Jeremia (4)
Zijn persoon en zijn tijd
Wanneer vijanden hem naar het leven staan, horen wij Jeremia in 18 : 20 zeggen: 'Gedenk Heere, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb om goed voor hen te spreken om Uw grimmigheid van hen af te wenden'. Maar wat ons eigenlijk verbijstert en uiterst vreemd voorkomt, is dat menig keer dat pleiten van de profeet door de Heere is afgewezen. Zeker driemaal in vrijwel gelijkluidende bewoordingen: Gij dan, bid niet voor dit volk en hef geen geschrei noch gebed voor hen op en loop Mij niet aan, want Ik zal u niet horen... of: Ik zal niet horen ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen' (7 : 16, 11 : 14). Wie kan dàt bevatten? Schreien, zuchten, pleiten, worstelen en dan teruggewezen worden. Wat moet deze man aan zijn dienst nameloos geleden hebben. Móeten spreken en niet mogen bidden... En dan toch je volk nog liefhebben. Ook al word je constant verkeerd beoordeeld en begrijpen de mensen niets van de strijd die het je kost om het Godswoord te spreken tégen het volk. Tegen mensen die er niets van begrepen hoezeer hij zich inspande om die vreselijke oordeelsverkondiging binnen te houden, maar haar toch móest uitspreken. 'Daarom ben ik vol van des Heeren grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden' (6 : 11). In de ogen van zijn volk was hij niets dan een ongeluksprofeet, een aartspessimist, iemand die men schuwt als de pest. Het saldo van dat alles was voor Jeremia een eenzaam leven en in vrolijk gezelschap waarnaar ook zijn hart wel eens verlangde, werd hij nooit geduld. 'Ik ben niet van vreugde op gesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld' (15 : 17).
Dieptepunten
Is het een wonder dat deze man Gods tijden heeft gekend van afgrondelijke inzinkingen en vertwijfelingen? Kennelijk behoedt zelfs de wetenschap van Godswege verkoren te zijn tot het ambt, zelfs van de baarmoeder af geheiligd te zijn en zo kennelijk in de profetie gesteld te zijn, deze dienstknecht niet voor het wankelen van zijn voeten (vgl. Psalm 73), de meest ondraaglijke angst en desillusie. Dan kon ook Jeremia ontzettend opbruisen, dan schuimden de wateren van zijn ziel, dan ontvlamde hij in bliksemende toorn. Dan bad hij zelfs om de komst van Gods gericht over zijn tegenstanders die hun dodelijke haat niet verborgen hielden. Hoor maar hoe de orkaan raast: Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken: waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen die trouweloos trouweloosheid bedrijven... maar... Gij, o Heere, kent mij. Gij ziet mij en proeft mijn hart dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting en heilig ze tot de dag der doding' (12 : 1, 3). En later weer zakt heel dat protest ineen, dan zinkt zijn ziel weg in een wanhopige vertwijfeling, dan klaagt hij dat God hem heeft verlaten, dat Hij Zijn toezegging niet gestand heeft gedaan. Dat God Zich hem betoond heeft als een uitdrogende beek, die in tijd van nood geen water bevat (15 : 18).
Totdat een absoluut dieptepunt zich aandient als hij door Pashur, de priestervoorganger in het Huis des Heeren (...) geslagen en in de gevangenis gegooid is en die woorden, vol van innerlijke spanning en tegenspraak, tot ons overkomen uit Jeremia 20, waar de profeet van de top in de diepte tuimelt: Vervloekt zij de dag op welke ik geboren ben; de dag, op welke mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend. Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks (20 : 14, 15).
Wat anders te doen dan dit stil te lezen en te horen? Is er iemand in wiens ziel een snaar meetrilt? Nee, niemand van ons staat op een post en in een tijdsgewricht (al weten wij dat nooit met volle zekerheid) als Jeremia destijds. Dat te beseffen beware ons voor een al te vlotte vergelijking van onszelf en onze dienst met Jeremia en zijn profetische arbeid. Maar flarden van deze zuchten en druppels van deze tranen trekken en vloeien soms ook door ons leven heen. Wij zijn er nog niet wanneer wij weten geroepen te zijn. Het is Gods souvereinde wijsheid ons dáár te plaatsen en ons dié levensgang te doen gaan, die Hij voor ons heeft uitgekozen. In de tegenvrinden, die opsteken, moeten wij onszelf niet te snel een martelaarsaureool aanmeten of láten aanmeten. Dan moeten wij op zijn minst bedenken hoe ver wij bij deze gestalte van de oude dag ten achter staan...
Deserteren?
