Uit de Pers
Pinksterbeweging
In 'Hervormd Nederland' van 7 april stond een interessant gesprek te lezen met een vooraanstaand theoloog uit de pinksterbeweging, dr. Paul van der Laan. Hij promoveerde in 1988 bij de bekende dr. Walter Hollenweger in Birmingham op een onderzoek naar de oecumenische betekenis van de pinksterbeweging in Nederland. Wat we ook van de pinksterbeweging kunnen of willen zeggen, niet te ontkennen valt dat de pinkster- en charismatische beweging in minder dan een eeuw een groei kent van ruim 250 miljoen mensen. De verwachting is, aldus HN, dat binnen tien jaar er meer mensen tot de pinksterbeweging zullen behoren dan tot alle protestantse kerken samen. In Nederland omvat de beweging zo'n 80.000 mensen terwijl er een jaarlijkse groei is van bijna tien procent. De Nederlandse stichter van deze beweging, G.R. Polman, heeft heel lang geaarzeld of hij de aan het begin van deze eeuw ook in ons land opgekomen beweging wel structuur mocht geven. Hij zei in 1919 dat 'God ons de pinksteropwekking niet heeft geschonken om een kerk te stichten, maar om alle kerken te stichten'. Maar daar is heel weinig van gekomen en, zo vraagt Teun van der Leer in genoemde aflevering van Hervormd Nederland aan Paul van der Laan, hoe is dat gekomen?
'Ik denk dat dat in de eerste plaats op klasseverschillen is terug te voeren. De pinksterbeweging telde haar aanhang vooral onder de arbeiders, die duidelijk het meest ontvankelijk ervoor waren. En in de tweede plaats is de pinksterbeweging, wil je haar begrijpen, typisch een beweging waarin je moet participeren. Pas door echt mee te doen, grijp je het hart ervan. De verschillen tussen mensen uit verschillende kerken vielen weg op basis van eenzelfde ervaring. En over ervaringen is het heel moeilijk praten, die moet je ondergaan. Daar komt bij dat men van pinksterzij de veel nadruk legde op het bovennatuurlijke en zich vaak scherp afzette tegen structuren en tegen de wetenschappelijke theologie. Er is anno 1990 van het oorspronkelijke ideaal van Polman om de vernieuwing binnen de eigen kerken gestalte te geven, inderdaad weinig meer over. We zijn inmiddels een gevestigd instituut geworden.'
Zoals het meestal gaat wanneer mensen, soms met de beste bedoelingen, een groep vormen naast de kerk. Het wordt op den duur een instituut met een eigen leven.
Zwarte wortels
Wat mij onbekend was (maar dat zegt uiteraard niet zoveel), is dat de pinksterbeweging 'zwarte wortels' heeft. De al genoemde dr. Hollenweger verklaart de groei van de pinksterbeweging vanuit haar zwarte wortels doch ziet daarin tevens de oorzaak liggen van de verguizing van deze groep christenen binnen de kerken. Dr. Van der Laan reageert daar als volgt op:
'De pinksterbeweging is eigenlijk een mengeling van methodisme (opwekkingsbeweging uit de 18e en 19e eeuw, die een sterk accent legde op de heiliging, TvdL) en Afrikaanse cultuur. Hoewel er al voor 1906 sprake was van ervaringen van "doop in de Geest met spreken in tongen" (vooral voor westerse blanke aanhangers nog altijd het teken van een geestvervuld leven, TvdL), begon de beweging pas echt te groeien toen tijdens een samenkomst onder leiding van de zwarte slavenzoon William Seymour in Los Angeles in 1906, mannen en vrouwen, blanken en zwarten, geletterden en ongeletterden, gelijkelijk de pinksterzegen ervoeren. Voor hen was niet het spreken in tongen het belangrijkst, maar de ras en klasse overstijgende eenheid in de Geest.
Deze "onfatsoenlijke" oorsprong was voor veel christenen ergerniswekkend en heeft zeker een grote rol gespeeld in het veroordelen ervan. Zo beschouwde Alma White, oprichtster van de "Pillar of Fire" (behorend tot de heiligingsbeweging), de interraciale gemeenschap als "het toppunt van duivelaanbidding". En wanneer de beruchte Berlijnse verklaring van 1909, waarin de pinksteropwekking als een beweging "van beneden" werd gekwalificeerd, opmerkt dat de pinksterbeweging vanwege haar oorsprong in Los Angeles wel uit den boze moet zijn, verwijst deze vermoedelijk ook naar deze zwarte wortels (...)
Toch hoor of lees ik weinig over die zwarte oorsprong. Des te meer over tongentaal en gebedsgenezing.
