De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zijn getuigenis is waarachtig

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zijn getuigenis is waarachtig

14 minuten leestijd

Joh. 21 : 24

Waar en waarachtig!
De waarheid en waarachtigheid van de opstanding van Christus wordt in onze tijd opnieuw aangevochten of is althans in discussie gekomen. Ik neem aan, dat het voor de lezer niet nodig is om hierover nader tekst en uitleg te geven. De opschudding in de kerk en de gemeente, die de uitlatingen van prof F.O. van Gennep over de lichamelijke opstanding van Christus hebben veroorzaakt, heeft zo om zich heen gegrepen, dat ieder meelevend en meedenkend gemeentelid daarvan kennis genomen heeft. Het is vooral ook dit gebeuren geweest, dat aanleiding heeft gegeven om de reeks artikelen in dit Paasnummer van De Waarheidsvriend te beginnen met de 'waarachtigheid' van het bijbels getuigenis, en die vooral dan toegespitst op het bijbels getuigenis aangaande de opstanding van Christus.
Wanneer wij met het oog daarop boven dit artikel het Schriftwoord uit Joh. 21 : 24 hebben geplaatst, dan blijkt, dat ook de Schrift zelf ons al in deze richting wijst. Al is het zo, dat dit Bijbelwoord in eerste instantie slaat op alles, wat Johannes in zijn evangelie heeft doorgegeven, het is toch opmerkelijk, dat het direct aansluit op wat door hem geschreven is over Jezus' opstanding en de verschijningen, die daarop volgden. De vraag naar de waarheid en de waarachtigheid daarvan is kennelijk van meet af aan gesteld. Omdat de opstanding van Christus van meet af aan in twijfel is getrokken, zelfs openlijk is ontkend en ook bij Jezus' eigen volgelingen op soms hardnekkig ongeloof is gestuit. En blijkbaar hebben deze twijfel en dit ongeloof direct te maken gehad met wat de evangelieschrijvers en apostelen over Jezus' opstanding hebben doorgegeven. Is dat waarheid of is het iets anders: erbeelding, een wensdroom of zelfs bewust bedrog? Opmerkelijk is, dat de Statenvertaling Joh. 21 : 24 als volgt weergeeft: '... en wij weten, dat zijn getuigenis waar is'. Het Griekse grondwoord geeft de mogelijkheid van beide vertalingen. Ik wijs hier even nadrukkelijk op, omdat tegenwoordig onder theologen de wijsheid opgeld doet: het is wel waar, maar het is niet echt gebeurd. Zo kan ook van de opstanding van Christus gezegd worden: ze is wel waarachtig, maar ze is niet waar (gebeurd). De constructie lijkt op het eerste gezicht aardig gevonden en wil kritische christenen een houvast geven, als het gaat om hun geloof in de heilsfeiten. Maar toch blijkt het niet meer te zijn dan een constructie, die in de Schrift zelf geen grond vindt. Juist niet. Want waarheid en waarachtigheid vormen daarin een eenheid. Als de schrijver van Joh. 21 : 24 van Johannes (of van zichzelf als Johannes dit zelf geschreven heeft) getuigt, dat zijn getuigenis waarachtig is, dan houdt dat niet alleen in, dat Johannes met volle overtuiging zijn evangelie geschreven heeft, maar dan houdt dit tegelijk in, dat datgene, wat hij geschreven heeft de volle waarheid is. Waarachtigheid, waarheid en werkelijkheid vormen een eenheid in de Schrift. En in die volle zin geldt het ook, dat de Heere waarlijk is opgestaan!

