De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bij de openbare geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij de openbare geloofsbelijdenis

12 minuten leestijd

Ik geloof...
Wanneer we een brief of een hoofdstuk van een boek met 'ik' beginnen is dat niet zoals het behoort. Te ik-middelpuntig is dat, te parmantig. Toch begint het Apostolicum, dat van zondag tot zondag binnen de christelijke gemeente beleden wordt, met ik. 'Ik geloof, in God, de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en van aarde'. En die ik-vorm blijft tot het eind toe gehandhaafd. Ik geloof in God, de Zoon. Ik geloof in God, de Heilige Geest. Ik geloof één heilige, algemene christelijke kerk. Ik geloof de vergeving der zonden. Ik geloof de wederopstanding des vlezes. Ik geloof het eeuwige leven.
Het geloof is — zo stelt het Apostolicum — een hoogst persoonlijke zaak. Meestal gaat in de belijdenissen de ik-vorm schuil achter de wij-vorm. Wij geloven met het hart en belijden met de mond. Die wij-vorm is ook goed, want niemand gelooft in zijn eentje. We geloven en belijden met de kerk der eeuwen, met de kerk van alle tijden en plaatsen. Die gedachte ontneemt aan het geloof alle persoonlijke triomfantelijkheid of elk persoonlijk superioriteitsgevoel. Ik ben slechts een schakeltje in het grote wereldwijde, de tijden omspannende heilshandelen van God. Maar evenzeer is het waar, dat Hij onder miljoenen mensen, mij hoogst persoonlijk op het oog had, vanuit Zijn eeuwig welbehagen zelfs.
Ik geloof.. Persoonlijker kan het niet.

In God
Onze hele geloofsbelijdenis komt in feite ten diepste hier op neer, dat we in God geloven. Neem God uit die belijdenis van het geloof weg en we houden puur humanisme, hoe 'christelijk' ook verpakt, over. 'Ik geloof in God.' In God, niet aan God. We geloven niet alleen dat God bestaat — dat ook —, we geloven niet ook alleen maar God — ook dat is waar — maar echt geloven is geloven in God. Dat geeft vertrouwelijkheid, in-timiteit aan. Zoals Henoch wandelde met God, zo is het ware geloof ook een wandelen met God. In dat wande­len ligt opgesloten vertrouwen en hoopvolle verwachting.
Wanneer zondag 7 van de Heidelberger het geloof omschrijft, dan wordt gezegd dat het niet alleen is een zeker weten, een voor waar houden van wat God in Zijn Woord zegt — dat ook — maar het is ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is. Geloven in God gaat boven verstandelijk kennen, boven verstandelijk voor waar houden uit. Hij sprak en ik hoorde, ik hoorde en Hij sprak. Van Samuël lezen we, in een tijd, waarin er geen 'openbaar gezicht' was, waarin het Woord Gods schaars was, dat hij zegt: 'Spreek Heere, Uw knecht hoort'. Geloven in God heeft te maken met verborgen omgang, met vertrouwelijk wandelen in de vreze des Heeren, met een gespitst horen naar wat Hij in Zijn Woord zegt.


Wie vandaag belijdenis des geloofs aflegt, doet dat in een tijd, die wel wordt aangemerkt als een tijd van Godsverduistering. Dat heeft te maken met het eigenmachtige denken van de mens, dat zich geschoven heeft tussen God en de mens, zoals bij zonsverduistering de maan zich schuift tussen de zon en de aarde. Ook in onze tijd is het Woord Gods schaars, is er geen openbaar gezicht meer. God wordt niet meer gekend, geëerd en gediend in het openbare leven, in wetenschap en techniek, in de bedrijven en op de universiteiten, in de politiek en de handel.
Is het dan niet een te hoge greep om aan jonge mensen te vragen met hun ja-woord uit te spreken te geloven in God? Met minder kan de Heere God echter geen genoegen nemen. Mijn zoon. Mijn dochter, geef mij uw hart! Hij is het, die ons Zijn vriendschap biedt. Ook vandaag láát God Zich immers vinden. Maar wel door de weg van belijdenis van schuld heen. Geloofsbelij­denis heeft ook alles te maken met schuldbelijdenis. Als ik zweeg werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen de ganse dag, zegt Psalm 32. Maar als er de omslag komt, namelijk: 'ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen', dan komt ook verheugenis om de vergeving der zonden. En dan is er de jubel van de psalmist: 'hierom zal U iedere heilige aanbidden in vindenstijd'. God wordt gevonden, door hen die niet naar Hem vroegen. Ook in een tijd van Godsverduistering is er vindenstijd. Dan is er geen sprake meer van verberging van Gods Aangezicht. Maar dan is God juist een Verberging, een Burcht, een Toevlucht.

