De actuele situatie
Hoe ver mag een synode gaan? (3)
Dit brengt mij tenslotte nog tot enkele concrete vragen en richtlijnen. Uit Handelingen 5 mag duidelijk zijn, dat een synode bijeenkomt om het welzijn van de gemeente te dienen en intussen geen macht dient uit te oefenen over de gemeente. Een synode heeft naar de gemeente toe een dienende functie. Daarbij kiezen we overigens uit overtuiging voor een presbyteriaal-synodale kerkinrichting. Het congregationalisme, waarbij alle nadruk ligt op de plaatselijke gemeente, zonder dat er sprake is van een organisch verband, landelijk of regionaal, betekent in feite dat het individualisme wordt bevorderd. De gemeenten vormen samen de kerk van Christus en zijn zo ook samen in de ambtelijke vergaderingen bijeen.
De heer R. Matzken heeft een boek geschreven over gemeentegeschiedenis. Hij mijdt daarin het woord kerkgeschiedenis. Dit duidt op een congregationalistische opvatting inzake het kerk- en gemeentezijn. Wij kiezen uit volle overtuiging voor een presbyteriale-synodale kerkinrichting. Wil er geen chaos en willekeur in de gemeenten zijn, dan zal het ook om orde en regelgeving gaan binnen de gemeenten in hun onderling verband. Dat kan alleen vanuit een synode gebeuren.
De les van de evangelische gemeenten, die in de afgelopen decennia her en der verrezen zijn, is, dat deze gemeenten als los zand aan elkaar hangen, vaak een heel eigen ontwikkeling en inrichting van het gemeentelijk leven krijgen en geen onderlinge consistentie vertonen.
In een presbyteriaal-synodale kerkinrichting gaat het ook om het gemeenschappelijk getuigenis geven in lofzegging, belijdenis en dienst. Zo kunnen we ook spreken van een belijdende kerk. Een belijdende kerk is altijd méér dan een belijdende gemeente. De belijdenissen van de kerk der Reformatie dienen — zoals altijd belijdenissen functioneren — als accoord van kerkelijke gemeenschap, als saambindend element van de gemeenten. De kerk belijdt altijd in gezamenlijkheid.
In het Oude Testament vinden we de belijdenis: 'De Heere onze God is een enig Heere' (Deut. 6 : 4). Dit is de belijdenis van gàns Israël, van het geheel van de gemeente van het Oude Verbond. In het Nieuwe Testament voegt zich daarbij de belijdenis 'Christus is Heere, Christus is Kudos'. Ook dat is een belijdenis van alle gemeenten. En zo zijn gevolgd het Apostolicum en de belijdenissen, die in de kerk der eeuwen hun bedding hebben gevonden als accoord van kerkelijke gemeenschap.
Als het goed is, waakt de kerk in haar ambtelijke vergaderingen dan ook over het rechte belijden. Dit belijden wordt terecht gezien als een stok om te slaan, een staf om te gaan en een lied om te zingen.
Een staf om te gaan, dat wil zeggen: de belijdenis voert ons mee langs de heilige leer, opgediept uit de Schriften.
De belijdenis is een stok om te slaan, dat wil zeggen: ze weert alles wat het belijden der kerk weerspreekt.
En de belijdenis is een lied om te zingen. Daarin wordt getuigenis gegeven naar binnen en naar buiten van de grote daden Gods, van de Magnalia Dei.
Eigentijds
Zo kan een kerk ook geroepen zijn tot eigentijds belijden. Ze kan met concrete boodschappen ingaan op concrete situaties, waar het Woord van God het profetisch licht over doet schijnen. Zo hebben in de Tweede Wereldoorlog Duitse christenen zich verenigd rondom de Barmer Thesen, waarin de demonie van het nationaal-socialisme werd afgewezen.
Wanneer de kerk zo eigentijds spreekt en belijdt, zal wel duidelijk dienen te zijn, dat de zaak van het Woord van God in het geding is, dat het om kwesties gaat, waarin het Woord van God duidelijk richtinggevend is. Eigentijds belijden staat vrijwel altijd haaks op de communis opinio, haaks op de tijdgeest. Het gaat daar kritisch op in, omdat het Woord Gods daar kritisch op ingaat.
In toegespitste vorm kan het betekenen, dat zo het getuigenis van de kerk het martelaarschap oproept.
Prof. dr. A.A. van Ruler heeft er vaak op gewezen, dat het niet voor niets is, dat de naam van Pontius Pilatus in het Apostolicum voorkomt. Onder hem heeft Christus speciaal geleden, onder de burgerlijke rechter.
Welnu, zo zou het een teken van de eindtijd kunnen zijn, dat de kerk weer tot voor koningen en overheden toe moet belijden, wat het Woord Gods te zeggen heeft, en dat ze dit getuigenis met de dood zal moeten bekopen. De kerk mag en zal actueel belijden, maar dan overeenkomstig het Woord, naar het belijden der kerk. En dit belijden zal lijden oproepen. Maar intussen blijft staan: zo zij niet spreekt naar het Woord er zal geen dageraad zijn.
