Uit de Pers
Bevrijding herdacht
In bijna alle dag- en weekbladen is volop aandacht besteed aan de jaren 1940-1945. Gedenkdagen die herinneren aan het uitbreken van de oorlog in ons land op 10 mei 1940 en de definitieve bevrijding op 5 mei 1945. Ook in de kerkelijke pers viel erover te lezen. In In de Waagschaal van 5 mei 1990 schrijft ds. M.G.L. den Boer een artikel onder de titel 'Getuigen van de bevrijding'. Hij vertelt hoe dr. J.J. Buskes kort na de bevrijding, Pinksteren 1945, in het Concertgebouw te Amsterdam preekte voor meer dan 2000 mensen.
'Hij begon zijn preek met een herinnering aan Pinksteren in het eerste oorlogsjaar. Buskes was toen predikant in Rotterdam. "Het waren dagen van spanning. De eerste bommen vielen op de stad. Kerkdiensten konden niet worden gehouden. Op Pinkster drie kwam de ontzetting van het bombardement. Het waren dagen van verschrikking." Voor Buskes waren de vijf oorlogsjaren "een permanente ontkenning van de heilige Geest: gebondenheid, haat, verdriet, oorlog, ruwheid, slechtheid, trouweloosheid, hardheid en uitleven van de meest primitieve instincten." Zo heel anders dan de vruchten van de Geest. De heerlijkheid van Pinksteren was voor hem, dat hij tot de mensen in het Concertgebouw mocht zeggen: "Jezus is Heer, niet twee duizend jaar geleden, maar in mei 1945 na vijfjaar bezetting, na vijfjaar oorlog. Hij is middelpunt nu en hier." Hij stelde vast: Wij zijn bevrijd, om vervolgens in alle ernst te vragen: waartoe? "Wat zullen wij met onze vrijheid doen? De zaak weer op de oude voet voortzetten? Een gedeeld volk, vervreemd van elkaar, politiek, sociaal, cultureel, geestelijk? De kerk heeft in de vijf oorlogsjaren aan invloed gewonnen; wat zullen wij met die invloed doen?" (...) "Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. Vrijheid, om samen te leven voor Gods aangezicht, om samen God te verheerlijken, om samen het Godsrijk te verwachten, om samen te bouwen aan een volksleven naar Gods wil, om elkaar te verstaan en, verlost van de vervreemding, elkaar te vinden in een nieuwe gemeenschap." '
Dr. O. Noordmans
Ds. M.G.L. den Boer citeert in zijn artikel ook woorden van dr. Noordmans. Hoe ervoer hij de dag der bevrijding?
'Dr. O. Noordmans was verwonderd dat wij, na twee wereldoorlogen, nog niet "waren geworpen op het strand der eeuwigheid". Hij beleefde de bevrijding op 5 april 1945 als "een teken en zegel van het paasevangelie".
"Ik ruik nog de lucht op de avond der bevrijding op 5 mei, drie dagen na Pasen in 1945, toen wij uit de kelder kropen; het graf, waarin wij drie dagen gelegen hadden. Hoe zoet geurde toen de wereld. De avond was morgen geworden, de eerste dag (Gen. 1:5)."
Diepe indruk heeft deze ervaring op hem gemaakt. Ook in een andere meditatie getuigt hij ervan. "Ik denk aan de vier dagen, die ik met twintig anderen onder een zwaar granaatvuur in een kelder doorbracht. Het continuüm van de tijd, de ongescheiden duur, werd toen soms stukgebroken door een verborgen geweld, zoals een atoom gesplitst wordt in de ruimte. Tussen de ogenblikken wrong zich de eeuwigheid en in die eeuwigheid tussen de ogenblikken bewoog God zich met Zijn alom tegenwoordige kracht. Hij regeerde absoluut over wat er komen ging. Niet de samenhang der tijdsdelen bepaalde wat gebeuren moest, maar Gods vrije wil."
