De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk en de jodenprogrom van november 1938 (1)

Bekijk het origineel

De kerk en de jodenprogrom van november 1938 (1)

7 minuten leestijd

De maand mei is een maand van herdenken: 10 mei is het vijftig jaar geleden dat voor ons land de oorlog uitbrak, het begin van vijf jaar bezetting door de nazi's, terwijl we op 5 mei herdenken dat ons land 45 jaar geleden bevrijd werd. En deze herdenking van de bevrijding is alleen maar zinvol als ze gekoppeld is aan de 4 meiherdenking van hen die in de oorlogsjaren gevallen zijn als slachtoffer van het nationaal-socialisme. Denken we aan de slachtoffers, dan worden we direkt bepaald bij de lijdensweg van het joodse volk, een lijden waar nauwelijks woorden voor te vinden zijn. De verschrikkingen van de Holocaust vormen het gruwelijk dieptepunt van eeuwen van jodenhaat en antisemitisme.
Er is de laatste decennia veel over geschreven. De vraag zou boven kunnen komen: Is het zinvol er nogmaals op in te gaan? Ik meen, dat er alle reden is die vraag bevestigend te beantwoorden. Racisme en antisemitisme kunnen in elke tijd de kop opsteken. Het gedenken van wat in de geschiedenis gebeurd is, wil ons leiden tot bezinning en verootmoediging. Maar het heeft ook een signaalfunctie.
In een tweetal artikelen wil ik één aspect aan de orde stellen, namelijk de houding van de Duitse Evangelische Kerk met betrekking tot de jodenprogrom van 1938, die bekend staat onder de naam 'Kristallnacht'. Zelden is een huiveringwekkende gebeurtenis zo door een naam versluierd als de gebeurtenis die plaatsvond in de nacht van 9 op 10 november 1938, aldus de Duitse theoloog Heinz Eduardt Tödt. In een feestbundel voor Claus Westermann ter ere van zijn 80e verjaardag Schöpfung und Befreiung, in 1989 uitgegeven bij de Calwer Verlag in Stuttgart wijdt Tödt een belangwekkende beschouwing aan de houding die de kerk, met name de kerkleiders, in deze novembermaand van 1938 hebben ingenomen. Het artikel is meer dan een historische uiteenzetting, daar het ons ook oproept tot voortdurende bezinning. Reden te over om er het een en ander uit door te geven.

Kristallnacht
Ik memoreer heel kort de feiten. Op 7 november 1938 pleegde een jonge Poolse jood, Herschel Grynszpan, een aanslag op een secretaris van de Duitse ambassade in Parijs, Ernst von Rath, die dodelijk werd gewond. Twee dagen later, op 9 november, riep Goebbels de leiders van de NSDAP op tot een 'spontane vergeldingsactie'. Het werd een nacht van verschrikking in geheel Duitsland. Bijna 200 synagogen en talloze joodse begraafplaatsen werden verwoest of verbrand. Joodse woningen en winkels gingen in vlammen op. Vele joden, mannen, vrouwen en kinderen werden neergeschoten of op andere wijze vermoord, terwijl op bevel van Himmler en Heydrich duizenden joodse burgers, waaronder vele welgestelde joden, gearresteerd en naar concentratiekampen getransporteerd werden. Niet alleen aan moord, plundering en brandstichting werden joden blootgesteld, zij moesten ook betalen voor de vernietiging van hun eigendommen. Collectief werd hun een boete opgelegd van een miljard mark als straf voor hun 'afschuwelijke misdaden', zoals Goering het formuleerde. Bovendien volgde in de dagen na deze gebeurtenissen al snel allerlei besluiten, die leidden tot nagenoeg volledige uitsluiting van joden uit het maatschappelijke en culturele leven. De 'Kristallnacht' vormde het eerste bedrijf van een drama dat zijn ontknoping zou vinden in wat men de Holocaust is gaan noemen. Waren immers vóór 1938 allerlei aanslagen op joden het gevolg van een bruut optreden van de bruinhemden, die de vrije hand kregen hun sadisme uit te leven, terwijl de regering net deed alsof men van niets wist, de pogrom van november 1938 en de daarop volgende maatregelen waren officieel op touw gezet door de Duitse regering en wat men eigenlijk beoogde was voor geen misverstand vatbaar. W.L. Shirer citeert in zijn boek Opkomst en ondergang van het derde rijk een uitlating van Heydrich op een bijeenkomst van ministers en partijbonzen op 12 november: 'Hoewel nu de joden uitgesloten zullen worden van het economisch leven, blijft het hoofdprobleem bestaan, want de jood moet uit Duitsland worden weggetrapt'. En Goering besloot die bijeenkomst met de sinistere woorden: 'Ik wil er aan toevoegen, dat ik niet graag een jood zou zijn in Duitsland'. Wat opgezet werd als een vergeldingsactie en voor een spontane actie moest doorgaan, was in werkelijkheid de beginfase van een geplande actie die de Endlösing inleidde.