"Dat klopt. Het lijkt er haast op dat we ons voor die zwarte oorsprong wat generen. Ook op internationale pinksterconferenties is de zwarte inbreng miniem. Wat ook een rol speelt is dat er vanuit de oude zendingsgedachte vaak argwanend wordt aangekeken tegen alles wat Afrikaans of Aziatisch is. Het wordt snel als spiritistisch gezien. Maar zo goed als de Europese cultuur het christendom in grote mate gestempeld heeft, zo heeft de Afrikaanse cultuur de pinksterbeweging gestempeld. De geest heeft ook elementen uit die cultuur weten te integreren in de kerk. Daarom zijn de zwarte wortels voor onze identiteit van wezenlijk belang: als we zo wegsnijden, snijden we in onszelf.'
Karakteristieken
Er wordt aan Van der Laan gevraagd naar de karakteristieken van deze beweging die de geweldige groei vooral in de Derde Wereld veroorzaken. Hij antwoordt dan als volgt:
'Hollenweger noemt er vijf: de mondelinge liturgie, de verhalende theologie, de maximale participatie, de waardering van dromen en visioenen en de erkenning van de eenheid van lichaam en geest. Grof geschetst kun je zeggen dat er in de pinkstersamenkomst ruimte is voor alles en iedereen. Mensen participeren, niet op basis van opleiding, intellect of maatschappelijke positie, maar op basis van de ervaring dat de Geest van God in hen werkt. Bij het uiten van de vreugde die dat geeft is er alle ruimte voor lichaamstaal en emoties. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de oerbehoefte van de mens om ook in de religieuze beleving de emoties te integreren.
De verhalende theologie wil zeggen dat het getuigenis over de ervaring met God centraal staat. Onze theologie is dus existentieel: het is je eigen levensverhaal. Dat betekent tevens dat onze wijze van theologiseren een heel andere is dan zoals we dat hier in het Westen gewoon zijn. Zelf denk ik dat de voorzichtige dialoog die tussen ons en de Nederlandse hervormde kerk in de jaren zestig begon naar aanleiding van het in 1960 verschenen synodale geschrift De kerk en de pinkstergroepen, daarop is vastgelopen. Men praatte op twee niveaus en bereikte elkaar niet.'
Afgezien van belangrijke theologische verschillen, kon Van der Laan best weleens gelijk hebben dat het vastlopen van het gesprek in de zestiger jaren ook alles te maken had met de geheel verschillende culturen van beide gemeenschappen. En daar zit het, denk ik, vandaag nog veelal op vast dat kerken moeite hebben met de geloofsbeleving in pinksterkringen.
De kerk en de pinkstergroepen
In Hervormd Nederland wordt verder ingegaan op genoemd geschrift uit 1960. Dr. Van der Laan heeft zijn dissertatie opgedragen aan wijlen dr. F. Boerwinkel, die voorzitter was van de Hervormde commissie die het geschrift 'De kerk en de pinkstergroepen' schreef Bekend is dat dit Hervormd herderlijk schrijven brede aandacht heeft gekregen. Het gaat heel evenwichtig in op de vragen die pinkstergroepen aan de kerk stellen, maar geeft tevens een evenwichtig antwoord op vragen rond b.v. de doop met de Heilige Geest, tongentaal, gave van de profetie etc. Het was wereldwijd gezien een unicum in die tijd dat een gevestigde kerk inging (en dan zo serieus) op de pinksterbeweging. En toch was het resultaat vrij mager en waardoor kwam dat?
'Het was inderdaad niet niks. In de gehele wereld was dit het eerste geschrift sinds het ontstaan van de beweging, waarin een traditionele kerk zodanig inging op het appel van de pinksterbeweging, dat men zelf werd uitgedaagd zich hiervoor open te stellen. En dat in een tijd dat er nog helemaal geen sprake was van een charismatische beweging binnen de kerken, en de pinksterbeweging alom werd beschouwd als een sekte, vergelijkbaar met Jehova's Getuigen en Mormonen. In die zin zou je het bijna als profetisch kunnen betitelen. Toen het geschrift verscheen was ik een negenjarig rooms-katholiek jochie in de Amsterdamse jordaan. Pas in 1980 ontmoette ik Boerwinkel, in het kader van mijn historisch onderzoek. Ik werd direkt getroffen door zijn irenische houding en oprechte belangstelling. Die belangstelling was niet alleen academisch, maar warm en persoonlijk. Wat ik vanuit de pinksterbeweging probeerde in de richting van de kerken — vooroordelen wegruimen en de ander proberen te verstaan zoals hij verstaan wil worden — probeerde hij vanuit zijn kerk in onze richting. Dat schept verbondenheid. Het was ook op zijn aanbeveling dat ik bij Hollenweger ben gaan studeren.
