Waarom schrijf ik gedichten? (2)
Ja, en hoe is het nú?
Jullie hebben wel gemerkt dat ik tot nog toe veel in de verleden tijd gesproken heb... Het is als het ware een eenheid, de gedichten uit 'Mijn tijden zijn in Uw Hand' en die moeilijke periode in mijn leven. Maar is dat dan nu voorbij?
Ja èn nee…
De diepte van die periode en de diepe noodzaak tot schrijven en dichten is voorbij. Toch heeft het nog verschillende jaren geduurd voordat ik weer enigszins 'normaal' kon functioneren. God heeft allerlei wegen geopend, waardoor we stukje bij beetje steeds meer inzicht kregen, wat er nu eigenlijk allemaal aan de hand was. Allemaal stukjes van een legpuzzel, die langzamerhand op z'n plaats terechtkomen. God heeft ook middelen gegeven, waardoor m'n lichamelijke conditie verbeterde.
De weg terug is niet gemakkelijk geweest. Ik moest opnieuw leren leven. Met een nieuwe basis: vertrouwen op God. Die zekerheid door alles heen: Hij zorgt voor me. Hoe het ook gaat, waar het ook uitkomt — Hij zorgt voor me. Vandaar ook de titel van de gedichtenbundel 'Mijn tijden zijn in Uw Hand'.
Groeiproces
Ik zit nog steeds in een groeiproces. Misschien ervaart ieder mens dat wel in zijn of haar leven. Ik ervaar het zó, dat ik na jaren van staan aan de rand van het leven, moet groeien tot een 'heel' mens. Héél in de zin van volledig mens zijn in relatie tot anderen. Héél ook in de zin van deelnemen aan het volle leven. Maar vooral héél vanuit het leven met God. Leren leven vanuit de genade van de Heere Jezus Christus, en zó, door de heiliging die Hij ook in mijn leven wil uitwerken, gaan leven tot Gods eer in de relatie met Hem en met de naaste.
In het praktische leven word ik nog vaak belemmerd. Ik blijf beperkte energie houden, waarmee ik moet woekeren èn in verantwoordelijkheid mee moet leren omgaan. Dat is vaak moeilijk. Ik wil altijd meer dan dat ik kan. Maar het is ook góed. Het houdt me klein en afhankelijk van God. Dus dat maakt wel duidelijk: enerzijds is die moeilijke periode van mijn leven voorbij en anderzijds blijft het leven nog vaak een worsteling, een strijd met m'n beperkingen èn met m'n oude natuur. Dat brengt me ook van tijd tot tijd wel weer tot dichten. Minder vaak, dat wel, maar af en toe moet er toch weer iets van mijn hart en als het ware 'tastbaar' worden op papier.
Daarbij heb ik nog steeds niet 'de ander' op het oog. Misschien komt dat ook nog wel eens, dat ik ga dichten voor mijn medemens. In het verlangen om iets te betekenen voor anderen. Maar de belangrijkste voorwaarde om te komen tot dichten is voor mij eigenlijk de omgang met God. Zó in het Woord lezen en leven, dat ik ervan vervuld raak. Dat het m'n hart en m'n denken vult, zodat het als het ware in me gaat zingen en een uitweg zoekt. En dáár schort het helaas vaak aan.
Naarmate ik weer meer in het gewone leven mijn plaats ben gaan innemen, merk ik dat ik daar minder aan toe kom. Dat vind ik verdrietig, ik mis het ook.
Herkenning
Wat dat betreft, kan ik Floris Bakels een beetje begrijpen, als hij schrijft in zijn pas verschenen boekje 'Dertien dagen in mei', dat hij eenmaal in de vijfjaar terugkeert naar het kamp Natzweiler, waar hij krijgsgevangene is geweest. Hij gaat daar niet heen om de herinnering aan alle bijgewoonde en zelf doorstane gruwelen levend te houden, maar om weer iets van het wonder van Gods onmiddellijke en bijna voortdurende nabijheid in Jezus Christus te beleven.
Hij gaat uit heimwee naar wat hij tóen ervaren heeft, maar hij vindt het niet meer zó terug. Waarom niet?
Hij zegt: 'Misschien moet je, om dat wonder te ervaren, een verschoppeling zijn, een slaaf, ziek, hongerend, bedreigd, oog in oog met de duivelse macht. En niet een gezonde, weldoorvoede meneer niet een naam, met vrouw en kinderen, een huis, andere bezittingen, komend en straks weer vertrekkend per auto.'