Uit het getuigenis van Noordmans tot slot nog één citaat: "Wij hebben in de oorlog beleefd, hoe een strenge orde de grootste wanorde kan betekenen. Zij was meer dan een storing. Deze wanorde had een zelfstandig bestaan. Zij vormde een eigen soort. Men spreekt de laatste tijd veel over een ontmythologisering van het evangelie. Alweer onvermoeid op Duitse instigatie. Ik hoor Mefisto al schaterlachen. Hij weet dat er dan voor één duivel zeven in de plaats komen. Romanschrijvers weten dat blijkbaar beter dan theologen. Thomas Mann heeft in zijn Doktor Faustus de Hitlerperiode in de geschiedenis van Duitsland als bezetenheid getekend. Als een grotesk geval van demonische Schweinerei." '
Wie na 45 jaar de balans opmaakt, kan zeggen dat ons de vrijheid nog altijd gelaten is. Dat geldt zeker ook de christelijke gemeente. Er is alle vrijheid om God te dienen naar Zijn Woord. Anderzijds is er, zei iemand in een preek op de zondag na de bevrijdingsdag 1990, nauwelijks reden om echt blij te zijn. Ons volk is nieuwe goden gaan dienen en wij horen als kerkmensen tot dat volk. De ontvangen vrijheid heeft geleid tot een hernieuwde gebondenheid aan de goden van de moderne genotscultuur: geld, drugs, sex.
In Oost-Europese landen laait nieuw antisemitisme op. Kort na de oorlog gaf H.M. van Randwijk al aan dat de vrijheid altijd wordt bedreigd. Ik citeer hem via het artikel van ds. Den Boer: De vrijheid wordt op duizend manieren bedreigd en wij kunnen haar op evenveel manieren verkwanselen en verraden. En in een gedicht zei hij het zo:
Het gaat nog altijd door.
Er is geen einde aan.
Joden en negers genoeg
om dood te slaan,
mensen te over
om een voor een te verraden,
woorden genoeg in de taal
om alles goed te praten.
Prof. dr. K. Schilder
Als er iemand in de jaren vóór het uitbreken van de oorlog, maar ook direct na de eerste oorlogsdagen helder en indringend gewaarschuwd heeft voor met name de geestelijke gevaren die ons volk bedreigden, dan is het prof. dr. K. Schilder wel geweest. Omdat het dit jaar 100 jaar geleden zal zijn dat prof. Schilder geboren werd (hij overleed 23 maart 1952), is er in de kerkelijke pers reeds de nodige aandacht aan deze 'grote' in de geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme van deze eeuw besteed. In de reeks 'Befaamde Theologen (uitg. Kok, Kampen) verscheen een deel gewijd aan K. Schilder, een keuze uit zijn werk, ingeleid en toegelicht door drs. G. Harinck. Wie overzichtelijk en in tamelijk kort bestek wil kennismaken met de gedachtenwereld van Schilder kan in dit boek uitnemend terecht. Te lezen valt zijn felle en openhartige uithaal in 1937 naar de NSB in een verkiezingspamflet van de ARP: profetisch van gehalte en toonzetting, indrukwekkend! Schilder ageert tegen de verleidelijke presentatie van de NSB als een zgn. christelijke politieke partij. Schilder had tijdens zijn promotiestudie in Duitsland (Erlangen) met eigen ogen en oren kunnen opmerken dat 'christelijk' alleen maar 'niet-joods' betekent. Een maand na de brutale inval van de Duitsers schrijft hij onverschrokken in 'De Reformatie' van juni 1940 zijn mening. Reeds in augustus 1940 krijgt 'De Reformatie' een verschijningsverbod opgelegd en dat kan lang niet van alle kerkelijke periodieken uit die dagen worden gezegd. De studeerkamer van Schilder werd door de Duitsers verzegeld en hij belandde voor drie maanden in de gevangenis. Ik citeer uit het geschrift dat drs. Harinck samenstelde een 'Gebed in oorlogstijd' dat in 'De Reformatie' van 14 juni 1940 te lezen viel.
