De lessen van Job en zijn vrienden
Uit de geloofspraktijk (6)
Wanneer iemand het moeilijk heeft, kunnen door ambtsdragers doch ook wel door niet-ambtsdragers ware en mooie woorden worden gesproken die toch van weinig waarde zijn òf zelfs de moeilijkheden groter maken. Doordat men zich niet kan inleven in de situatie, waarin de ander verkeert, missen al die ware en mooie woorden doel en slaat men de plank volkomen mis.
Job
Inzake het bovenstaande is de geschiedenis van Job en zijn drie vrienden erg leerzaam. Hoe men het ook wendt of keert, die drie vrienden zeggen geweldige dingen. Wij zeggen: mooie, bijbelse dingen. Losgemaakt van de ellendige situatie waarin Job verkeert, kunnen wij ons inderdaad verbazen over de 'waarheden' die zij te berde brengen. Er is ogenschijnlijk geen speld tussen te krijgen. Hun vroomheid en wijsheid maakt diepe indruk op ons. Onze ziel zegt op hun woorden: het zal waar en zeker zijn. Jazeker, het zal waar en zeker zijn, doch wel in geheel andere omstandigheden. Want wanneer wij de 'waarheden' van de drie vrienden bezien in de situatie van Job, wordt het ons duidelijk dat zij niet weten van de zware worstelingen die Job kent. Totaal vreemd zijn zij aan de aanvechtingen waarmee Job dag en nacht worstelt. Om die reden hebben alle mooie en ware woorden van zijn drie vrienden alleen dit maar tot gevolg, dat de aanvechtingen in Jobs leven steeds talrijker worden. En een gevolg daarvan is weer dat zijn drie vrienden hoe langer hoe meer op hem neerzien. Zij weten niet dat God hem oefent voor de strijd des geloofs. De diepten waarin Job geworpen wordt, zijn geen bewijs dat God hem heeft verlaten, maar deze diepten laten veeleer zien dat God Zijn genade in Job wil verheerlijken.
Een les
De geschiedenis van Job en zijn vrienden leert ons, dat wij niet moeten neerzien op hen die worden aangevochten. Ook niet moeten wij snel klaar staan met allerlei mooie en prachtige woorden, of de aangevochtenen gaan betichten van klein geloof of ongeloof. Terecht merkt Woelderink in dit verband op, dat het niet altijd de zwakke zielen zijn die door het minste briesje heen en weer geschud worden. Ook de zogenaamde sterke bomen der gerechtigheid kunnen bij een flinke storm wel eens bijna ontworteld raken. Job is geen stok en geen blok. Gelijk alle gelovigen geen stokken of blokken zijn. Zij allen zijn mensen. En wanneer God aan de voering van het leven komt, ondergaan zij dit niet gelaten, doch kunnen zij hun vragen bij dit alles hebben. Daarom: laten wij niet al te snel met allerlei dierbare en mooie woorden klaarstaan. Zoals Job licht heeft ontvangen over de oorzaak van zijn aanvechtingen alsmede over de aanvechtingen zelf, zo zal ook de christen die een ander in zijn aanvechtingen wil helpen daarover licht moeten krijgen. Dat licht krijgen moet men goed verstaan. Ik bedoel daarmee niet dat een stem uit de hemel wordt vernomen die zegt wat de oorzaak van de aanvechtingen en de aanvechtingen zelf zijn. Wanneer de Heere dat openbaart, zo is dat altijd vanuit Zijn Woord. Naar uit- of inwendige stemmen moeten wij niet uitkijken. Evenmin naar uit-of inwendige lichten. Waar wij wel naar mogen uitkijken is dat de Heere ons vanuit Zijn Woord door Zijn Geest licht verschaft over de situatie waarin de ander verkeert. Ook in de aanvechtingen waarin iemand verkeert, want alle aanvechtingen zijn bepaald niet dezelfde. Om die reden kan men bij totaal verschillende aanvechtingen niet dezelfde woorden uit het Woord spreken. Voor onderscheidene aanvechtingen zijn onderscheidene woorden Gods. Wie dit bedenkt als ambtsdrager of als gelovige, zal beducht zijn om woorden te spreken die in die situatie helemaal niet passen.
Wat te doen?