Daar zit veel waarheid in, denk ik. Erg genoeg schijnt het met ons mensen zó te zijn, dat we naarmate we meer zelf hebben en kunnen, we minder God nodig hebben, of in ieder geval minder afhankelijk van Hem zijn.
Ja, kùnnen... omdat we met ons eigen 'kunnen' Hem belemmeren. Herkennen jullie dat ook? Ik heb er vaak last van. Dan klaagt het me aan. Het is een strijd in m'n leven. Een strijd om dicht bij God te blijven. Om afhankelijk van Hem te zijn. Maar gelukkig hebben we het Woord, en daarin komt God dicht bij òns. Steeds mag ik zo weer bij Hem terugkeren, om in Zijn Woord weer Zijn liefde te ontdekken en Zijn genade als het ware te 'proeven'. Als we het Woord niet hadden, dan zou geloven onmogelijk zijn. Daarom is het zo belangrijk om vanuit een stukje discipline dagelijks stil te zijn met het Woord. Om Gods stem te horen en Zijn liefde te ervaren. Om Zijn leiding te ontvangen en Zijn bedoeling met ons leven te verstaan. Zodat je niet je eigen leven leeft, maar wandelt met God. Daarover gaat het volgende gedicht: In Uw Woord:
O God, ik moet het U belijden:
steeds loop ik weer bij U vandaan,
probeer ik zèlf mijn strijd te strijden
en zonder U de weg te gaan.
Tot U mij dwingt om stil te staan
en in Uw Woord — niet te vermijden —
mijn ogen naar U op te slaan,
mij in Uw liefde te verblijden.
U wil mij in Uw Woord ontmoeten,
opdat ik steeds verzekerd ben
dat Christus voor mijn schuld wou boeten
en ik U als mijn Vader ken.
Eerst dàn, als ik ben vastgelopen,
leer ik op Uw genade hopen!
Dagelijkse bekering
Je zou kunnen zeggen dat dit een dagelijkse bekering betekent: afzien van jezelf en opzien naar God. Mijn diepste verlangen is: zó vervuld te zijn met de liefde van God door het Woord en door de Geest, dat ik Hem van ganser harte ga loven, prijzen en danken met mijn leven, en misschien ook met mijn gedichten. Verlangen ook, om verlost te zijn van m'n oude 'ik', van de onvolkomenheid van m'n geloof. De strijd van Paulus eigenlijk. En ik kàn het niet laten om daar tóch nog een gedicht bij te lezen: Verlost te zijn...
Verlost te zijn van al mijn zonden!
Van al mijn dwarsheid tegen God.
Al heb ik veel genâ gevonden,
toch blijft die strijd mijn dagelijks lot.
Verlost te zijn van al mijn zonden!
Een nieuwe schepping ècht te zijn:
mijn oude 'ik' geheel verslonden,
in al mijn doen en denken rein...
Verlost te zijn, niet meer te leven
in onvolmaakte dienst aan God.
Verlost te zijn van zondig streven
naar schijngeluk en schijngenot!
Toch wéét ik dat de dag zal komen
dat deze bede wordt verhoord...
Dit weten vult mijn Toekomstdromen,
die enkele rusten op Gods Woord.
Ik breng dit alles bij mijn Herder.
Hij kent mijn onvolkomenheid.
Door Zijn genade kan ik verder...
Eens komt een eind aan deze strijd!
Predikantsvrouw
Voel ik me nu, speciaal als predikantsvrouw ook gedrongen tot het schrijven van gedichten? Ik heb zelf de neiging om dat direkt met 'nee' te beantwoorden. En waarschijnlijk hebben jullie ook al wel begrepen uit het voorgaande, dat het predikantsvrouw-zijn geen enkele rol gespeeld heeft.
Maar misschien ben ik me wel te weinig bewust van wat het predikantsvrouw-zijn inhoudt? Dat is natuurlijk voor iedereen verschillend. Ik voor mij, voel me in de eerste plaats gelovige, kind van God. En vanuit dat kind van God-zijn probeer ik in afhankelijkheid van Hem mijn plaats als vrouw en moeder in te nemen. Mijn plaats ook binnen mijn familie en de mensen die dagelijks op mijn weg komen. Daarbij kunnen ook mensen uit de gemeente zijn. Aan de telefoon of op de stoep. Of gewoon op straat of in de winkel. Op een heel gewone, ontspannen manier. De kramp om te beantwoorden aan wat er als predikantsvrouw van me wordt verwacht, ben ik wat kwijtgeraakt. Gelukkig, althans zo ervaar ik dat...
