De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De aard van Christus' opstandingslichaam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De aard van Christus' opstandingslichaam

9 minuten leestijd

Aanleiding
De direkte aanleiding tot bezinning op de vraag naar de lichamelijke opstanding is gelegen in een geruchtmakend artikel dat zomer 1989 werd gepubliceerd in het blad In de Waagschaal en waarin de lichamelijke opstanding werd ontkend.
Uit verschillende hoeken van de kerk is hierop met verdriet en verontwaardiging gereageerd. Niet omdat men aan het wankelen werd gebracht inzake dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, maar omdat men hier een onschendbaar geheimenis geschonden wist.
Nu kan het er niet om gaan te verdedigen dat de aard van Christus' opstandingslichaam dezelfde zou zijn als van ónze sterfelijke lichamelijkheid. Immers dat de hoedanigheid van Christus' opstandingslichaam een geheel andere is dan die wij van ónze huidige lichamelijkheid, is uit het apostolische Woord onmiskenbaar duidelijk: de Zijne is aan dood en graf voorbij, de onze aan dood en verderf onderhevig. Christus' opwekking is dan ook niet van hetzelfde gehalte als die van bijvoorbeeld Lazarus. Deze werd uit de dood teruggeroepen in het leven dat een gestadige dood is. Lázarus is later weer gestorven. Christus stond op aan de overzijde van de dood, in dat leven dat bestendig onsterfelijk is en waaruit dood en verderf voor eeuwig zijn weggebroken. Wie op het absoluut nieuwe, andersoortige karakter van Christus' opstandingslichaam attendeert, heeft niet alleen het volste recht van spreken, maar belijdt daarmee een kostbare en troostrijke waarheid: Christus' lichaam — alsook stràks het onze, in Christusgelijkvormigheid! — is aan iedere vergankelijkheid ontheven! Het is goed om zich op dit aangelegen aspect van ons christelijk geloofsgoed te bezinnen. Ik wil daaraan een bescheiden bijdrage proberen te leveren.

Twee lijnen
Genoemde bezinning stelt ons voor een niet geringe kwestie. Ik bedoel het feit dat het Nieuwe Testament enerzijds duidelijk gewag maakt van de lichamelijkheid van de opgestane Christus, en dat het anderzijds even onmiskenbaar laat zien dat deze lichamelijkheid een eigensoortige is, zonder analogie in onze aardse werkelijkheid. Christus' opstanding is vooralsnog volstrekt uniek. Maar niet omdat zij ònlichamelijk zou zijn. Op diverse momenten blijkt dat de Opgestane geen lichaamloze geestverschijning is, en komt Zijn lichamelijkheid nadrukkelijk op ons toe: Hij toont de littekenen van Zijn wonden, laat Zich aanraken, eet en drinkt. Hij is Dezelfde als de Gekruisigde. Anderzijds is het evident dat Hij niet 'hetzelfde' is als voorheen en dat Zijn lichamelijkheid van een andere kwaliteit is dan de onze. H. Bavinck tekent bij dit laatste aan: 'Hij verschijnt en verdwijnt op een geheimzinnige wijze..., in een andere gedaante. Zijn lichaam is veranderd in een Geestelijk lichaam'. De Opgestane is anders dan vóór Zijn verrijzenis, maar toch niet een Ander!
Wat betekent deze tweeledige manier van spreken? Er is gezegd dat 'maar één conclusie mogelijk is: dat er met name in de Evangeliën sprake is van een dubbel getuigenis: lichamelijk en niet-lichamelijk'. Een conclusie uit het ongerijmde! Het onthutsende is hierbij dat de eigensoortigheid van Christus' lichaam zonder meer wordt 'uitgelegd' als niet-lichamelijkheid. Er is niets in de evangelieteksten dat ook maar zweemt naar deze constructie. Naast de berichten over Christus' lichamelijkheid staan nèrgens berichten van Zijn niet-lichamelijkheid, maar wel berichten over Zijn nieuwe lichamelijkheid.
Ook in 1 Kor. 15 komt deze tweeledigheid naar voren. Enerzijds accentueert Paulus — met name in het tweede gedeelte — het voluit nieuwe en veranderde van het opstandingslichaam, anderzijds geeft hij het pertinent niet op om van 'lichaam' te spreken. En wanneer nu het Evangelie en de brieven onomstotelijk van 'lichaam' getuigen, wie of wat geeft ons dan het recht om de van de Geest doorwaaide ooggetuigen te corrigeren?