Maar om op dat geschrift terug te komen: aanvankelijk werd het in brede kerkelijke kring, maar ook in pinksterkringen, met veel waardering en enthousiasme begroet. De broederschap van pinkstergemeenten formuleerde zelfs een officiële reactie en bood die het moderamen van de hervormde synode aan. De gesprekken die daaruit voortvloeiden liepen echter al snel vast. Terwijl van onze zijde het getuigenis centraal stond, ging het de kerken vooral om de theologie. Dat waren werelden apart; men praatte volstrekt langs elkaar heen.
Kijk, voor iemand die staat in de pinksterbeweging is er vooral sprake van eenheid als je ook bij die ander diezelfde ervaring van de Geest proeft. Van die ervaring wil hij dus getuigen, juist ook in het dialogische gesprek. Dat is wat hij in te brengen heeft: een verhaal over wat God in zijn leven heeft gedaan. Daarop rust zijn geloof en dat is dus zijn theologie. Met andere woorden: hij is zichzelf niet als hij niet kan getuigen. De gesprekspartner zal dus bereid moeten zijn zich te laten "be-evangeliseren" om de ander authentiek te laten zijn. Tegelijkertijd zal de pinksterman of pinkstervrouw bereid moeten zijn de eigen ervaring niet te verabsoluteren. Worden deze twee dingen niet van beide zijden tevoren verdisconteerd, dan is elk gesprek bij voorbaat tot mislukken gedoemd.'
Hoe men ook over het verschijnsel van de pinkstergemeenten moge denken (en wij hebben er vanuit onze reformatorische traditie allerlei fundamentele vragen bij), onopgeefbaar blijft de vraag intrigeren: waarom smelten de kerken weg in de hitte van de secularisatie en kennen pinkstergemeenten wereldwijd een grote groei? Het synodale geschrift uit 1960 sluit af met een hoofdstukje waarboven staat 'De roep om een kerk die vervuld is van de Heilige Geest'. Graag zou ik me willen aansluiten, intussen dertig jaar verder levend, bij de slotwoorden uit dit nog altijd lezenswaardig herderlijk schrijven.
'Het zijn eveneens talloze christenen, die hunkeren naar een geloofsleven waarvan overwinnende kracht uitgaat; kracht om de boze machten in eigen leven de baas te worden; kracht ook om demonie van deze wereld het hoofd te kunnen bieden en velen nog te ontrukken aan de tyrannie van de Satan. Wij menen dat het deze hunkering is die ook in vele Pinkstergroepen leeft, die, naast allerlei dwaling die wij hebben moeten aanwijzen, toch ook een groot geloof openbaren in de bevrijdende en overwinnende kracht van Hem, aan wie alle macht in hemel en aarde gegeven is en Die zelf gezegd heeft, dat Hij met ons zal zijn tot aan de voleinding der wereld. Die voleinding snellen wij tegemoet. Wij willen als kerk ons niet aan ijdele speculaties overgeven, maar wij mogen evenmin onze ogen sluiten voor de tekenen der tijden. Daarom zal de kerk in een hernieuwde aandacht de Schrift moeten onderzoeken en de gemeente zal met een hernieuwd verlangen moeten smeken om de vervulling met de Heilige Geest. De profetie zal haar worden geschonken in het zich strekken naar de toekomst van Jezus Christus, in de worsteling om Israël, in het hoeden der volkeren, in de zorg voor hen die geen helper hebben. Zonder profetie verwildert de samenleving en verdort de kerk als planting in deze lage landen. Het is tenslotte bovenal de Heer der kerk zelf, die er verlangend naar uitziet dat degenen die Hij zo duur gekocht heeft, alle vertrouwen op zichzelf en op menselijke zekerheden overboord zullen werpen, om het alleen met Hem te wagen, om, zelf leeg geworden zijnde en wanhopende aan eigen activiteiten en wijsheden, zich geheel door Zijn Heilige Geest te laten vullen.
Opdat juist in deze tijd de zaak van Zijn Koninkrijk met grote kracht vóórtgang zal vinden en wij met haast Zijn toekomst tegemoet zullen gaan.'
Intussen wat het kerkelijk jaar betreft beland in de tijd tussen Pasen en Pinksteren, zij het ook in onze erediensten voortdurend ons aller gebed dat de Geest van de levende Christus de opstandingskracht openbaar brenge in een opgewekt geestelijk leven. Tot een getuigenis onder ons volk en tot eer van Hem die de Levende is en in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt. Kan het niet zijn dat Hij juist vandaag ook ons verwijt als reformatorische christenen: Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten; Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt en bekeer u en doe de eerste werken (Op. 2 : 4-5a)?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's