Dat hangt natuurlijk ook samen met m'n lichamelijke mogelijkheden. Ik ben al blij als ik m'n gezinnetje goed draaiende kan houden. Maar daarnaast heb ik een stuk ontspannen-zijn ontvangen, om met mijn gaven en mogelijkheden bezig te zijn in de dingen die God op mijn weg brengt, zoals bijvoorbeeld het zijn hier... Of zoals ik op het ogenblik bezig ben met schrijven van stukjes voor een maand in een bijbels kinderdagboekje. Of het gaan declameren hier of daar.
Dus het hoeft niet zo nodig binnen de gemeente te zijn. Wèl probeer ik mijn plaats naast mijn man in te nemen, waar hij me nodig heeft. Door open te staan voor hem, als hij wat kwijt wil. Door samen te zoeken om onze plaats binnen Gods Koninkrijk in te nemen. Door samen in de Bijbel te lezen en te bidden, en samen te praten over de preken.
Dat zie ik zelf eigenlijk als het belangrijkste van mijn taak binnen de gemeente. Dat ik mijn man blijf opscherpen om niet onder te sneeuwen in al het werk dat hij moet verzetten, maar om in de eerste plaats te zoeken naar de omgang met God. Samen èn ieder voor zich. En dan ben ik best ook wel eens kritisch naar aanleiding van de preken. En dat màg ook, denk ik. Als het maar in opbouwende zin bedoeld is, niet om af te breken...
Respekt
Maar ik wil de manier waarop ik mijn plaats zie als predikantsvrouw niet verabsoluteren. Ik heb respekt voor díe vrouwen die met hart en ziel zich geven aan het werk binnen de gemeente. En die zódoende een daadwerkelijke steun voor hun man zijn.
Misschien kunnen zij binnen dit werk hun gaven en talenten ontplooien, en iets van zichzelf géven ten dienste van de naaste.
Maar ik neem dus wèl de vrijheid om te zeggen: 'Mijn gaven en mogelijkheden liggen niet in deze richting, dus ik zoek op een andere manier mijn plaats in te nemen binnen het Koninkrijk van God.
En daarmee zoek ik het dus wijder dan binnen de gemeente. Zo ben ik bijv. behalve lid van een bijbelkring in de gemeente, ook gaan deelnemen aan een interkerkelijke studiekring voor vrouwen in de regio Veenendaal. Daar zitten ruim twintig christenvrouwen, die met elkaar vanuit verschillende achtergronden rond een stuk bijbelstudie met levens- en geloofsvragen bezig willen zijn. Vrouwen die heel gemotiveerd zoeken vanuit hun geloof in Christus in het dagelijkse leven bezig te zijn.
Ik heb daar heel veel ontvangen. Gemeenschap met andere christenen, herkenning en erkenning van het Godswerk in de ander. Het eenvoudig met elkaar dùrven spreken over je geloof in God en je relatie met God. Dat heb ik eerlijk gezegd vaak gemist binnen onze gemeenten. Die openheid moet nog veel groeien.
Ik denk dat het zó bezig-zijn in gesprek met andere christenen ten dele mijn bezig-zijn op papier heeft verdrongen.
Niet helemaal, maar je kunt je tijd en je aandacht maar aan één ding tegelijk besteden natuurlijk. En die ontmoeting met anderen op basis van het geloof is erg belangrijk voor me geworden. Dat is iets nieuws in mijn leven.
Remmingen
Het is ook opvallend, dat waar ik in het dagelijks leven best nog wel last heb van wat remmingen, dat die wegvallen bij ontmoetingen op basis van het geloof. Ik denk dat dat komt omdat je dan werkelijk openstaat voor elkaar en elkaar vindt in Christus. Dan kan ik mezelf kwijt, daar is ruimte voor... Het geeft in zekere zin een sfeer van geborgenheid, warmte en begrip. Het is iets van de gemeenschap der heiligen, denk ik. Elkaar vinden in Christus... Dat is ook de inhoud van het volgende gedichtje Ontmoeting:
Ik vind het moeilijk
een brug te slaan
naar de ander
maar
ik wil wel lopen
als de ander
een brug slaat
naar mij
en dan niet
langs elkaar heen lopen
maar
elkaar echt ontmoeten
een brug slaan
van hart tot hart
om elkaar te vinden
in dé Brug
Jezus Christus...
Samen dienstbaar
Het is fijn om samen te zoeken dienstbaar te zijn in het Koningrijk van God. Om toerusting te ontvangen om te leren getuigen van de hoop die in ons is. Om getuigen te zijn van Jezus Christus, om Zijn Naam groot te maken en te vertellen van Zijn daden.
Met woorden en in daden. Dàt is wat ik verlang en wat ook mijn en jullie opdracht is.
