De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ambt en Synode

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ambt en Synode

Hoe ver mag een synode gaan? (2)

9 minuten leestijd

Als zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus de vraag stelt:
'Wat gelooft gij van de "heilige algemene christelijke kerk"?' dan luidt het antwoord: 'Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven verkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het eind, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven'.
Dit antwoord van de Heidelberger, waarin ook de kerk als wereldwijde, de tijden omspannende gemeenschap wordt beleden, wordt voorzien van vele verwijzingen naar plaatsen in de Heilige Schrift, zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament. Onze belijdenisgeschriften belijden dan ook terecht de kerk náár de Schriften. De kerk is een geloofsartikel. Ze maakt deel uit van ons geloof en belijden. Die kerk moeten we ook niet zomaar vervluchtigen tot een onzichtbare gemeenschap, tot een onzichtbare kerk. Calvijn heeft gezegd: 'De onzichtbare kerk treedt voortdurend in de zichtbaarheid'. En als na art. 27 in art. 28 van de N.G.B. de kenmerken van de kerk worden opgesomd, dan gaat het om de ambten, de tucht, de sacramenten. Welnu, daarvan kan alleen maar sprake zijn binnen een kerk die zichtbaar is. En daarom kon Calvijn van de zichtbare kerk zeggen: 'Men kan God niet als Vader hebben als men de kerk niet als moeder heeft'.

Moeder
De kerk heeft een moederlijke functie. Prof. dr. C. Graafland gaat daarop uitvoerig in in zijn boek. In boek IV, 1,1 van de Istitutie geeft Calvijn aan waarom de kerk moeder is, namelijk:
'... dewijl er geen andere ingang is tot het leven, indien zij ons niet in haar schoot ontvangt, baart, ons voedt aan haar borsten, en eindelijk onder haar hoede en leiding neemt, totdat wij, na het sterfelijke vlees afgelegd te hebben, gelijk zullen zijn aan de engelen.'
De kerk, aldus Calvijn, is onmisbaar om kinderen te ontvangen en te baren. Daarbij gaat het niet om de moeder, maar om de kinderen, die zij voortbrengt en voor wie zij als moeder zorgt. Zonder moeder komen er geen kinderen, maar het is te doen om de kinderen. Zo is het ook met de kerk. Ze is onmisbaar, maar het gaat om de gelovigen. Verder is de betekenis van een moeder, hoewel zij onmisbaar is, van tijdelijke aard. Wanneer de volwassenheid er is, is de moederlijke taak vervuld. Datzelfde kan, volgens Calvijn ook van de kerk worden gezegd, want zij baart haar kinderen, voedt hen op totdat zij opgegroeid zijn en eindelijk tot de eindpaal van het geloof komen. De moederlijke functie van de kerk wordt dan mede bepaald door het feit dat de kerk kerk van het Woord is. En doordat Woord en Geest samengaan worden in de kerk kinderen van God geboren, wederom geboren, gevoed en geleid tot de zaligheid. De kerk geeft door middel van het Woord, waaraan de Heilige Geest zich paart, ingang tot een nieuw leven. En zo is de kerk een middel in de handen van de Geest om kinderen tot leven te wekken.

Ambt
Ook het instrument van het ambt is daarbij onmisbaar, zegt Calvijn, te weten het ambt van herder en leraar met name. In het Oude Testament deden de priesters dienst in het heiligdom. Het is niet genoeg, aldus Calvijn, om samen de Bijbel te lezen, 'we hebben ook meesters boven ons nodig'.
De kerk wordt op geen enkele wijze gebouwd dan door de uiterlijke, ambtelijke prediking van het Woord. De moederlijke functie van de kerk komt juist ook in de ambten tot uitdrukking. Zo is de kerk moeder van een gezin en draagt zij zorg voor de gemeente en voor de daarin functionerende gemeenschap. De kerk zal hoedster zijn van de gemeenschap der heiligen, zoals die in de gemeenten en tussen de gemeenten functioneren zal.
Er is dan ook alle reden om te zeggen: 'Moeder ik klaag u aan' – om de titel van een geschrift van ds. H.J. Hegger te gebruiken – wanneer de kerk niet meer is kerk van het Woord (Sola Scriptura); wanneer niet meer het werk van de Heilige Geest aan de orde is, die wederbarend werkt; wanneer niet meer de wedergeboorte als ingang tot het nieuwe leven door het geloof wordt uitgezegd en verkondigd en wanneer niet meer de ambten naar de instelling van Christus functioneren.
Wat dit laatste betreft, de ambten zullen de gemeenten en het geestelijk leven in de gemeenten en de opbouw daarvan dienen. Als de ambten zo niet functioneel zijn naar de gemeente toe, functioneren ze niet op de rechte wijze.
In art. 31 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we:
'En aangaande de dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, ze hebben eenzelfde macht en autoriteit, zijnde altegader dienaars van Jezus Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd der kerk. Daarenboven, opdat de heilige ordinantie Gods niet geschonden worde of in verachting kome, zo zeggen wij, dat een ieder de dienaar des Woords en de ouderlingen der kerk in bijzondere achting behoort te hebben, om des werks wil, dat zij doen, en in vrede met hen te zijn, zonder murmurering, twist of tweedracht, zo veel mogelijk is.'
De ambten zullen functioneren binnen de gemeenten tot opbouw van de gemeenten. Maar dan ook zal er liefdebetoon zijn vanuit de gemeenten naar de opzieners, de herders, kortom de ambtsdragers toe.