Het zal de kerk in haar ambtelijke vergaderingen een zorg zijn, dat de dienaren des Woords en de gemeenten gaan op de weg van het belijden van de kerk der eeuwen, gebonden aan haar eigen belijdenis, die een accoord van kerkelijke gemeenschap wil zijn.
Het zal de gemeenten echter wederkerig een zorg zijn, dat de kerk hoedster is van dat belijden, dat is naar het Woord.
Zo is er de wisselwerking tussen de presbyter van de gemeente en de ambtelijke vergaderingen der kerk. Ze zijn er om elkaar te dienen.
F. In concreto
We noemden in het begin reeds onze Nederlandse Hervormde Kerk, die in 1951 van onder het juk van de Reglementenbundel van koning Willem I is uitgekomen en zo ook van onder het synodale juk, waaronder de gemeenten, zeg dus ook de kerk, bijna anderhalve eeuw hadden gezucht. De vraag is nu hoe de situatie geworden is ná 1951.
We zullen in dankbaarheid moeten erkennen, dat in de naoorlogse jaren, toen de Hervormde Kerk weer sprekende kerk werd naar buiten, er soms heel goede herderlijke geschriften uitgegeven zijn. We denken aan de geschriften over de Pinksterbeweging, over de kerkelijke verantwoordelijkheid voor de politiek, over ambt en avondmaal. Er zijn ook soms heel slechte geschriften geschreven. Geschriften, die zich niet verdragen met de leer der Schriften. We denken aan het geschrift 'Revolutie en gerechtigheid'. Maar ook geschriften over dogmatische themata, bijvoorbeeld inzake de verkiezing en de verzoening waren niet altijd conform datgene, wat in de belijdenis van de Reformatie beleden wordt.
Evenwel werd in die herderlijke geschriften, ook wanneer er nieuwe wegen werden gegaan, dit nieuwe belijden niet dwingend opgelegd aan de gemeenten. In prediking en pastoraat bleef er de vrijheid om de weg van Schrift en belijdenis te gaan.
Gemeenschap
Intussen weten we ook, dat de discussie, die, voorafgaand aan de invoering van de Kerkorde, gevoerd werd over de uitdrukking 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' niet dat heeft gebracht, wat de gereformeerde belijders in de Nederlandse Hervormde Kerk daarvan hoopten. Gemeenschap met de belijdenis der vaderen betekende toch niet echte binding aan de belijdenis der vaderen. Hoewel de uitdrukking 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' een bijbelse notie is (de koinonia van Hand. 2) en hoewel daarin een bevindelijke, geestelijke dimensie ligt, namelijk de religie van de belijdenis, toch moeten we zeggen, dat de praktijk van het hervormde, kerkelijke leven na 1951 heeft geleerd dat ieder, die zègt in gemeenschap met de belijdenis der vaderen te zijn, overeenkomstig artikel 10, ook geàcht wordt in gemeenschap met de belijdenis der vaderen te zijn. Hoewel dit vaak betekent dat leringen worden verkondigd of aangehangen, die volstrekt in strijd zijn met de belijdenis van de Reformatie.
Daarom hebben vele gemeenten in deze hun eigen verantwoordelijkheid verstaan en hebben zich in prediking, pastoraat, uitoefening van het ambt, wel gebonden geweten aan de belijdenis van de kerk der Reformatie als accoord van kerkelijke gemeenschap. Maar hier ligt dan ook een concreet spanningsveld tussen de plaatselijke gemeente en de landelijke kerk. Als de plaatselijke gemeente de mazen nauwer uitzet dan de landelijke kerk doet, dan móet er wel sprake zijn van een spanningsveld. De praktijk leert, dat in de hervormde gemeenten van gereformeerde signatuur niet alles wordt aanvaard, wat door de synode wordt gedebiteerd. Intussen ging er een wissel om, toen gemeenten, zoals eerder gezegd, middels de motie van juni 1989 over homosexualiteit in een dwangbuis werden geperst; omdat ze namelijk van hun vrijheid werden beroofd om tucht te oefenen daar, waar ze dat naar eer en geweten naar Schrift en belijdenis nodig achtten.
Spanning
De hervormde synode is, na de grote commotie, die erover is ontstaan later op haar schreden teruggekeerd, maar er is toch een heikele situatie ontstaan, waarin een nieuw spanningsveld tussen de landelijke kerk en de plaatselijke gemeente duidelijk aan het licht trad. Uiteindelijk zal niet het synodale gezag doorslaggevend zijn, maar gaat het in de gemeente om het gezag van Christus, die wandelt temidden van de gouden kandelaren. Christus oefent gezag middels Zijn Woord en door de Geest. Wij zullen Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen of menselijke instellingen. Dat geldt ook, wanneer organen der kerk, al zijn het dan ook ambtelijke organen, wegen gaan die zich niet verdragen met het Woord Gods. Dan geldt ook de mondigheid van de gemeente zelve. Dan is kerkelijke ongehoorzaamheid geboden. De kerkelijke praktijk van de vrouwen in het ambt is daarvan een sprekend voorbeeld. En als de hervormde synode de uitspraak doet, dat datgene toeláátbaar is, wat de Schrift verbiedt, namelijk inzake homosexuele praxis, dan zal ook de synode vanuit de gemeente in het aangezicht moeten worden weerstaan.