Het is zo verleidelijk om het geloof te zien en te beleven als enkel iets persoonlijks. Dat is eigenlijk nog wel veilig ook, dan kijkt er niemand achter de schermen...
Zo kun je, ook in het geloof, heel egocentrisch bezig zijn. Dan draait alles om het eigen heil en de eigen zaligheid. En verder komen we niet...
Maar laten we verder kijken en reiken. God heeft een bedoeling met ons. Hij wil ons inschakelen in zijn plan. Hij vraagt van ons alleen maar om daarvoor open te staan.
We leven tussen Pasen en Pinksteren.
Christus heeft ons verlost van de zonde en bevrijd van de dood. Hij wil ons Zijn Geest geven om ons te leiden en te leren Zijn wil te doen. We mogen aan Gods Hand door het leven gaan. Hij hééft alles gegeven en Hij wil alles geven...
Er blijft ons geen enkel excuus over om ons aan deze opdracht te onttrekken. Of het moet onwil zijn...
Wanneer Hij straks zal oordelen de levenden en de doden, zal Hij ook òns vragen: Wat heb jij voor Mij gedaan? Ik heb je Mijn liefde en genade willen schenken. Ik heb je Mijn Geest gegeven... Wat heb je ermee gedaan?'
Kunnen we dan zeggen: 'Ja maar, Heere, ik kòn het niet geloven? Ik wist niet, of het wel voor mij was... Ik heb Uw bedoeling met mijn leven niet begrepen...?'
Al deze excuses zullen ons uit de hand geslagen worden, zodat er niets anders overblijft dan ongeloof en ongehoorzaamheid. Dan is het net zoals bij het volk Israël als ze het land Kanaän niet mogen ingaan; zoals dat ook staat in Hebr. 3 : 19: En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof'
Maar als je dan verder leest in het volgende hoofdstuk, dan zie je dat God altijd weer opnieuw wil proberen ons erbij te trekken en te betrekken...
Want daar wordt de volgende psalm aangehaald:
'Zo gij Zijn stem dan heden hoort,
gelooft Zijn heil- en troostrijk Woord –
Verhard u niet, maar laat u leiden...'
Laten we dan allen, met elkaar en ieder voor zich, ons láten leiden, en ons overgeven aan de heerschappij van Christus. Om vanuit Zijn liefde en genade te leven en vanuit Zijn kracht onze plaats in Zijn Koninkrijk in te nemen. Levend in de verwachting van Zijn Wederkomst.
Niet in angst, maar in vertrouwen op Zijn volmaakte offer, als genoegdoening voor al onze zonden.
Dat wil je dan niet voor jezelf houden, maar dat wil je délen met anderen. Om anderen méé te trekken en erbij te betrekken. Zo wil God ons inschakelen. Dàt vraagt Hij van ons.
Laten we dan de gaven en talenten die Hij ons gegeven heeft, gebruiken in Zijn dienst. In ons gezin, in onze naaste omgeving, in de gemeente, maar óók daarbuiten, tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk.
Tot slot
|Jullie zullen je herinneren dat ik aan het begin het gehad heb over angst. Angst voor de dood. En hoe die angst mijn leven beheerst heeft.
Die angst is overwonnen. Hoe kan het ook anders? Christus is immers Overwinnaar van de dood? Het zegelied van Paulus in Romeinen 8 is ook mijn zegelied geworden: 'In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem die ons liefgehad heeft. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enige ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere'.
Dat heb ik ook verwoord in het gedicht 'De dood', waarmee ik wil besluiten, om te getuigen hoe de Heere Jezus mijn angst voor de dood heeft weggenomen. En hoe Zijn opstandingskracht genoeg is om te kunnen leven èn sterven...
De dood
Ik ben niet bang meer voor de dood.
O ja, ik kèn wel z'n verschrikken...
Ik wéét hoe angst je kan verstikken,
zodat je schreeuwt in grote nood!
En tòch durf ik het zó te zeggen:
Ik ben niet bang meer voor de dood...
Want Christus is mijn Bondgenoot.
Ik heb mijn angst àf mogen leggen.
Ik voel in Christus mij geborgen.
Ik durf het sámen met Hem aan...
Want Hij is immers vóórgegaan?
En Hij zal voor de Zijnen zorgen!
Hoewel mijn lichaam moet gaan sterven
en in de aarde straks verteert...
Mijn ziel mag léven — ongedeerd —
en eeuw'ge heerlijkheid verwerven.
Eens wekt Hij mij met naam 'loos velen,
om, net als Hij, weer op te staan...
Als ziel en lichaam sámengaan
en eeuwig in Zijn toekomst delen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's