De Vader
Ik geloof in God, de Vader. Dat mag in onze tijd niet meer worden beleden. Daartegen loopt het feminisme te hoop, omdat het op die belijdenis stuk loopt. Dat riekt naar patriarchale tijden met machtsuitbuiting van vaders over hun vrouw en kinderen. Alsof belijdenis van het Vaderschap Gods in het verlengde zou liggen van ons menselijke bestaan, in het verlengde van het vaderschap onder de mensen. Verander dan het vaderbeeld door een moederbeeld en ook dan is er sprake van het aan de zonde onderworpen zijn van dit moederschap. Er zijn ontaarde vaders. Er zijn ook ontaarde moeders. Maar God is de Gans Andere. Gelijk zich een Vader ontfermt over de kinderen, zó ontfermt Zich de Heere over wie Hem vrezen.
Gods vaderschap is ontferming, liefde voor allen, die bij Hem behoren. O Vader, dat Uw liefde ons blijk, zingt de avondzang. En Christus legt het de Zijnen op de lippen: onze Vader, die in de hemelen zijt. Vertrouwelijker kan het niet. Het afleggen van openbare belijdenis des geloofs betekent dan ook, als het goed is, niets minder dan uitspreken te geloven in God als Vader. Ik geloof in God, de Vader. Juist ook met dat in de Vader geloven wordt de hoogste intimiteit aangegeven.
Geen vader sloeg met groter mededogen
op 't teder kroost ooit Zijn ontfermend ogen
dan Israëls Heer, op ieder die Hem vreest.

Als het God behaagt Zich als Vader te openbaren in Zijn Woord en als het Christus goed gedacht heeft ons de Vadernaam op de lippen te leggen in het allervolmaaktste gebed, dan schaden we het christelijk geloof wanneer we op die Vadernaam gaan afdingen.
Ik geloof in God: de Vader.

In Christus
'Ik geloof in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere'. Wij geloven in en belijden derhalve de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Hij is de Enige die, wat afkomst betreft. God Zijn Vader mag noemen. Stervend voor de Zijnen beval Hij Zijn geest dan ook aan in de handen van Zijn Vader. Maar zo maakte Hij het ook mogelijk dat zondaren, ellendigen, ballingen weer als verloren zonen thuis mochten komen bij de Vader. Anders gezegd: bastaarden mochten zonen worden, als kind worden geadopteerd.
Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, zegt Christus. Hij brengt de Zijnen, door Zijn zoenoffer op Golgotha, weer terug aan het Vaderhart van God. Alleen kinderen spreken de vadernaam uit tot diegene, die ze als vader kennen. Alleen kinderen mógen zo ook de Vadernaam uitspreken. Want Christus baande de weg tot het hart van de Vader voor de Zijnen, die dan ook in verwondering en met blijdschap leren zeggen: Abba, Vader.

Ik geloof in Christus. Ook hier is het woordje in van beslissende betekenis. Het gaat niet alleen om het geloof in het feit dat Jezus ooit geleefd heeft. Het gaat er ook niet alleen om te geloven wat Jezus gezegd en gedaan heeft. Nee, wie in Christus is, die is een nieuw schepsel. Geloven in Christus is schuilen bij Christus, schuilen achter het bloed, dat aan de deurpost van ons leven is aangebracht. Zonder bloedstorting is er geen vergeving. Maar vanwege de dood van Christus op het Kruis, is het handschrift, dat tegen ons was, zegt Paulus, uitgewist (Col. 2 : 15). Op het kruis zijn de machten onttroond, publiekelijk te schande gemaakt. En het open graf is er het goddelijk getuigenis van dat God genoegdoening heeft gevonden in het offer van de Zoon. Zodat schuldige mensen weer voor God kunnen bestaan. De machten zullen hen niet meer raken. Wie in de Zoon gelooft hééft het eeuwige leven (nú al) maar wie de Zoon ongehoorzaam is, de toorn Gods blijft op Hem tot in der eeuwigheid.

