Boekbespreking
Dr. B. van 't Veld, 'Gelijk het gras...', De menselijke vergankelijkheid in het Oude Testament, Serie exegetische studies deel 5, 107 blz., ƒ 18,90, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, Kampen, 1989
In 1985 promoveerde de schrijver op het onderwerp De klacht over de vergankelijkheid van het menselijk leven in het Oude Testament. Dit deel uit de serie Exegetische studies is van deze dissertatie niet alleen beknopte, voor een bredere lezerskring bedoelde versie, maar geeft daarop ook een welkome aanvulling. De eerste drie hoofdstukken handelen over het besef van de vergankelijkheid, de oorzaak van de vergankelijkheid en de vergankelijkheid in het gesprek met God. In het Oude Testament ligt de diepste oorzaak van de vergankelijkheid bij de mens en zijn zonde. In het Babylonische Gilgamesj-epos ligt dat totaal anders. Gilgamesj is op zoek naar het verjongingskruid. Na een lange zwerftocht vindt hij het. Maar al de inspanningen van deze held zijn tevergeefs geweest. Terwijl hij zich baadt in een bron, steelt een slang het kruid. Dit epos verwoordt de tragiek van het mensenleven. Sterven is ons lot. In de eveneens uit Babylonië afkomstige Adapa-mythe vinden we dezelfde gedachte. Adapa moet in de hemel voor de god Anu verschijnen. Een andere god, Ea, adviseert hem niet te eten van het 'brood van de dood' en het 'water van de dood' als hem dat wordt aangeboden. Anu presenteert hem echter het 'brood van het leven' en het 'water van het leven'. Adapa denkt dat Anu hem wil misleiden. Hij bedankt en dat wordt zijn dood. De dood is dus volgens deze mythe een tragisch misverstand.
De twee laatste hoofdstukken bespreken het leven onder de schaduw van de vergankelijkheid en het uitzicht over dood en graf heen. Dat uitzicht ligt verankert in de trouw van God. Het Oude Testament fundeert het geloof in het leven na dit leven niet anthropologisch maar theologisch (96).
De opvatting dat de dood in het Oude Testament een schepselmatig gegeven is, wordt niet door de schrijver gedeeld. Dat is positief te waarderen. De mens in zijn leven èn sterven staat altijd in relatie tot God.
Als de dood veroorzaakt wordt door de schuld van de mens, is het léven dat God dan schenken wil niet het bewijs van Zijn genáde? Ik vraag me af of dit laatste wel voldoende uit de verf gekomen is. Want de verwijzing naar Ps. 103 'Gelijk het gras...' kan en mag nooit worden losgemaakt uit het verband waarin het functioneert: Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vrezen. Evenals in zijn proefschrift (189) is de schrijver van mening dat Job 14 : 20 de enige plaats in het Oude Testament is waar negatief over God gesproken wordt, omdat Hij over de mens de dood beschikt heeft als een onafwendbaar lot: Gij overweldigt hem voor altijd en hij gaat heen, Gij verandert zijn gelaat en zendt hem weg (N.V.). Deze interpretatie lijkt mij onjuist. Job is in dit antwoord aan Zofar niet los van God, 12 : 1-14 : 22. Het is de enige keer in het poëtische gedeelte van dit bijbelboek dat Job de naam Heere noemt. God is en blijft voor hem de God van het verbond. Hoe dan ook.
M.A. Beek, Wegen en voetsporen van het Oude Testament, Bronnen van de Europese cultuur. Een reeks onder redactie van prof. dr. De Boer 2, 352 blz., geb. ƒ 55,—, zevende druk, Ambo, Baarn, 1989
Van 1946 tot 1975 was dr. M.A. Beek hoogleraar te Amsterdam voor de Oudtestamentische vakken. Hij was een meester in het vertellen. Daarom trokken zijn radiolezingen voor de VPRO over het Oude Testament de aandacht. Ze werden bewerkt tot een boek dat voor het eerst in 1953 verscheen en ook in het Engels, Duits en Zweeds werd vertaald. Waarom is dit klassieke werk zo populair geworden? Hij had gevoel voor het Oude Testament als verhaal en kon dat goed overbrengen. Daarbij beschikte hij over een grote kennis van de wereld van het oude Oosten en het vroege Jodendom. Dat maakt dit boek zo boeiend ook al is het geschreven vanuit een Schriftkritisch standpunt. Er zijn tal van verrassende aspecten die je een nieuwe kijk geven op de oude verhalen. B.v. over Abraham: 'Op hetzelfde ogenblik dat hij van Ur der Chaldeeën uittrok, scheen hij voor altijd uit het licht der geschiedenis te verdwijnen. De hechte fundamenten van de menselijke beschaving werden verlaten, om zich, naar onze berekening te verliezen in een steppe zonder grens of horizon. Maar wij, die vijfduizend jaar zó verkort kunnen overzien als gold het één enkele dag, weten dat rijke steden in puin vielen en beschavingen te gronde gingen' (36). Bij Izaks offer wordt een afbeelding uit de synagoge van Beth-Alfa ter sprake gebracht (42 v.). De koning van Babel denkt in geld, Daniël verkondigt hem in Gods naam het gericht (281).
De schrijver heeft in de loop der jaren ook wel eens zijn mening herzien. Wij lezen op blz. 340 dat het Hooglied niet in de Bijbel is opgenomen als een liefdeslied. De overlevering als Heilige Schrift is enkel en alleen te danken aan het allegorische karakter dat aan het Hooglied werd toegeschreven. In zijn commentaar, verschenen in de serie de Prediking van het Oude Testament (1984) schrijft hij: 'De aardse liefde wordt in het Hooglied als een groot geschenk van de Schepper beschreven, zonder in religieuze sfeer te worden gebracht. Alle nadruk valt op het menselijke van een kostbaar gegeven' (147).
Ondanks alle kritiek die men erop kan en moet hebben een boek van blijvende waarde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's