Wellicht zijn er onder ons die aangevochten worden. Wat moeten zij doen? Zonder op specifieke aanvechtingen in te gaan — want die ken ik van sommigen niet — geef ik deze algemene stelregel door: slaat het oog maar op Hem Die is neergedaald in de diepten der hel en Die op die plaats de duivel heeft overwonnen. Met Pasen in de rug, mag immers gezegd worden dat de opgestane Christus over alle machten getriomfeerd heeft en de kop van de satan heeft vermorzeld. En omdat Hij dit heeft gedaan, die beste Zaligmaker, behoeft een aangevochtene in zijn aanvechting niet om te komen. Nooit vergeten: uit welke aanvechting ook, u kunt daaruit gered worden tot heerlijkheid van Gods genade! Laat daarover nooit iemand twijfelen! Laat daaraan nooit iemand wanhopen! Wie nooit van aanvechtingen last heeft gehad, zal het niet begrijpen wanneer ik schrijf dat het wel eens zo moeilijk kan worden, dat men zichzelf wat wil aandoen. Ik ga hierop nu niet verder in, maar uit de geschiedenis van de kerk is aan te tonen dat kinderen Gods in hun felste aanvechtingen zichzelf wat hebben willen aandoen. Wie ook ooit die neiging gevoelt, laat hij daaraan vooral niet toegeven. En wel om drie redenen niet. In de eerste plaats wil God het niet dat een mens de hand aan zichzelf slaat. De Heere wil leven, uw leven. Door heel het Woord heen kan men dit lezen. In de tweede plaats moet men er nooit aan toegeven om de hand aan zichzelf te slaan om reden dat men schepsel Gods is. Voor Gods aangezicht mag men mens zijn. Bovendien moet men nooit vergeten, dat er niet alleen een barmhartige, doch ook een medelijdende Hogepriester in de hemel is Die in al onze benauwdheden benauwd is geweest en Die Zich te allen tijde over ons wil en kan ontfermen. De duivel is machtig, maar de Heere Jezus heeft alle macht. Daarom moeten wij de duivel nooit zijn triomf gunnen. Een derde oorzaak waarom ik zeg, dat men zich nooit iets moet aandoen, zelfs niet in de felste aanvechtingen, vindt zijn oorzaak in het leed dat men familieleden aandoet. Misschien niet zo belangrijk als de eerste twee redenen, maar laten wij deze derde reden toch niet helemaal onderschatten. Het leed dat achterblijvenden kennen, juist in een geval van suïcide van een geliefde is met geen pen te beschrijven. Soms komen daarbij dan nog de scherpste verwijten naar hem of haar die de hand aan zichzelf heeft geslagen, en wat vrijwel altijd gebeurt is dit, dat de vraag wordt gesteld: waar zou hij of zij nú zijn? Doorgaans zijn de meeste mensen met hun antwoord op deze vraag snel klaar. Althans veel sneller klaar dan sommige oud-vaders — ik denk nu in het bijzonder aan Van der Kemp — die stelden: wie ons oordeelt is de Heere. Laat ook dit onze stelregel maar zijn en maar nooit een oordeel uitspreken over een andermans staat. Laten wij maar vragen om hiervoor altijd bewaard te blijven, nl. dat wij onszelf wat zouden aandoen. Wie zegt dat dit hem of haar nooit zal gebeuren, weet nog niet hoe erg men aangevochten kan worden, zelfs na eens ontvangen genade. En wellicht dat ik moet schrijven: juist na ontvangen genade. En dan is het pure genade, wanneer men evenals Job wordt vastgehouden. Voorts moeten wij maar bedenken, dat ook kinderen Gods nergens te goed voor zijn, wanneer de Heere hen niet vasthoudt. Daarom zij hun dagelijkse bede dat zij vastgehouden worden.