Verkondiging en bezinning
Als we hier dieper op in zouden gaan, brengt ons dat tot allerlei vragen, die te maken hebben met de historiciteit en de betrouwbaarheid van de Schrift. Daarop willen wij nu niet verder ingaan, omdat we ons nu vooral willen richten op de waarheid en waarachtigheid van de opstanding van Christus, en van daaruit de vragen, die zich hierbij voordoen, belichten. We zouden dit kunnen doen op de wijze van een directe verkondiging, van het getuigenis. Zo wordt het doorgaans gedaan in de prediking. Met name op de Paasmorgen. Dan discussiëren we niet en reflecteren niet, maar dan mogen wij verkondigen: De Heere is waarlijk opgestaan!
Het is nodig en goed, ja heerlijk om dit te doen. Maar op deze getuigende verkondiging moet toch ook een reflecterende verkondiging volgen. Er blijken immers zoveel vragen te stellen. Het geloof in Christus' opstanding spreekt niet vanzelf. Dat heeft het nooit gedaan. Dat doet het nu ook niet. Die realiteit moeten we onder ogen zien. Daarom volgt op het getuigenis de reflectie, op het uur van de directe verkondiging volgt een vragenuur. Met name voor diegenen, die het er blijkbaar toch moeilijk mee hebben om het te geloven. Zulken zijn er genoeg in ons eigen midden, steeds meerderen zelfs. En buiten de muren zijn het tallozen, die 'ermee zitten', zij het dan vaak in afwijzende zin.
Daarmee is het recht en de noodzaak van de theologische bezinning gegeven. In dat licht gezien, is er zelfs reden om te stellen, dat de bovengenoemde 'opschudding' niet alleen negatieve kanten heeft, maar ook haar positieve kanten. De gemeente wordt er op zijn minst door 'opgeschud' uit de dommel van de gelovige vanzelfsprekendheid. We zouden immers bijna vergeten, dat wij in het geloof in Christus' opstanding geloven in het volslagen onmogelijke van mensenkant, in het absolute wonder van Gods daden. Daarbij worden we op deze wijze opnieuw bepaald. Ook in deze zin, dat we erover na-denken, de vragen eromheen op ons laten afkomen en deze wegen en over-wegen.
Dit laatste is overigens ook een voluit bijbels gegeven. We denken dan vooral aan wat Paulus schrijft in 1 Cor. 15, met name in het laatste deel, waarin hij uitvoerig 'reflecteert' over hoe het opstandingslichaam eruit gaat zien. Hij zet dan een hele rede­natie op. Een gelovige redenatie. Maar die wel bij alle blijvend geheimenis toch zeer verhelderend werkt, zodat de gelovigen in Corinthe en ook van vandaag reageren met: oh zit het zo? Dat is dan toch wel geweldig! De reflectie brengt tot verbazing en aanbidding. Ja, dat is de eigenlijke zin van theologie-bedrijven, Godskennis meedelen, die tot verwondering leidt.

