De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk en de jodenpogrom van november 1938 (2)

Bekijk het origineel

De kerk en de jodenpogrom van november 1938 (2)

9 minuten leestijd

De vorige keer zagen we hoe de Duitse evangelische kerk niet tot een officieel protest kwam tegen de door de regering op touw gezette pogrom die tal van joodse slachtoffers maakte en het sein gaf tot scherpe anti-joodse maatregelen. Hoezeer men ook geschokt was door de uitbarsting van volkshaat, anti-joodse gevoelens, angst voor te grote invloed van de joden in de samenleving werkten verlammend.
In welke zin kunnen we hier spreken van antisemitisme?

Antisemitisme en anti-judaïsme
Tödt maakt in zijn artikel onderscheid tussen rassen-antisemitisme, protestants anti-judaïsme en socio-culturele jodenhaat.
Het racistische antisemitisme van Hitler c.s. was toen Hitler zijn boek Mein Kampf schreef nog geen honderd jaar oud. Een Franse graaf, Gobineau had er in 1853 de grondslagen voor gelegd. Zijn ideeën vonden bij mensen als Wagner en Nietzsche gretig ingang en vormden een voedingsbodem voor de nazi-ideologie. Vanwege hun ras golden de joden voor hen als 'Untermenschen' die men ter wille van het overleven van de mensheid moest vernietigen. De gedachte dat men door zijn ras onveranderlijk bepaald was leidde ertoe dat er ook geen ontsnapping mogelijk was. Dat moest uitlopen op een genadeloze uitroeiingscampagne. De consequentie was dan ook, dat de felle en radicale antisemieten onder de nazi's aandrongen op de eliminatie van elke jood, ook als hij of zij door doop en geloof overging tot de christelijke kerk. Gevangen in hun eigen rassenwaan, ging men steeds verder op de heilloze weg van het antisemitisme, die uitliep op Auschwitz.
Een dergelijk racistisch antisemitisme kan men Wurm c.s. niet aanwrijven. Het gevaar dat zij duchtten, lag niet in de rasvermenging als veeleer in de culturele en geestelijke invloed, die er van joden uitging.
Wat was dan de voedingsbodem van dit anti-judaïsme binnen de protestantse kerk van Duitsland? Tödt wijst in dit verband op de anti-joodse uitleg van het Nieuwe Testament, waarbij Paulus' woorden in Romeinen 9-11 volstrekt uit het vizier verdwenen. Dit christelijk anti-judaïsme openbaarde zich in zijn meest gevaarlijke vorm in twee varianten:
a. De aanmatiging van christenen die van mening waren dat zij geroepen waren om de aangekondigde oordelen over de joden te voltrekken;
b. de gedachte dat de overheid geroepen was om als dienares van God dit gericht ten uitvoer te brengen.
Er is nog een tweede factor die dit christelijk anti-judaïsme versterkt heeft, nl. het historisch-kritische bijbelonderzoek en het godsdiensthistorisch onderzoek van de vorige eeuw, waarbij, in het bijzonder sinds Julius Wellhausen de joodse godsdienst zeer negatief werd voorgesteld als een ontaarde, starre wetsreligie.
Voor deze kerkelijke anti-judaïsten was het wel zo — en dat onderscheidde hen van de racistische antisemieten — dat dit joodse verleden was weggedaan wanneer een jood tot geloof kwam.
Niettemin is het kwaad groot, dat door dit theologische anti-judaïsme in de dertiger jaren is teweeggebracht. Want dit anti-judaïsme verhinderde dat men een jood als zodanig in zijn anders-zijn als gelijkberechtigd burger en gelijkwaardig burger accepteerde. Christelijk anti-judaïsme vormde een voedingsbron voor jodenhaat en maakte mensen weerloos, ja kon er maar al te gemakkelijk toe leiden, dat men antisemitische maatregelen goedkeurde of toeliet.

Een derde factor
Er is nog een derde factor, die in het kerkelijk milieu ook een noodlottige uitwerking had, nl. de negatieve beoordeling van de jood in het maatschappelijk en culturele leven. Men zou kunnen tegenwerpen: Wist men dan niet van de grote bijdrage van bijvoorbeeld joodse geleerden ook in het Duitsland van de 19e eeuw? Maar, aldus Tödt, juist het joodse liberalisme, juist de belangrijke rol die vele joden speelden op tal van maatschappelijke en culturele terreinen wekte de argwaan van met name conservatieve christelijke kringen. Men meende dat wat joden voorstonden gevaarlijk was voor de burgerlijke christelijke levenswaarden, voor handel en economie. Joden, zo meende men, zouden door hun liberaal-moderne instelling, de secularisatie bevorderen en de volkswaarden tot ontbinding brengen.
Dergelijke gedachten werden bovendien gevoed door een politieke theologie als van iemand als Paul Althaus die met een beroep op de scheppingsorde aan het 'Volkstum' een gewijde grondslag gaf.
Waartoe heeft dit alles nu geleid? Men moet concluderen: Het nationaal socialistisch antisemitisme met zijn afschuwelijke rassenleer vond een bondgenoot in het theologische anti-judaïsme en de maatschappelijk-culturele jodenhaat. Omgekeerd maakte het theologische antijudaïsme dat vele kerkleiders en theologen in hun greep had, de kerken weerloos en monddood. Gemeenschappelijk aan alle drie vormen van antisemitisme was dat men discriminatie van de jood beoogde, zij het ook in verschillende graden en langs verschillende wegen.
Het conflict van de kerk met de nazi's voltrok zich op het punt van de waardering van het Oude Testament en bij de vraag naar de houding ten opzichte van de gedoopte joden. Het jodendom als zodanig lag buiten hun vizier.