Verachteren in de genade
Meer dan eens lezen wij in het Woord dat gelovigen verachteren in de genade. Een voorbeeld daarvan lezen wij in Mattheüs 25 (de wijze en de dwaze maagden waren beide in slaap gevallen). In Openbaring 2 lezen wij dat de gemeente van Efeze haar eerste liefde had verlaten. Trouwens, ook in Hooglied 5 lezen wij van een slapende bruid. Ofschoon meerdere keren in de Schrift wordt gezegd: 'waakt!' en 'ziet toe, dat niet iemand verachtere in de genade', zo gebeurt het toch menigmaal dat iemand verachtert in de genade. Te denken valt o.a. ook aan David. Hij valt niet alleen in de geweldig zware zonde van overspel en doodslag, maar hij blijft daar net zolang in liggen totdat God hem door Nathan laat waarschuwen en tot boetvaardigheid brengt. Ook zijn zoon Salomo verachtert in de genade. Wat begint deze zoon goed. Wat een liefde toont hij voor God te hebben. Wat is hij een man met een nederig gemoed. En toch leest men na verloop van tijd dat Salomo zo ver van God en Zijn dienst afwijkt dat hij zich niet alleen afgeeft met vreemde vrouwen, maar zich vooral laat overhalen tot afgoderij. Hoe is het mogelijk en dat voor een kind van God! Dit alles wil ons intussen leren, dat wij kinderen Gods maar nooit op de handen moeten dragen en ze niet moeten féteren, maar dat wij wel het werk Gods in hun leven mogen bewonderen. Zo moeten wij dat doen bij een David en een Salomo. Hun verachteren in de genade daarentegen mocht voor ons een waarschuwing zijn om niet in hun wegen bij de Heere vandaan te gaan.
Om de zaak van het verachteren in de genade helder te stellen, moet ik wel neerschrijven, dat alle verachteren nog geen verachteren in de genade is en dat men zelfs zich moet afvragen of er wel altijd van verachteren sprake is. Ik denk zo aan Demas. Een man die een tijdlang laaiend enthousiast is geweest en van wie wij toch op een bepaald ogenblik lezen dat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. Hij zei als het ware tegen Paulus: 'Ik ga weer terug naar mijn geboortestad en ik neem mijn oude beroep weer op. In dat uitdragen van het Evangelie zie ik niet zoveel en de lasten en de moeiten daarvan zijn mij teveel.' En toen heeft Demas de apostel Paulus alleen gelaten. Nu denk ik niet dat je in het geval van Demas van verachteren in de genade kunt spreken. Ik denk dat je van zijn geloof kunt zeggen, dat het een soort tijdgeloof is geweest. Maar dat geloof had geen wortel, omdat de wortel der zaak werd gemist.
Voorts moeten wij niet vergeten, dat een krachtige overtuiging een mens heel ver kan brengen en soms zelfs heel veel zondekennis kan doen bezitten maar dat het uiteindelijk toch niets is. Het gebeurt wel dat mensen met een krachtige overtuiging kunnen vertellen welk een groot zondaar zij zijn en wat er allemaal in hun hart leeft, maar dat zij tenslotte toch weer in de wereld belanden, omdat zij evenals een Judas en een Demas in de Zaligmaker teleurgesteld werden en geen liefde voor Hem bezaten. Niet moet door ons vergeten worden, dat echte smart over de zonden ons weinig daarover doet zeggen tot de mensen, maar veel tot de Heere. Trouwens, laten wij daarvoor oppassen om tegen mensen te zeggen, hoe groot zondaar wij zijn. Mensen kunnen ons niet helpen. En nogmaals: wanneer er werkelijk droefheid over de zonde is en de zonde ons tot schuld voor God is geworden, zullen wij weinig bij de mensen worden aangetroffen, doch veel aan de genadetroon van God.
Wat wel zeker uit het bovenstaande is op te merken is dat een krachtige overtuiging een mens ver kan brengen en toch weer tot de wereld kan doen terugkeren. Met andere woorden: in dat geval kan niet van verachteren in de genade gesproken worden, want er was geen genade. Hierover kan alleen gesproken worden, wanneer er in het geloof een band met de Heere Jezus is en men ondervindt dat die band op den duur almaar minder wordt. Eerst was Heere Jezus alles. Het werd uitgeroepen, dat Hij de liefste was. Zelfs werd wel eens het rijmpje in het hart aangetroffen en door de mond uitgesproken: 'Weg wereld, weg schatten; gij kunt niet bevatten, hoe rijk ik wel ben. Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, wiens eigen ik ben'. Hoe komt het dan toch dat er een verachtering in de genade kan ontstaan, terwijl men eerder zo goedmoeds was? Er zijn nogal wat oorzaken hiervoor op te sommen. Doch hierover een volgend keer meer.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's