De afwijzing van het oude en nieuwe modernisme
Als we nu in de veelheid van vragen hier slechts een enkel aspect nader willen belichten, houd ik me zo dicht mogelijk bij de vragen rondom de waarachtigheid van het apostolisch getuigenis aangaande de opstanding. Dat ik ook hier spreek van 'vragen', is juist in de discussie van de afgelopen maanden duidelijk naar voren gekomen. Daarin ging het met name om de vraag, welk waarheidsgehalte wij aan dit apostolisch getuigenis kunnen toekennen. We merken dan in de eerste plaats op, dat de vragen hieromtrent steeds genuanceerder en daardoor lastiger worden. We kunnen ons namelijk herinneren uit de vorige eeuw, toen het modernisme nogal radicaal de opstanding van Jezus loochende, dat men ronduit zei: het staat wel in de Bijbel, maar we geloven niet dat het waar is. De moderne theoloog bepaalde zelf wat waar en niet waar was en kon zijn. En natuurlijk hoorde bij dat niet-waar-kunnen-zijn ook de opstanding van Christus.
Deze harde taal wordt tegenwoordig niet zo vaak meer gehoord. Hoewel ze nog niet geheel is uitgestorven. Zo trof mij in het boekje Waarlijk opgestaan!. Een discussie over de opstanding van Jezus Christus, het verhaal van de Leidse (vrijzinnige) Nieuw-testamenticus H.J. de Jonge. Hij stelt daarin gelijk al aan het begin, dat wat als uniek in de geschiedenis zich aan ons voordoet, historisch nooit waar kan zijn. Want in de historische wetenschap geldt als onverbrekelijke wet dat gebeurtenissen altijd analogieën en parallellen moeten hebben in de geschiedenis. Tegelijk voegt hij eraan toe, dat iets dan alleen als histonsch echt gebeurd beschouwd kan worden, wanneer het uit historische oorzaken kan worden verklaard. Nooit gebeurt er iets zomaar, het moet altijd verklaard (kunnen) worden. Prof. De Jonge past dit ook toe op de opstanding van Christus. Deze wordt in de Bijbel gepresenteerd als een volstrekt unieke gebeurtenis, die toch echt waar is, echt gebeurd is. Welnu, de conclusie ligt dan a priori vast. Dit kan niet worden aanvaard door de mens van vandaag, die z.g. exact historisch denkt. Natuurlijk ligt dan de volgende vraag voor de hand: hoe komt het dan dat er toch in de Bijbel allerlei gegevens worden aangereikt, die de waarheid van Christus' opstanding willen aangeven en in zekere zin willen 'bewijzen'? Het antwoord van De Jonge is dan: dat zijn allemaal gegevens, die later door de gelovige christelijke gemeente zijn toegevoegd om hun eigen geloof te bevestigen. Maar al die toevoegingen zijn niet op historische feiten gegrond, maar komen voort uit een subjectieve behoefte aan geloofwaardigheid van eigen opstandingsgeloof.
Ik zei al: dit herinnert nog sterk aan het oude vrijzinnige denken. Het wordt wel aangediend als 'resultaten' van het moderne Schriftonderzoek, maar er ligt in feite al een behoorlijke laag stof overheen. Het komt dan ook niet zo overtuigend over, ook niet voor de moderne mens. Vooral als we merken, dat De Jonge toch wel een 'boodschap' in de opstandingsverhalen wil blijven zien en dan komt tot uitspraken, zoals b.v. de doorbraak van Gods bevrijdende heerschappij in Christus in de geschiedenis. Die 'boodschap' komt echter de huidige mens minstens even ongeloofwaardig en onwaarschijnlijk voor. Terwijl het dan wel heel merkwaardig aandoet als deze wetenschappelijk historisch denkende theoloog op dat moment zegt: ja maar dit gaat ons verstand te boven. Dit blijkbaar dus wel zonder bezwaar aanvaard. Waarom dan niet aanvaard als het gaat om de waarheid van de lichamelijke opstanding van Jezus zelf? Zo praat op een gegeven moment ook de moderne theoloog zich vast!
Toch is het niet deze benadering, die momenteel op de voorgrond treedt bij de vragen rondom de waarheid van het bijbels getuigenis aangaande Christus opstanding. Naast en na deze 'vrijzinnige' benadering treffen wij tegenwoordig een 'orthodoxe' verwerking van het bijbels Paasgetuigenis aan. Ik spreek hier over een 'orthodoxe' benadering tussen aanhalingstekens. Daarmee wil ik aangeven, dat de theologen die op deze manier denken zelf uitdrukkelijk zich distantiëren van bovengenoemd vrijzinnig denken en zich willen scharen aan de kant van de orthodoxie. Tegelijk echter vindt er ook een andere distantie plaats. Zij is gericht tegen wat wij zelf geneigd zijn te noemen de echte orthodoxie, maar die zij meestal aanduiden met fundamentalisme of biblicisme. Er wordt in ieder geval mee bedoeld, dat in deze orthodoxie in laatste zin de Schrift integraal wordt verstaan als onfeilbaar goddelijk getuigenis, dat we geheel en al voor waarheid aanvaarden en in het verlengde daarvan is er ook sprake van een integrale aanvaarding van de leer van de kerk der eeuwen, o.a. als het gaat over de waarheid van de lichamelijke opstanding van Christus en de opstanding van het vlees op de jongste dag.
Zoals ik zei, deze laatste vorm van orthodoxie wordt door genoemde theologen niet alleen niet aanvaard, maar ook scherp afgewezen. Het is mij bij het lezen van het bekende boek van Prof. Van Gennep De terugkeer van de verloren Vader opgevallen, dat de schrijver een enorme ruimte biedt voor allerlei vormen van christelijk geloof en zelfs van nietchristelijk geloof, maar als hij het gaat hebben over de bovengenoemde, door hem ook als fundamentalisme aangeduide, orthodoxie, wordt hij uiterst scherp en negatief. Hij trekt dan parallellen met het islamitische fundamentalisme in Iran en gooit haar daarmee op één hoop. Heel opmerkelijk is dit, en eigenlijk voor mijn gevoel niet alleen heel verdrietig maar ook heel erg on-terecht en onbillijk. Maar Van Gennep was daarin niet een eenling. Het is intussen mode geworden in de theologie om op de zogenaamde fundamentalisten op zulke wijze af te geven. Ik voel mezelf daarin ook soms diep geraakt. Maar kennelijk moeten wij onder dit juk doorgaan. Nochtans houden wij ons daarin staande, omdat we geloven, dat dit niets met fanatisme te maken heeft, maar wel met het geloof in de waarheid en waarachtigheid van Gods eigen Woord.