'O Heere, Uw Woord is in der eeuwigheid, en Uw werken prijzen U. Gij hebt U hier een volk vergaderd, dat op vele malen en op velerlei wijze van U veel goeds gezegd heeft. O Heere, laat die woorden hun niet in het aangezicht slaan. – – De zonen van een rijk, dat in de laatste jaren soms een leer begunstigd heeft, die tegen Uw Woord ingaat, lopen ons huis voorbij. Ze kunnen ook verlangen, er in te komen. Ook onder die zonen zijn er, die Uw Naam belijden: laat ònze eden evenmin als de hunne in ons samenkomen U in het aangezicht weerspreken. Doe ons recht, o God, doe ons recht. En in alle geval: verheerlijk Uw Naam; want hiertoe zijn wij in deze ure gekomen, Vader. En laat ons het goede zoeken ook voor Duitsland, het enig goede, dat is de trouwe belijdenis van Uw Naam, en van Jezus Christus, onze Opperste Leidsman en Archeeg, onze Leider, onze Koning. En laat ons het goede zoeken voor ons eigen geslagen volk, opdat het niet door ons stilzwijgen nòg meer uiteengeslagen worde. Bewaar ons. Vader, voor verraad, tegenover U gepleegd. Bewaar, die over onze grenzen kwamen; Gij weet, voor hoelang; bewaar ze voor hetgeen onze gebeden zou verhinderen, en onze door Christus vrijgemaakte consciëntie zou willen onderwerpen aan een dienstbaarheid, die niet van Jezus Christus is, noch zich met Hem verdraagt. Bescherm onze kinderen, opdat de gesneuvelden onder hen niet zouden moeten worden benijd, als die weggenomen zouden zijn vóór de dag des kwaads. Heere, laat ons léven, léven. Leven met een vrije consciëntie. En neem onze zonden weg, want die zijn groot. Onze zonden van spreken en niet minder die van zwijgen. En zegen onze Souvereine, onze Koningin Wilhelmina, en haar Huis, en geef ons vrede over Europa; en doe ons vast geloven, dat die vrede er is, die Gij hebt uitgeroepen in de velden van Bethlehem Efrata. En bind ons aan Uw Woord. Amen.'
Poëzie als wapen
Dat is de titel van een overzicht en bloemlezing 'verzetspoëzie', samengesteld door dr. J. de Gier. We kennen hem als medewerker aan gelegenheidsnummers van ons blad, waarin hij een selectie maakt van gedichten bij verschillende christelijke feesten. Deze bundel is gewijd aan poëzie rond de Tweede Wereldoorlog. Het wil een bloemlezing geven van karakteristieke gedichten, gegroepeerd rond een aantal thema's en voorzien van een korte toelichting, aldus De Gier in een Woord vooraf. Tussen haken: deze bundel van dr. J. de Gier is een uitgave van het Boekencentrum en kost ƒ 23,50. We gaan deze rubriek afsluiten met een gedicht van Ed. Hoornik waar 'Tot de doden' boven staat. Het werd op de 4 mei-herdenking op de Dam in Amsterdam enkele weken geleden ook voorgedragen door de actrice Jip Wijngaarden.
'Wij kunnen u niet meer bereiken,
wij komen een zintuig te kort,
wij leggen ons neer bij de feiten
dat gij minder en minder wordt.
De enkele keren dat ge
in dromen ons nog verschijnt,
wordt gij al ijler en ijler
tot ge voor altijd verdwijnt.
Straten houden uw namen
voor heden en morgen in stand,
maar onze kinderen brengen
ze niet meer met u in verband.
Het land ligt nog net als toen het lag
van polder tot polder te kijk;
de mensen die erin wonen
blijven zichzelve gelijk.
Maar éénmaal per jaar is de stilte
tot de hemel toe van u vervuld
en belijden wij zonder woorden
onze dankbaarheid, onze schuld.'
Ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die zeggen: houdt dat gedenken van oorlog en bevrijding niet eens een keer op? Zelfs slachtoffers van wreedheden in de oorlogsjaren kennen die gedachte. Toch geeft dr. De Gier terecht aan dat vastleggen en vasthouden van wat is gebeurd nodig blijft. Je kunt zeggen: het is alweer 50 jaar achter ons. Maar beter is te zeggen: het is nog maar 50 jaar geleden. Het kan zo weer beginnen. Ik wees al op het oplaaiend antisemitisme in Oost-Europa. Het moet blijvend herinnerd worden opdat inderdaad generaties straks weer niet gaan zeggen ter verontschuldiging: 'Wir haben es nicht gewuszt!' (We hebben het niet geweten).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's