelijk tegen de Heere gericht. (2) Een pastor die boordevol zit met allerlei onopgeloste conflicten in zichzelf In de ontmoeting met de ander spelen die conflicten onherroepelijk een rol, en zo kan het gebeuren dat een conflict in de predikant zelf leidt tot conflicten in de gemeente, of latente conflicten aanwakkert.
Soms kan wisseling van standplaats uitkomst bieden. Maar tegenwoordig zijn de mogelijkheden op dit gebied zeer beperkt, zeker in onze kring.'
Brief aan een jonge dominee
Ik wil dit keer afsluiten met een poëtische verwoording door ds. G. Boogaard van herkenbare gevoelens in menig vooral jong domineeshart:
Brief aan een jonge dominee
Je zult weleens
eenzaam zijn:
je hebt gewerkt aan
je preek,
je er niet
met een Jantje van Leiden
van afgemaakt,
gebeden wellicht,
omdat woorden doorademd willen worden
van Geest,
je bent nogal blij
naar de kerk gegaan,
je gezicht viel je niet tegen
toen je je toga aantrok
en in de spiegel keek,
je was gelukkig
in de liturgie
en er viel een ervaring op je
van broederschap.
Na de dienst zei er één
dat het nog regende
en een ander beweerde
dat het tochtte;
wilt u roken vroeg de ouderling
van dienst,
en dat deed je toen;
ze moesten ineens allemaal
weg.
Misschien dat je dan wat
kunt beginnen met die zwerfsteen,
één van de woorden
van Jezus:
het is zaliger te geven
dan te ontvangen,
daar staat een heel koninkrijk
omheen gebouwd
en er zit troost in
voor jaren.
Zo is het ook nog eens een keer!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's