Tenslotte
Tenslotte. Als een synode zorg zal hebben vóór en dienstbaar zal zijn áán de afzonderlijke gemeenten, dan zal er ook in de afzonderlijke gemeenten meeleven zijn met het geheel der kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen. Als Paulus in 2 Cor. 11 opsomt, wat hij allemaal terwille van het Evangelie heeft moeten verduren, zegt hij, dat hem bovendien dagelijks de zorg om al de gemeenten overvalt (vs. 28). Dat zijn bepaald niet gemeenten, waarin overal gelijk wordt gedacht. Hij moet de gemeenten van de Galaten en de Corinthiërs soms scherp aanspreken en berispen op grond van opvattingen, die afwijken van de gezonde leer.
Zo zal een ambtelijke vergadering, een synode, eveneens zorg dienen te hebben voor al de gemeenten. Zo niet, dan ontstaat vervreemding tussen de kerk als geheel en de gemeenten afzonderlijk. Anderzijds mag er vanuit elke gemeente meeleven, meebidden, meedragen zijn van de kerk als geheel, dat wil zeggen: van alle gemeenten te zamen.
Ons behoren tot de Nederlandse Hervormde Kerk, zo schreef ik eerder, verplicht ons tot de voorbede, om de bediening des Geestes voor de hele kerk en om meeleven en meelijden met de hele kerk, dat wil zeggen met alle gemeenten. Want de Kerk is meer dan de plaatselijke gemeente. Het gaat om de gemeente van alle tijden en van alle plaatsen en wanneer we alle plaatsen zeggen, dan geldt ook vandaag, dat de gemeente zich niet openbaart aan één bepaalde plaats, maar verspreid is over de gehele wereld. Soms is ze klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen, maar ze komt openbaar ook in plaatsen, die niet tot ons territoir behoren. En toch oefenen we als gemeenten samen gemeenschap der heiligen in het ene ware geloof.
P.S.
Naar aanleiding van de artikelen van mijn hand van de laatste weken over het thema 'Hoe ver mag een synode gaan'? werd ik geattendeerd op een boekje van drs. W. Kats 'Ons Geloof' (uitgave Filippus, Arnhem), waarin hij een korte toelichting geeft op alle woorden van de apostolische geloofsbelijdenis. In mijn eerste artikel merkte ik op dat de Concordantie op de Bijbel het woord gemeente vele malen vermeldt en het woord kerk niet. In 'notities' aan het eind van het hoofdstukje, da handelt over 'Een christelijke Kerk' merkt drs. Kats evenwel hetvolgende op (we neme ook het overige van deze 'notities' erbij op):
'Kerk komt van kuriakè: (wat) van de Heer (is); volgens sommigen van circus, begrensde ruimte (Barth); in het N.T. is het ecclesia: oorspronkelijk; volksvergadering. Hand. 19 : 32, 39; geroepen volk van God (hebr. kahal, Deut. 5 : 22). Jezus gebruikt het twee keer: Matth. 16 : 18; 18 : 17. Meestal is het plaatselijke gemeente, Hand. 8 : 1; 20 : 17; soms de kerk als geheel, Hand. 9 : 31; ook huisgemeente, Rom. 16 : 5; ook meervoud: gemeenten samen, 2 Cor. 12 : 13. Het is de gemeente van God (1 Cor. 1 : 1), van Christus (Rom. 16 : 16), van de Geest, Hand. 2. In het Credo ook het eerste werk van de Geest. De kerk is de kethedraal van de liefde (Van Ruler). Nog enkele onderscheidingen: strijdende kerk (op aarde), triomferende kerk (in de hemel); zichtbare kerk (organisatie, samenkomsten); onzichtbare kerk (alle gelovigen samen); jonge kerk (in zendingsgebieden), kleine kerk (een huisgemeente als onderdeel van een wijkkerk, ds. F.H. Veenhuizen); wereldkerk (het totaal); christelijke kerk (christelijk stond oorspronkelijk niet in het Apostolicum; sinds 1000; eigenlijk overbodig)!
Volgelingen van John Darby (1800-1882) noemen zich: Vergadering der gelovigen, en hebben geen ambten. Allen zijn broeders!
De kerkorde is het 'huishoudelijk reglement' van de kerk, 1 Cor. 14 : 40, met regeling van de ambten, de vergaderingen, het werk van en de tucht in de kerk, en van de betrekkingen met andere kerken. N.G.B. art. 30.
Berkhof noemt de kerk de nieuwe verbondsgemeenschap, die de Geest tot stand brengt. Hij ziet 3 aspecten: instituut, gemeenschap en apostolaat. Het instituut heeft 9 elementen: onderricht, doop, preek, gesprek, avondmaal, diaconie, eredienst, ambt en kerkorde. Bij gemeenschap denkt hij aan het lichaam van Christus (Rom. 12, 1 Cor. 12). Bij apostolaat gaat het om (op een brug-gebeuren naar de wereld.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's