Ootmoed
Het is een schokkend verhaal dat deze Duitse ethicus ons voorzet. Een verhaal dat kerk en theologie wel zeer tot bescheidenheid en ootmoed moet stemmen. Dr. Gerssen heeft eens gezegd: 'De holocaust betekent toch niet minder dan dat de christelijke theologie in haar eigen vanzelfsprekendheid, is vastgelopen. Er heeft niet alleen voor onze westerse beschaving, maar ook voor de theologie en kerk een démasqué plaatsgevonden waarin onze armoede genadeloos is onthuld. Theologie in de tweede helft van de 20e eeuw zal allereerst juist in de spiegel van de verhouding tot het joodse volk in hoge mate zelfkritisch moeten zijn.' (Grensverkeer tussen kerk en Israël, blz. 170).
In zijn evaluatie van de kerkelijke houding wijst Tödt erop dat het niet helemaal aan tegenstemmen ontbroken heeft. Bekend is een moedige preek van een ds. Julius von Jan uit Württemberg. Hij werd om zijn moedig protest niet alleen afgetuigd door een SA-horde, maar ook vermaand door zijn kerkelijke superieuren om bij een preek in de zin van Micha 6 : 8 zich toch te onthouden van alles 'wat gelijk staat met een niet toelaatbare kritiek op concrete politieke gebeurtenissen.'(!)
Hoe omvangrijk het protest was is moeilijk na te gaan, vanwege het ontbreken van gegevens. Belangrijker is evenwel dat de hier gewraakte houding van kerk en theologie alleen maar gecorrigeerd kan worden door een theologie die op bijbelse gronden ernst maakt met de solidariteit met Israël. Hier moet met name Bonhoeffer genoemd worden, die in zijn Ethik de uitspraak doet: Een verstoting van de jood uit het avondland moet met zich meebrengen de verstoting van Jezus Christus, want Jezus Christus was jood.' Terecht merkt Tödt op dat een dergelijke uitspraak een aanzet geeft tot een nieuwe Israëltheologie waarin niet de tegenstelling tot het jodendom domineert, maar de heilshistorische verbondenheid.

Na vijftig jaar
De Kristallnacht ligt meer dan 50 jaar achter ons. Maar het antisemitisme en het anti-judaïsme, alsmede allerlei andere vormen van racisme zijn geen verleden tijd.
Wanneer we in deze meidagen ons bezinnen op wat in de dertiger en veertiger jaren gebeurd is en we opnieuw geconfronteerd worden met de weg van het joodse volk en de houding die kerk en christenheid heeft ingenomen, mag dit ons er niet toe brengen met stenen te gaan gooien naar het verleden vanuit een veilig bastion, als zouden wij voor dergelijke feilen en misvattingen immuun zijn.
Het klinkt wat clichématig, maar in meer dan één opzicht kunnen we spreken van de les van de geschiedenis: Vooreerst worden we nog weer eens met de neus op het feit gedrukt hoe tijdgebonden we bezig kunnen zijn in kerk en theologie, blind voor wat God nu van ons vraagt. Eigenbelang en positie, angst voor het anders-zijn van de ander kunnen een griezelig verbond aangaan met onze theologie, met als gevolg dat we geen waarlijk profetisch protest meer kunnen laten horen. Dat gold niet alleen de kerk in Nazi-Duitsland, men kan ook denken aan wat in Zuid-Afrika gebeurde inzake de apartheidsideologie en wat er gebeurde in Roemenië, ledere keer is het weer een aangelegen vraag om te onderkennen waar we horig zijn aan de tijdgeest die ons verhindert het getuigenis van Gods gebod te laten doorklinken.
Stellig heeft ook de Lutherse tweerijkenleer een nadelige invloed uitgeoefend op de houding van de kerk inzake de overheid. Ook dat vormt een punt van bezinning. Rechte theologie eerst de overheid als Gods dienares, maar zal juist daarom kritisch staan tegen elk overheidshandelen dat vloekt met recht en gerechtigheid. Gehoorzaamheid is geen slaafse gedweeheid. Het rechte verstaan van Romeinen 13 leidt juist tot een onderkennen van de eigen verantwoordelijkheid van de kerk in de samenleving. Loyaliteit sluit kritiek niet uit. De vrijheid van de kerk is de vrijheid van het evangelie dat aan geen enkele macht of ideologie onderworpen is. Zo alleen komt er ruimte voor getuigenis en voorbede ook voor overheid en volk.
In de derde en niet in de laatste plaats is er het geding om Israël. Het slepend conflict tussen Israël en de Palestijnen kan maar al te gemakkelijk leiden tot anti-joodse gevoelens. Om misverstand te voorkomen: Solidariteit met Israël is geen blinde liefde die kritiekloos elke politieke daad van Israël zegent. Maar waar het om gaat is dat gerechtvaardigde kritiek geen voedsel mag geven aan sluimerend antisemitisme. We zullen ons daartegen alleen maar kunnen wapenen als we het bijbels getuigenis aangaande de trouw van God jegens zijn volk — en dat raakt ook land en volk — opnieuw leren verstaan, ten diepste als we Christus niet losmaken van het volk waaruit Hij geboren is.
Ik meen dat deze drie onderscheiden punten toch samenhang vertonen: Tegen de valse binding aan eigen belangen en aan de tijdgeest, tegen een slaafse gehoorzaamheid en tegen een latent anti-judaïsme is maar één geneesmiddel: Het Woord van Hem, die tot Israël en via hen tot ons zegt: Hoor, Israël, de Heere is onze God, de Heere is een. En direct daarmee verbonden: Het leven uit dit Woord in de vreze des Heeren die ons doet onderscheiden waar het op aankomt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk en de jodenpogrom van november 1938 (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's