In de Heilige Geest
'Ik geloof in de Heilige Geest'. In dié Geest, die Heere is en levend maakt. Enerzijds is het de Heilige Geest Zelf, die geloof wekt en schept. Het is de Geest, die een mens wederbaart tot nieuw leven. Dat werk des Geestes staat — zo zeggen de Dordtse Leerregels — in kracht gelijk met de schepping of de opstanding uit de doden. Maar het openbaart zich in het leven van een mens, die de ondoorgrondelijke weg van de Geest vaak zelf niet bevatten kan, hierin dat we onze Zaligmaker liefhebben (D. L. III, 13).
Maar wie zo dóór de Geest tot geloof komt, weet ook wat het is om in de Heilige Geest te geloven. De Heilige Geest is samen met de Vader en de Zoon eeuwig God, belijdt de Heidelbergse Catechismus. De Heilige Geest is niet minder God dan de Vader en de Zoon. Als voor God, de Heilige, de Eeuwige geldt, dat Hij te vrezen is vanwege Zijn majesteit, dan geldt dat ook voor de Heilige Geest. Het is dan ook de Geest van uitbranding, van loutering, die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Maar — belijdt de catechismus verder —, hoewèl de Heilige Geest eeuwig God is. Hij is ook mij gegeven. Wéér dat hoogst persoonlijke: mij. Ik geloof in de Heilige Geest.
Het gaat om het inwendige, verborgen werk van de Heilige Geest. Juist de Heilige Geest is het, die ook in een tijd van Godsverduistering ons nochtans God nabij brengt en bij God brengt. Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, zegt Mozes in Gods Naam tot Israël. We behoeven niet de zee over te steken of tot in de hemel op te klimmen. Nabij u... Daarvoor zorgt de Heilige Geest, die de woorden Gods doet indalen in de harten van mensen en die doet ondervinden dat God hoort. Spreek Heere, Uw knecht hoort!
Nee, het christelijk geloof is niet een zaak van het verstand alleen. Het christelijk geloof is een zaak van verstand, hart, gemoed en kracht. De Heilige Geest zorgt ervoor, dat de liefde Gods wordt uitgestort in har­ten van mensen. En zo is de Heilige Geest Trooster, juist ook in diepten van het menselijke bestaan. Maar de Geest werkt altijd weer door mensen te brengen bij het ABC des geloofs, bij de woorden der Schrift. Want alleen door de Schriften spreekt de Geest en brengt Hij de woorden Gods bij mensen thuis in het hart.


Met het woordje in staat of valt het christelijk geloof. Neem dit simpele woordje weg en onze geloofsbelijdenis vervalt tot een formeel belijden van de waarheid. Maar de Heere vraagt méér. Hij vraagt ons hele hart.

De kerk
In het Apostolicum komt ook de kerk voor. 'Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk'. Hier ontbreekt het woordje 'in'. We gelóven de kerk, maar niet op de wijze zoals we in God geloven. Maar de kerk is wel de ruimte, waar de Heilige Geest werkt, tot geloof en bekering brengt. In het Apostolicum gaat de belijdenis aangaande de kerk dan ook aan de belijdenis van en het geloof in de vergeving der zonden vooraf. Het is in de kerk, dat de Heilige Geest, door de verkondiging van het Woord, nieuw leven wekt en de vergeving der zonden schenken wil. De kerk is daarvoor hulpmiddel. Binnen de kerk als moeder worden kinderen voortgebracht. Daarom kan men God niet als Vader hebben als men de kerk niet als moeder heeft. Belijdenis doen we dan ook in de kerk en belijdenis doen in de kerk houdt dan tevens in een betuiging van liefde voor en trouw aan de kerk, waarin het de Heere behaagt door Woord en Geest tot ons te komen.


Intussen belijden onze belijdenisgeschriften op hóge toon aangaande de kerk. De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt over een heilige vergadering van ware Christgelovigen, al hun heil en zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed en gereinigd en verzegeld met de Heilige Geest. En de Heidelberger zegt, dat de Heilige Geest Zich een gemeente, verkoren ten eeuwigen leven, vergadert uit het ganse menselijke geslacht.
Is die toon niet te hoog? Moeten we dan ook maar niet een toontje lager zingen als het gaat om belijdenis des geloofs? Als echter de belijdenis der kerk op die toonhoogte spreekt, dan moeten we de belijdenis van het geloof maar niet devalueren, niet afstemmen op een lagere toonhoogte dan de Heere Zelf het wil. 'Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus gegrepen ben.' Als er maar de spanning blijft van het noodzakelijke werk, het in-werk van de Heilige Geest. Want uiteindelijk belijdt de kerk des Heeren zèlf aangaande de kerk: 'dat ik — wéér dat hoogst persoonlijk ik — daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven'.

Belijdenis doen is uitspreken te geloven in God. Het is die God, die Zijn Naam over ons deed uitspreken, toen het doopwater werd gesprenkeld: ik doop u, in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Dat houdt een belofte in, de belofte van de Heilige Geest voor allen, die Hem in waarheid aanroepen.


We zeggen tegen de aantredende nieuwe lidmaten: welkom in de strijd. Maar de strijd is beslecht. De machten zijn onttroond. En de Geest zal wegen banen voor allen, die afhankelijk, ootmoedig en oprecht begeren hun treden in Gods spoor te zetten. Ook in een tijd, waarin er geen sprake meer is van een openbaar gezicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Bij de openbare geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's