Een nieuwe 'orthodoxe' benadering
Maar nu weer de vraag, hoe dan in dit nieuwere 'orthodoxe' denken over de waarheid van Christus' opstanding wordt gesproken. Het blijkt dan, dat men niet zegt: het staat er wel, maar wij aanvaarden het niet, omdat het naar ons rationeel begrip niet waar kan zijn. Daartegenover wil men het wel aanvaarden, wat de Schrift ons over de opstanding van Christus meedeelt, maar men gaat dan meer in de richting van: het is wel waar, maar het is niet echt gebeurd. Die onderscheiding wordt vooral toegepast op de lichamelijkheid van de opstanding van Christus. Het is wel waar, dat Christus is opgestaan, dat Hij leeft, dat Hij zijn koningschap laat gelden en zal laten gelden. Daarom onderschrijft men voluit de Paasgroet: De Heere is waarlijk opgestaan! Maar dat sluit niet in, dat er een werkelijke opstanding van het lichaam van Jezus uit het graf heeft plaatsgevonden, waardoor er uitdrukkelijk sprake is van 'het lege graf' en de lichamelijke betasting van Jezus als een aansporing en aanleiding om in de waarheid van Zijn opstanding te gaan geloven.
Natuurlijk komt dan opnieuw de vraag aan de orde hoe al die schriftwoorden, die daarop slaan, moeten worden gezien. Als antwoord daarop gaat men dan onderscheid maken tussen vorm en inhoud van het opstandingsgeloof. De inhoud is: Jezus is waarlijk opgestaan. Hij leeft! De vorm, waarin dit geloof zich uit is die van de opstanding van het lichaam van Jezus uit het graf. Van deze vorm meent men, dat zij niet is ontleend aan wat werkelijk is gebeurd, maar aan de cultuurwereld, waarin men leefde. Men kon bepaalde bijzondere gebeurtenissen nu eenmaal alleen dan zich eigen maken, wanneer men ze inpaste in een beeldvorming, die aan de toenmalige, joods-apocalyptische cultuur gebonden was. In dat denkkader kon men alleen in de opstanding geloven, als men daaraan een lichamelijke opstanding verbond. Dat er ook een opstanding zou kunnen zijn, waarin er wel een voortleven van de persoon is, zonder dat er sprake is van een lichamelijk verrijzen uit het graf, dat was voor hen een onmogelijkheid.
Maar wat voor hen onmogelijk was, is wel mogelijk voor ons. Wij denken niet meer zo primitief lichamelijk-gebonden, zodat we, als we in Christus' opstanding geloven, ook per se in de opstanding van zijn lichaam moeten geloven. Wij kunnen geloven in een levende Heere, zonder te geloven in zijn lichamelijke opstanding uit het graf.