Pneumatisch lichaam
Paulus kent klaarblijkelijk twee soorten lichamelijkheid. De ene soort noemt hij psychisch (natuurlijk), de andere duidt hij aan met pneumatisch (Geestelijk). Alleen van de éérste bestaanswijze kunnen wij ons een concrete voorstelling maken. Het betreft een lichaam zoals het onze: met al de creatuurlijke beperktheden van dien. Het is gebrekkig, vergankelijk, aan slijtage, ziekte en dood onderworpen. De tweede is voor ons onvoorstelbaar nieuw. Het betreft een verheerlijkt, onsterfelijk en onverderfelijk lichaam. Het is pneumatisch, d.w.z. door de Heilige Geest doortrokken en beheerst. Wij zien en begrijpen daarvan nog niets. Wij hopen erop, en geloven dat de Opgestane een levendmakende Geest is geworden, en dat wij naar het beeld van Zijn verheerlijkt lichaam herschapen zullen worden.
Voor Paulus vormen lichamelijkheid en Geestelijkheid dus geen tegenstellingen die elkaar uitsluiten, maar twee facetten van de ene existentie die elkaar insluiten. Naar deze geestelijke lichamelijkheid gaat het heen, en Christus, de Eersteling, staat er garant voor. God zal dan zijn alles in allen. En heel ons bestaan zal gezuiverd en doorzinderd zijn door de Geest, Die de Vader en de Zoon verheerlijkt. Onze Geestelijk-lichamelijke heerlijkheid zal er geheel op gebouwd' zijn, de drievuldige God te verheerlijken! Dat vlees en bloed het Koninkrijk niet kunnen beërven, betekent niet dat dit Rijk bevolkt zal zijn met lichaamloze schimmen, maar dat het vlees en bloed van onze huidige sterfelijke en zondige bestaanswijze op onbevattelijke wijze zal veranderd worden in gereinigde, verzoende onvergankelijkheid, herschapen naar het beeld van de Hemelse. (1 Kor. 15 : 48 v.v.)

Onvoorstelbaar
Dat deze nieuwe kwaliteit van het opstandingslichaam onvoorstelbaar is, zal waar zijn. Zij is dat overigens niet alleen voor de moderne, geseculariseerde mens. Zij was dat ook voor de joodse en de antieke mens. Maar kan het er in de evangelieverkondiging en in de geloofsleer ooit om gaan, de dingen die in geen mensenhart zijn opgekomen, enigermate aannemelijk voor het denken te maken? Natuurlijk is het verboden om de aansluiting met de eigen tijd te blokkeren door hinderlijke denkpatronen en spreekmanieren die op louter menselijke traditie of eigenzinnigheid berusten. Maar evenzeer is het verboden om de ergernis die aan het Evangelie zelf ontspringt te versluieren. Wie daaraan begint, bereikt het omgekeerde van wat hij beoogt. Uiteindelijk zal er van geen enkele communicatie meer sprake zijn, om de eenvoudige reden dat de boodschap is gereduceerd tot wat de (moderne) mens ook zelf allang had gedacht! Wie het Evangelie zo 'verhumaniseert', vergrendelt het boodschapkarakter ervan en stuurt de mensen met een kluitje in het riet. Veelzeggend zijn de woorden van J. Koopmans: 'Wanneer men de aanstotelijkheden uit de Bijbel wil wegnemen om de moderne mens niet in zijn intellectuele gevoelens te kwetsen, dan zal men niet zo heel veel overhouden, en dat weinige zal niet de prediking zijn die uit de Schrift tot ons komt'. En elders: 'Ik geloof evenwel dat er genoeg Heilige Geest aan dit Boek verbonden is, om het er maar op te wagen, het te geven aan wie wil leren geloven'. H. Berkhof zegt in dit verband: 'Altijd als wij de opstanding trachten te verklaren uit en in te lijven in het algemeen-erkende bestaan van onze voorspelbare en voorstelbare wetmatigheden, proberen we het onmogelijke. Paulus zag het al: dan wordt de hoeksteen weggetrokken, dan hebben we geen notie meer van wie God is en wat Hij beoogt, dan blijven we ronddraaien in een bestaan zonder uitzicht'.
In dezelfde geest schrijft J.F. Versteeg, dat de opstanding van Christus niet is in te passen in onze werkelijkheidsontwerpen. Zij is een werkelijkheid van een geheel eigen karakter, zij is een realiteit in onze wereld, maar niet van onze wereld. 'Daarom zal de verkondiging van Christus' opstanding steeds weer met iedere menselijke werkelijkheidsopvatting in botsing moeten komen. De verkondiging van die opstanding betekent immers altijd kritiek op en diskwalificatie van onze verouderde bestaansontwerpen'.

