Zeer groot geloof nodig
Uit de geloofspraktijk (2)
Een vorig keer toonde ik aan dat de aanvechtingen waarbij satan gebruik maakt van mensen, talrijk kunnen zijn. Het is om die reden niet 'zomaar' dat wij de dichter van de oude dag horen bidden om verlost te worden van de overlast van mensen. Mensen kunnen het elkaar zeer moeilijk maken. Zelfs zo moeilijk, dat grote twijfel een gevolg kan zijn en men geneigd is om God en Zijn dienst zo niet op te geven, dan toch maar wat toe te geven aan wat haaks op God en Zijn Woord staat. Enige voorbeelden daarvan en de remedie daartegen waren in het vorige artikel te lezen. Daarin ging het om kleine verbanden zoals gezin, familie en werk waarin christenen staan. Het geplaagd worden daarin door satan met andere mensen is geen kleine zaak. Toch wil ik ook nog op iets anders wijzen. Bij de voorbereiding van deze artikelen las ik bij Woelderink in zijn 'Uit de praktijk der Godzaligheid' dat doorgaans zij grote aanvechtingen kennen, die in de kerk of in de maatschappij een vooraanstaande positie innemen. Hetzelfde las ik trouwens ook bij Voetius en Immens, wanneer zij spreken over aanvechtingen. Zowel Woeldrink, Voetius als Immens zien hierin een aanvechting, dat zij die een vooraanstaande positie innemen naar de mond worden gepraat óf in de hoogte worden gestoken. Naar hun mening is het dan een geweldige aanvechting om daaraan niet toe te geven en om 'steil en diep' afhankelijk van de Heere te blijven. Echter zij wijzen nog op een andere zaak, tengevolge waarvan de omgang met de Heere in het geloof op de tocht komt te staan. Wie een vooraanstaande positie in de kerk inneemt en daarin van harte achter de confessie wil staan en daaruit begeert te leven, krijgt wel eens heel andere dingen te horen. Die zal ook wel eens vernemen, dat men het leven allemaal niet zo nauwgezet behoeft te nemen en dat het wel wat minder kan dan bijvoorbeeld ons in de confessie wordt aangegeven. Om dan staande te blijven en trouw te blijven aan wat ons is overgeleverd, om dan niet te verloochenen wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard, waarvan wij toch de neerslag vinden in de confessie der kerk, daarvoor is meer nodig dan een groot verstand. Daarvoor is geloof nodig. Zoals W.L. Tukker jaren geleden ons op een jaarvergadering van de Bond voorhield: 'daarvoor is een zeer groot geloof nodig'. Dat waren toen geen loze woorden uit zijn mond. Want als er één van aanvechtingen ook in dit verband heeft geweten, is hij het wel geweest, vanwege zijn zeer vooraanstaande positie in de kerk.
Voorbede
Een zeer groot geloof is er nodig, wanneer er aanvechtingen worden gedaan op de leer zoals die ons door de vaderen is overgeleverd. Maar al te gemakkelijk zijn wij van huis uit bereid om toe te geven aan een evangelie, aangepast aan ons mensen. En zeker wanneer ons iets dergelijks dagelijks wordt voorgehouden, zijn wij geneigd om toe te geven. Wat een aanvechting! Er mag wel iedere dag gebeden worden voor hen die een vooraanstaande plaats in de kerk innemen. Ik denk zo aan de leden van de synode en speciaal wil ik ook noemen onze kerkelijke hoogleraren, die niet alleen een vooraanstaande plaats in de kerk innemen, maar ook aan de universiteit, waar zij jonge mensen opleiden voor het predikantschap. Vergeten wij niet al te veel en al te snel, hoe aangevochten zij juist vanwege hun positie kunnen worden en welk een gebed zij nodig hebben om staande te blijven. Om de Bijbelse leer — die toch is de gereformeerde leer — trouw te blijven. Maar dat alles geldt ook onze synodeleden. Wat is er de laatste jaren al niet aan de orde geweest op de synode. Wat een geloof hebben met name onze afgevaardigden moeten hebben om staande te blijven en niet mee te gaan met wat indruiste tegen het Woord Gods en daarmee tegen de belijdenis van de kerk. Maar hebben wij voor al die afgevaardigden wel steeds onze knieën gebogen en de Heere gesmeekt òf zij niet met andere mensen en met andere