Anderzijds, het is, haast van nature, met het Woord en de verkondiging daarvan gegeven: de strijd, het conflict. Zeker, wij kunnen daarbij denken aan de strijd, die een getrouwe bediening van het Woord ontketent in hen, die Het horen. Als er nooit sprake is van spanningen tengevolge van de prediking, kan het tijd worden om onze eigen Woordbediening eens kritisch onder de loep te nemen. Als Gods Woord nooit prikkelt tot verzet, nooit vijandschap oproept, valt te vrezen dat wij een spannings- en risicoloos Evangelie aan de man brengen. Maar ik doel bij strijd en conflict vooral op zulke zaken in ons eigen binnenste. Een dienaar van het Woord strijdt niet in de laatste plaats een strijd met zichzelf en in zichzelf. En inzet in deze strijd is altijd weer of wij onszelf, zonder bedenken en gans en al voor het Woord en de God van het Woord over hebben. Wat dat betreft kan het er soms lijfelijk om spannen en, niet te vergeten, psychisch. Om in onze bediening altijd eerlijk te zijn, recht en zonder bijbedoelingen, zonder aanzien des persoons. Wat een terrein, vol van talloze voetangels en klemmen! Wie ervaart nooit de verleiding om de scherpte van het Woord af te zwakken en het oordeel te sparen? Of om, temidden van kruitdampen, die er in sommige conflictsituaties zo verstikkend kunnen hangen, het Evangelie, als een blijde boodschap, niet of te weinig te laten gelden?
Wij kunnen van Jeremia leren om het volk, waaronder wij dienen, lief te hebben, ook als het, naar ons idee, zo slecht luistert, zo onbekeerd en onbekeerlijk is; ook als het onze ernst en liefde verdacht maakt, onze woorden verkeerd uitlegt. Ja, dan bruist soms de toorn in ons op, meestal onafscheidelijk in later stadium gevolgd door de versombering, de verdoffing, de knagende twijfel aan onszelf, maar... óók aan God! Wij denken nogal eens dat God een uitdrogende beek is, die in tijden van nood geen water bevat. Wie zit nooit eens aan die beek, verslagen denkend aan gunsten en zegeningen van vroeger dagen, maar nu beroofd van het laatste greintje krediet op God? En dan duchten wij nog niet eens levensgevaar als Jeremia destijds in de 'kotjes', in de modder met een wisse dood voor ogen...
Er is een alternatief Jeremia heeft ermee gelopen, geworsteld. Het alternatief heet: ontslag, een andere staat des levens. Jeremia ontsluiert ons het geheim dat hij heeft omgegaan met de gedachte om ontrouw te worden aan zijn roeping. 'Dies zeide ik: ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijn Naam spreken' (20 : 9a). De bezwaren werden hem te machtig en hij nam zich voor niet langer te profeteren. Een dienstweigeraar in wording! Duivelse verlokking: kies een ander leven, zonder strijd met uzelf en de machten, die donker dreigen! Deserteer!
En? Hij kon het niet láten! Zo gaat het nu met ieder die van God de opdracht kreeg: Zijn Woorden in uw mond. Het zal toch niet anders kunnen of het Godswoord wordt ons te sterk. Maar..., dat goddelijke maar!'
'Maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om tranen te verdragen, maar kon niet... (20 : 9b). Zalig die het weet. Al kost het ons zweet en tranen, al voelen wij ons soms zo nietig, zo bangelijk, zo benauwd. Maar kón niet...
Zo zien wij in deze mens met zijn diepgevoelige natuur, het werk van God in zoveel te groter heerlijkheid schitteren. Een schat in een aarden vat. Nooit was het anders. Nooit zal het anders zijn. Opdat de uitnemendheid der kracht zij uit God en niet uit ons. De profetie is geen mensenwerk. Jeremia had iii dat geval zijn taak nimmer ten einde gebracht. Het is God, Die in en door een zwak en zondig mens Zijn machtig werk volvoert.
Toch trouw
Dit is Jeremia's redding geweest dat de profeet niet is ondergegaan in de mens, maar de mens in de profeet. In het gedurig conflict tussen mens en profeet, heeft de profeet het, om zo te zeggen, gewonnen. En dat tekent elke rechte profeet: de triomf van de wil des Heeren, over het volk, maar óók over hemzelf. Daar ligt ook het geheim van Jeremia's trouw verklaard. Veertig, vijftig jaar lang. Zijn veertigjarig ambtsjubileum viert hij in de gevangenis, opgesloten door zijn volksgenoten, die hij zo trouw had gewaarschuwd. En als zijn gouden jubileum nadert, zien wij de profeet meegesleept in een troep volk, op weg naar Egypte, waar het einde komt. Naar men gelooft, met de dood door steniging. Zodat ook Jeremia valt onder de profeten, door Jeruzalem gedood en gestenigd. Maar God mag weten hoe Hij het leven en sterven van de Zijnen schikt. Dan gaat de één met vurige wagens en paarden ten hemel. Dan valt de ander als een stuk vuil in een regen van stenen. Maar hunner is het loon van de getrouwe dienstknecht: de ingang in de vreugde huns Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's