Bisschop Wurm
Tödt stelt nu in zijn artikel de vraag hoe het te verstaan valt dat er vanuit de Evangelische Kirche geen officieel protest kwam tegen deze pogrom. Hij spreekt van een bevreemdende zaak, te meer daar de pogrom bij de meerderheid van de bevolking eerder ontzetting dan instemming opriep, al tekent Tödt er wel bij aan, dat men niet zozeer maatregelen tegen joodse burgers afwees, als wel de brute methoden, waarmee men opgetreden was en dat men vooral geschokt was vanwege het verlies van de rechtszekerheid als gepeupel zo maar zijn gang kon gaan, zonder dat politie ingreep. Dergelijke nuanceringen laten al zien hoe veelvormig het verschijnsel van het antisemitisme in Duitsland geweest is.
We moeten voorts bedenken dat de novemberpogrom plaats greep op een moment dat de Belijdende Kerk in Duitsland als gevolg van de druk van buiten, de intimidatie van de kant van de nazi's ook innerlijk in een geweldige krisis verkeerde. De vragen inzake de verhouding van geloof en politiek werden binnenkerkelijk zeer verschillend opgelost. Maar is het alleen vanwege de druk van buitenaf dat men gezwegen heeft? Was het alleen de angst voor represaillemaatregelen tegen de kerk, die ertoe geleid heeft dat men niet officieel protesteerde, hoewel toch een door de kerk beleden fundamenteel principe van naastenliefde en solidariteit met hun leden van joodse herkomst door de pogrom op flagrante wijze geschonden was?
Tödt laat aan de hand van een brief van bisschop Wurm aan de rijksminister van justitie Gürtner zien wat er eigenlijk aan de hand was binnen de Evangelische Kerk. Wurm gaf in deze brief uiting aan zijn ontzetting om het gebeuren en aan zijn morele verontwaardiging, maar voegt er dan iets aan toe wat ons inzicht geeft inzake de weerstanden van kerkleiders zich openlijk tegen de nazi-politiek inzake joden uit te spreken. Wurm schrijft: 'Ik betwist met geen woord de staat het recht om het jodendom als een gevaarlijk element te bestrijden. Ik heb van mijn jeugd af het oordeel van mannen als Heinrich von Treirschke en Adolf Stoecker inzake de verwoestende werking van het jodendom op godsdienstig, zedelijk, literair, economisch en politiek terrein als juist beschouwd en dertig jaar geleden al als leider van de stadszehding in Stuttgart mij openlijk en niet zonder resultaat verzet tegen het binnendringen van het jodendom in het welzijnswerk'.
Wat blijkt hieruit? Wurm — en hij stond daarin niet alleen onder de kerkleiders en theologen — heeft ingestemd met de burgerlijke en sociale discriminatie van joodse medeburgers en daarom maatregelen die hun invloed beknotte geaccepteerd.
Een dergelijke opstelling moest wel verlammend werken toen in november 1938 de jodenhaat ongebreideld uitbarstte. Niet alleen vrees voor eventuele gevolgen, niet alleen een a-politieke opstelling, maar ook een anti-joodse houding heeft ertoe geleid dat men in die novemberdagen er niet toe gekomen is een herderlijk woord tot de gemeente, een getuigend protest tot volk en overheid uit te laten gaan.

Antisemitisme
Naar aanleiding van deze brief van bisschop Wurm, die overigens vanwege zijn anti-nationaalsocialistische stellingname en zijn protest tegen de georganiseerde moord op geesteszieken en epileptici, gehaat en gevreesd werd door de nazi's, stelt Tödt de vraag, in hoeverre we de houding, die uit de hierboven geciteerde brief spreekt als antisemitisme kunnen betitelen.
Tödt waarschuwt voor ongerechtvaardigde generaliseringen. Wanneer men alles ongenuanceerd vangen wil onder dit begrip, wekken we de suggestie als zou de jodenhaat van mensen als Hitler en Goebbels dezelfde geweest zijn als de vijandige gevoelens van mensen als Wurm en Künneth tegen joodse invloeden in de samenleving.
Toch is het allerminst onschuldig wat er op dit punt door kerkleiders en theologen gezegd is. Antisemitisme is een kwaad dat verschillende vormen kan aannemen. Het is er Tödt met zijn nuancering zeker niet om begonnen om de zaak onschuldiger voor te stellen dan ze is. Dat gevaar ligt bij nuanceringen altijd op de loer. Een zeer genuanceerd spreken kan snel een alibifunctie gaan vervullen. Veeleer moeten we echter zeggen: wanneer we de negatieve opvattingen en gevoelens van kerkleiders en kerkleden aan het adres van hun joodse volksgenoten enigermate afgrenzen van het antisemitisme van Hitler c.s., dan wordt het zwijgen van de kerk des te aangrijpender en de waarschuwing des te indringender. Doch daarop wil ik in een tweede artikel nader ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk en de jodenprogrom van november 1938 (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's