leringen geplaagd mochten worden en wanneer dit wel gebeurde dat zij dan staande mochten blijven? Van het werk der synode weet ik niet zoveel. Ik volg dat maar via de pers en wat ik hoor via het Breed Moderamen van de classis Harderwijk. Zoveel weet ik er echter wel van, dat een plaats in de synode niet zo'n gemakkelijke is en nog moeilijker wordt het wanneer men deel uitmaakt van het moderamen of het breed-moderamen. Hoe het ook moge zijn: bidden wij voor onze mannen-broeders, opdat de Heere hun een zeer groot geloof zal geven en dat grote geloof zal onderhouden? Laten wij niet denken, dat onze afgevaardigden wel staande zullen blijven, omdat zij van Godswege een plaats in de synode hebben gekregen. Het mag waar zijn, dat dit het geval is, omdat er niets buiten de glanzende raad Gods omgaat. Toch werkt het niet zo, dat zij dan ons meeleven en vooral ons gebed niet meer nodig zouden hebben. Zij hebben die in dubbele mate nodig. Laten wij daarbij ook hen niet vergeten, die op enigerlei manier leiding hebben te geven in kerkprovincie en classis. Er wordt wel eens gezegd: hoge bomen vangen veel wind. Dat geldt niet minder voor hoge kerkelijke bomen. Zoals aangetoond, kunnen de aanvechtingen zovele zijn, dat het sterke geloofsbenen dienen te zijn die de weelde (aanvechtingen) kunnen verdragen.
Groepsvorming
Ik ga niet breedvoerig in op het feit dat de kerk een geloofsartikel is. Ik verwijs u daarvoor slechts naar onze Nederlandse Geloofsbelijdenis en naar diverse artikelen door ds. W.L. Tukker daarover tijdens zijn leven geschreven en waarover hij, als ik mij goed herinner, een referaat heeft gehouden op de jaarvergadering bij zijn afscheid. Hoe hartstochtelijk en met veel liefde kon hij spreken over de kerk en met name dan over de Nederlandse Hervormde Kerk. Ondanks al het feilen en falen van deze kerk en niettegenstaande al haar zonden is hij deze kerk trouw gebleven. Waarom? Omdat deze kerk was een planting Gods en behoorde tot het lichaam van Christus. Ook A.A. van Ruler werd meer dan eens lyrisch, wanneer hij op college over de kerk sprak. En als hij ons in de zestiger jaren één ding geleerd heeft, is het wel om zicht te houden op de gehele kerk en ons niet op te sluiten in een groep van gelijkgezinden of aan groepsvorming te doen. Wat dit laatste betreft is het gevaar reëel aanwezig, dat wij ons opsluiten in een ghetto en van daaruit geen zicht meer hebben op onze eigen kerk en helemaal niet meer op de wereldkerk. Dat kan werkelijk een geweldige aanvechting zijn. Een aanvechting die wij moeten onderkennen en waartegen wij met het Woord in de hand en in het hart (geloof) moeten strijden. Het zal waar zijn dat het goed toeven is binnen een kring van gelijkgezinden. En het isolement mag op zijn tijd zeer begerenswaardig zijn, vooral dan wanneer de hitte des daags en de koude des nachts door ons bijna niet meer te dragen en te verdragen zijn. En toch... in dat isolement ligt niet onze kracht. Die ligt wel in onze verborgen omgang met God, maar dat is een geheel ander isolement. Het isolement dat ik bedoel wordt ons nergens in de Schrift voorgehouden en zal men ook nergens in de belijdenis van de kerk kunnen aantreffen. Bovendien is er nog een element dat onder ogen gezien moet worden. Groepsvorming laat zich niet meer bevruchten. Wat bedoel ik daarmee? Wel, men kan zo overtuigd zijn als groep van eigen gelijk dat men van een ander niets meer wil leren. Ja, het kan zelfs zo ver reiken, dat men anderen alleen maar gaat bestoken en de groep wordt gezien als voortzetting van de kerk óf als de kerk zelf. Ik denk dat groepsvorming binnen de kerk een heel gevaarlijke zaak is en dat vooral dominees moeten uitkijken dat zij daarvoor de grond (de gemeente) niet rijp maken. Want laten wij eerlijk zijn: het leven binnen de groep van gelijkgezinden en waarin ons wellicht de handen wordt opgelegd, is natuurlijk veel aantrekkelijker dan midden in een kerk te staan waar ontstellend veel wordt