Blijvende inhoud in tijdgebonden vorm: een bijbels onaanvaardbaar dilemma
Nu is het vooral deze benadering, die in onze tijd de discussie rondom de waarheid van Christus' lichamelijke opstanding beheerst. De vraag, die zich aan ons opdringt is, of deze vorm van opstandingsgeloof voor ons inderdaad aannemelijker is dan de boven geschetste vrijzinnige of dat ze toch evenzeer door ons moet worden afgewezen. Het antwoord zal voor de meesten van u niet zo moeilijk zijn, denk ik. Ook deze 'orthodoxe' benadering zal worden afgewezen. En dat lijkt me terecht. Alleen blijft dan nog wel de vraag over, op welke gronden wij dit doen. Er zouden dan binnen de bijbels-theologische bezinning heel wat antwoorden kunnen worden gegeven, die aantonen, dat deze onderscheiding tussen blijvend geldende inhoud (Jezus leeft!) en tijdgebonden vorm (lichamelijke opstanding uit het graf) nogal willekeurig en zeer betrekkelijk is. Maar het laatste antwoord zal dan toch zijn en blijven, dat we naspreken wat Joh. 21 : 24 ons voor-zegt: '... en wij weten, dat zijn getuigenis waar(achtig) is'.
En dan blijkt dat dit getuigenis zelf bovengenoemde onderscheiding tussen inhoud en vormgeving niet maakt. Integendeel. Juist de waarheid van de zogenaamde vormgeving is geheel en al betrokken op de inhoud van Christus' opstanding zelf. Zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ja zij vormen een volstrekte eenheid. En als zo de Schrift zelf geen enkele aanleiding tot genoemde onderscheiding geeft, beseffen wij, dat zij kennelijk een uitvinding van de (moderne) mens van nu is, die aan de Schrift wordt opgedrongen, en haar gaat overheersen. Daar­ mee raken wij de kern van ons Schriftgeloof en gelijk van ons Paasgeloof. Wij geloven in de waarheid van Jezus' opstanding, ook van zijn lichaam. Niet omdat wij dit zelf mogelijk achten, ook niet omdat wij in ons geloof dit relevant achten en nodig hebben om te kunnen (blijven) geloven in Christus, maar ten principale alleen omdat Gods Woord ons dit zegt en wij geloven, dat dit Woord waar(achtig) is. Dat is de basis, ook van ons geloof in Christus' opstanding. En vanuit deze basis zal blijken, hoe zinvol, hoe hoopvol en hoe vreugdevol dit geloof is. Juist ook als het gaat om het voluit lichamelijke karakter van Christus' opstanding. Maar daarover zullen de volgende bijdragen ons meer vertellen. Als ik dit laatste samenvat, kan ik dit niet beter doen dan met de woorden van onze Heidelberger Catechismus, die o.a. antwoordt op de vraag naar de betekenis van Christus' opstanding: De opstanding van Christus is een zeker pand van onze zalige opstanding (vr. en antw. 45). En wat houdt die zalige opstanding dan in? Dat leert ons de Catechismus evenzeer in vr. en antw. 57, waar geantwoord wordt op de vraag naar de troost van 'de opstanding des vleses'. Het antwoord luidt: 'Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden. Dit mijn vlees gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van Christus! Daar gaat het dus om, als wij geloven, dat Christus waarlijk is opgestaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Zijn getuigenis is waarachtig

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1990

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's