D. Een synode?
Zo komen wij dan nu bij de vraag van de legitimiteit van een generale synode als ambtelijk lichaam van de kerk, representerend de kerk naar binnen en naar buiten. In de Schriften lezen we, dat de apostelen van plaats tot plaats gemeenten hebben gesticht en daarin ouderlingen hebben aangesteld. De ambten zelf zijn aan de Schrift ontsproten om de gemeenten te leiden, te dienen en te beheren.
Het is een hoge greep van de Reformatie geweest om uit de veelheid van gegevens omtrent ambt en charisma de drie ambten naar voren te halen, namelijk dat van herder en leraar, dat van de presbyter, de ouderling en dat van de diaken. Maar het apostolisch ambt reikt dan ook verder dan de plaatselijke gemeente. Het gaat ook om bredere ambtelijke vergaderingen, waarin gemeenten samen participeren.
Hier komen we dan als vanzelf bij het bekende hoofdstuk Handelingen 15, waar gesproken wordt over het apostelconvent te Jeruzalem. Aan de orde was de besnijdenis naar de wijze van Mozes. Er waren mensen in de vroeg-christelijke gemeenten, die leerden dat er zonder besnijdenis geen sprake van zaligheid, van heil kon zijn. Dit was een geducht twistpunt, gegeven het feit, dat de christelijke gemeente uit de synagoge was voortgekomen. Paulus en Barnabas gaan dan met de ouderlingen naar Jeruzalem. Op weg doen ze, zo staat er fijntjes in dit hoofdstuk, de broeders blijdschap aan. En passant bemoedigen ze de broeders onderweg. En dan worden ze ontvangen door de gemeente te Jeruzalem, door de ouderlingen en de apostelen. Me dunkt dat hier een duidelijke richtingaanwijzing ligt voor het bijeenroepen van een synode. Het is niet zonder reden, dat synodevergaderingen in kerken van Afscheiding en Dolean­tie worden bijeengeroepen door een roepende gemeente. Het is een manco van de Hervormde Kerkorde te achten, dat de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk niet bijeenkomt op uitnodiging van een gemeente.
Intussen gaat het op het apostelconvent in Handelingen 15 zeer geestelijk toe. De apostelen verkondigen wat grote dingen God met hen gedaan heeft. Om het met het woord van de psalmist te zeggen: 'Hoort wat mij God deed ondervinden'. Ze geven verslag van de leidingen van God in hun leven, ook in hun apostelambt. En dan vergaderen de apostelen en de ouderlingen tesamen, zo lezen we in vers 6. Hier is dus sprake van een eerste generale synode. Intussen is er sprake van het twistgeding rondom de besnijdenis. Petrus neemt het op voor de gemeente in de heidenwereld als hij zegt: 'Aan de heidenen is de Heilige Geest geschonken, gelijk ook aan ons'. 'Er is', zo zegt hij, 'geen onderscheid tussen hen en ons. Hun harten zijn gereinigd door het geloof, evenals onze harten.'

Dezelfde Geest

Hier treffen we weer de gedachte van dezelfde Geest des geloofs, die kenmerkend is voor de gemeente uit de joden en uit de heidenen, van het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond. En dan zegt Petrus: 'Nu dan, wat verzoekt gij God om een juk op de hals der discipelen te leggen, hetwelk ook onze vaders noch wij hebben kunnen dragen'. Moeten we hier niet uit lezen, dat de besnijdenis een symbool van de wet is en dat Petrus zoveel zeggen wil als dat ook de aartsvaders onder het juk van de wet zijn bezweken. Welnu, leg dan nu geen lasten op aan de christelijke gemeente, die te zwaar zijn om te dragen. Het slot van het beraad resulteert dan hierin, dat de apostelen en de ouderlingen met de hele gemeente van gevoelen zijn, dat Paulus en Barnabas naar Antiochië moeten worden gezonden met de volgende boodschap: 'De apostelen en de ouderlingen en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid'. Verder staat in de boodschap, dat de zielen van de gemeenteleden wankelmoedig zijn gemaakt vanwege die noodzaak van de besnijdenis. 'Maar', zeggen zij namens de synode, 'zo heeft het ons, eendrachtig samenzijnde, goed gedacht enige mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus, mensen die hun zielen overgegeven hebben voor de Naam van onze Heere Jezus Christus... Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht u geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen, namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij, van welke dingen, indien gij uzelf wacht, zozult gij weldoen, vaart wel.' Dit Schriftgedeelte spreekt voor zichzelf. Opvallend is dat de eerste synode het aandurfde om te zeggen: 'Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht'. En dat men dat zei ten overstaan van het vòlk, van de geméénte. En dan worden verder de hoogstnodige besluiten genomen. Er wordt geen juk opgelegd, dat te zwaar is om te dragen. Slechts vier dingen worden voorgeschreven. Het gaat te ver orn hier in te gaan op wat die vier concrete verboden als achtergrond hebben. Ik moge hier verwijzen naar de uitleg van Calvijn, die vele pa­gina's van zijn Schriftverklaring aan deze besluiten wijdt. Maar er is sprake van eenparigheid, het niet leggen van een juk op de gemeente, maar slechts dàt te verbieden, wat duidelijk in strijd is met Gods gebod. Zo was deze synode dienstbaar aan de opbouw van het geestelijk leven in de gemeente zonder haar onder een juk te brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Ambt en Synode

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's