aangetroffen wat ons pijn doet of waarmee wij worden aangevallen. Toch denk ik dat wij wel eens meer zegen konden ontvangen, wanneer wij midden in de kerk durven te staan dan dat wij ons opsluiten in eigen kring of groep en van daaruit 'kerkje' willen zijn of de kerk in vele dingen willen nadoen. Met dit alles heb ik niet willen zeggen, dat het niet aangenaam is wanneer men van tijd tot tijd gelijkgezinden mag ontmoeten. In dit verband wil ik wel noemen het contio van predikanten. Ook de jaarvergadering van onze Bond in mei mag een ontmoeting zijn van gelijkgezinden, maar let wel: daarbij dient het te blijven. Door de dagen zoals ik die noemde worden wij gemotiveerd, gestimuleerd en bemoedigd om onze taak binnen het geheel van de kerk weer blijmoedig voort te zetten. Wat ik met dit alles wil zeggen is, dat wij de hitte des daags in de kerk maar moeten verdragen en dan kon het nog wel eens zijn, dat de Heere ons tot zegen voor anderen stelt. Voor anderen die het gereformeerd (d.i. het Bijbels) belijden niet helemaal of soms helemaal niet van harte toevallen. Laten wij maar niet vergeten, dat er óók een geweldige aanvechting hierin schuilt, dat wij ons kampioenen der waarheid gaan wanen. Echt, dat gevaar is niet denkbeeldig. Wij zijn vlees en wij blijven vlees, ook na eens ontvangen genade. En hoe meer wij daarachter komen en — om met Jac. van Dijk te spreken — eerlijk gemaakt worden voor God en voor onszelf, naar die mate zullen wij gaan beseffen dat wij slechts ten dele kennen. Wil dat dan zeggen, dat wij niet achter de gehele gereformeerde confessie staan? Natuurlijk wel. Vooral wanneer door ons doorleefd wordt, wat ons in de belijdenisgeschriften is overgeleverd, zullen wij wis en waarachtig daarachter staan of, zoals iemand eens een beetje platvloers zei: 'ik ben aan het gereformeerd belijden verslingerd, omdat ik met mijn hart doorleef wat daarin wordt gezegd'. Daarom: belijden en beleven is geen tegenstelling. Integendeel. Om die reden mag wat beleden en beleefd wordt, óók worden uitgedragen. Doch let wel: als een doorleefd belijden en niet als gestolde lava. En hoe belangrijk de woorden dan mogen zijn, doch het gaat ten diepste om de zaken van de woorden. Want wij kunnen nog zo'n zuivere leer hebben en wij kunnen nog zo ijveren voor het erfgoed van de reformatie en wij kunnen allerlei organisaties uit de grond stampen en daarop het etiket 'reformatorisch' plakken, doch als het niet meer is dan dat, wanneer de waarheid niet meer door ons bevonden wordt en onze ervaring (bevinding) niet meer is genormeerd aan de Openbaring, zo zal het tekort zijn voor de eeuwigheid.
Wellicht dat ik het te donker inzie, maar ik vrees wel eens dat het ook een aanvechting van de duivel kan zijn om overal maar 'reformatorisch' of 'evangelisch' op te plakken en dan te denken dat het wel goed is omdat die naam erop geschreven staat. Laten wij dan maar niet vergeten de les te trekken uit de geschiedenis van de kerk. Het zal terecht zijn, wanneer A. Kuyper zegt dat Christus over alles Koning is. Inderdaad, de Zaligmaker heeft het als Koning der koningen en Heere der heren over alles en iedereen te zeggen. Uit deze stelregel trok Kuyper de conclusie, dat alles de naam 'christelijk' moest gaan dragen. Welnu, het zal ons wel bekend zijn welk een organisaties en verenigingen door hem uit de grond zijn gestampt die de naam 'christelijk' droegen. Opzettelijk schrijf ik: droegen. Want wat is er van dat alles nog over? Vrijwel niets meer. De generatie na Kuyper was zo zelfgenoegzaam en was zo tevreden met de aanduiding 'christelijk', dat God erin kwam blazen. Laten wij dat met onze etikettenplakkerij van 'reformatorisch' of 'evangelisch' maar niet vergeten. Wanneer de wortel der zaak ontbreekt, wanneer de levende God en Zijn dienst daarin wordt gemist, is het de dood in de pot.
Tot slot deze opmerking: laten wij hervormd zijn om iedere dag hervormd te worden.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's