Onopgeefbaar
Om verschillende redenen is Christus' lichamelijke opstanding voor ons onopgeefbaar. De eerste is deze. Wie de opstanding vergeestelijkt tot een onlichamelijk gebeuren, wekt op zijn minst de suggestie dat er geen 'objectief, buiten ons voltrokken werkelijkheid aan beantwoordt, maar dat de 'opstanding' heeft plaatsgevonden louter in de ervaring van de discipelen. Zij was projectie, religieuze wensdroom. Vrome verbeelding, maar verbéélding. 'Waar voor het "extra nos" (buiten ons) in de opstanding van Christus geen plaats is, wordt de verlossing langs de omweg van het geloof (de subjectieve ervaring) tot een vorm van zelfverlossing' (J.F. Versteeg). De lichamelijke opstanding van Christus is een heilsfeit in de historie geschied. Dat dit feit niet vanuit historische analogieën is te verklaren, doet daar niets van af. En dat niet de historische wetenschap, maar alleen het geloof er toegang toe heeft, evenmin. Wij geloven de opstandingsberichten niet omdat historici ze geloofwaardig achten, en óók niet omdat wij daarin het indrukwekkende verslag van menselijke ervaringen ontmoeten, maar omdat wij er het getuigenis in vernemen van de Geest, Die ons het leven buiten onszelf leert zoeken in Christus en in wat Hij werkelijk heeft volbracht. Christus' opstanding berust niet op menselijke ervaring, maar onze ervaring berust op Zijn opstanding.
De tweede reden is deze. In de ontkenning van Jezus' lichamelijke opstanding vermoeden wij een onderwaardering van Zijn waarachtige menselijkheid. Zo waar God de Zoon in Zijn totale menselijkheid aan het kruis voor ons stierf, zo waar is Hij als Dezelfde opgestaan uit de doden, in een nieuwe, aan de dood ontheven lichamelijkheid.
Hiermee samen hangt de derde reden. Aan Christus' lichamelijke opstanding is de onze per belofte vastgehecht. In de herschepping geeft God onze lichamelijkheid niet prijs, maar verheerlijkt Hij haar. Wat de Geest ons biedt aan hoop, is niet de verwachting van een verspiritualiseerd schimmenrijk, maar van een Koninkrijk waarin wij als complete schepselen in een nieuwe, van de Heilige Geest doorademde lichamelijkheid de Heere zullen toebehoren en lof toe brengen.
Tenslotte, waarom wij zo hechten aan Christus' lichamelijke opstanding heeft alles te maken met onze gehechtheid aan de woorden van de Schrift. In die woorden horen wij het betrouwbare bericht van Gods wondere heilsdaden. Het is in dit Evangeliewoord dat de Geest met onze geest getuigt dat wat Christus eens en voorgoed tot stand bracht, ons ten goede is geschied. Het is het woord van de Geest dat ons niet alleen betuigt dàt, maar ook hóe onze Borg is opgestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De aard van Christus' opstandingslichaam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's