De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

In het nieuwe blad 'Kerk' (een Informatief weekblad over het kerkelijk leven) troffen we de volgende columm aan van redactielid R. Sikkema, onder de titel Records:

'Op een dag zat Joost van den Vondel met een collega-dichter aan de maaltijd. De beide heren deden zich te goed aan allerlei spijzen en praatten ondertussen over koetjes en kalfjes tot Vondels metgezel voorstelde een weddenschap aan te gaan. "Ik wed dat ik het kortste gedicht kan maken", zei hij. Meteen voegde hij de daad bij het woord, pakte een klontje boter, smeerde dat op Vondels jas en sprak: "Vet smet!" De "prins der dichters" liet dat niet op zich zitten, stond op, verkocht zijn uitdager een flinke draai om de oren en zei: "Ik tik!"
Het kortste, langste, mooiste, grootste en gekste, kortom allerlei superlatieven mogen zich in de belangstelling van veel mensen verheugen. Niet voor niets verdient de uitgever van het Guinness Book of Records er elk jaar een flinke boterham aan. De langste trein, de sterkste man, de grootste taart en de langste brandweerslang zijn onderwerpen waarvan blijkbaar veel mensen smullen.
Ook ons kerkelijke wereldje kent van die records: de hoogste toren (de Dom in Utrecht), de langste kerk (de St. Jan in Gouda), het grootste orgel (in de Nieuwe Kerk van Katwijk), de mooiste ramen (jawel, alweer in Gouda) en wat al niet meer. Maar dan gaat het nog om vrij statische zaken, waaraan zonder enorme krachtsinspanningen en de nodige miljoenen weinig te veranderen is.
Het leuke van de dingen uit het Guinness-boek is nu juist dat het daarin om records gaat die zonder al te veel moeite gebroken kunnen worden. Meestal heb je daar alleen wat doorzettingsvermogen en een flinke hoeveelheid tijd voor nodig.
Nu allerwegen pleidooien worden gevoerd om de boodschap van de kerken beter te "verkopen" zou je je kunnen afvragen of ook de kerken niet in het Guinness-boek terecht moeten komen. Wat dacht u van de langste preek, het langste gebed, het kortste gezang, de ingewikkeldste liturgie?
"Nee, dat nooit", horen we al iemand zeggen. "Dat past niet bij het eigen karakter van de kerk en bij de eigen aard van de Boodschap die de kerk heeft te brengen."
En toch, afgelopen zondag is in de kerk van het Groningse dorp Garmeerd een record gebroken om een plaatsje in het Guinnes Bock of Records te bemachtigen. Een jonge organist heeft het langste orgelconcert aller tijden op zijn naam gebracht.
Verkeerd gebruik van het orgel? Verkeerd gebruik van de kerk die die dag open moest staan voor de Woordverkondiging in plaats van voor een concert ter meerdere eer en glorie van ene Peter Westenbrink? Of een legitieme poging om zowel de oude Groninger kerken als de daarin aanwezige vaak waardevolle orgels onder de aandacht van een breder publiek te krijgen?'


Uit een boekje, getiteld 'Een handvol stilte' (uitgave Unieboek, Houten), de volgende citaten:

• 'Enkele spreekwoorden van volkse wijsheid uit diverse landen.
In Frankrijk zegt men: de stilte is van goud.
In Duitsland: zwijg of zeg iets dat mooier is dan de stilte.
In Israël: het is moeilijker goed te zwijgen dan goed te spreken.
In Italië: wie niets weet, weet genoeg indien hij stil kan zijn.
In Roemenië: zelfs de stilte is een antwoord.
In Spanje: horen, zien en zwijgen, anders wordt het leven bitter
In Denemarken: wie wil sparen, moet beginnen met de mond.
In Turkije: de mond van de wijze is in zijn hart: het hart van de dwaze is in zijn mond.
In China: de een heeft zijn ganse leven gesproken zonder iets te zeggen: de andere heeft nooit gesproken, maar heeft niet opgehouden iets te betekenen.
En tenslotte in Japan: de woorden die men nooit heeft uitgesproken, zijn de bloemen van de stilte (...)'

• 'Gelukkig twee vrienden
die genoeg van elkaar weten
om samen te zwijgen.'

• 'Stil verdriet kan alleen in de stilte genezen.'

• 'Als je heel stil bent,
dan pas hoor je de echte geluiden.'

• 'Als de zee onstuimig is, kan het beeld van de hemel er zich niet in weerspiegelen. Ja, bij de geringste beweging weerspiegelt het water al niet zuiver meer. Eerst als alles stil en diep wordt, verzinkt het beeld van de hemel in het niets van de zee.'
Sören Kierkegaard

• 'De avond komt zoo stil, zoo stil,
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden,
't Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die zachtjes mij beroerend, zegt:
"t Is avond en 't is rustens recht'.'
Guido Gazelle


Uit een boek Tussen schandpaal en schavot, een historische documentatie over 'boeven, booswichten, martelaren en hun rechters' (uitgave Terra, Zutphen), nemen we de volgende episodes over:

• Familiehaat tot in het graf
'Jan Peter Hasselo uit de Turfstraat in Zutphen komt enige keren in de bewaarde processtukken voor: steeds als slachtoffer en eenmaal zelfs na zijn dood. Toen hij in december 1796 gestorven was kwam zijn zwager, Engelbert Caspers, op het idee een grafschrift op hem te fabriceren. In dichtvorm nog wel. Hij moet wel een gruwelijke hekel aan dit familielid hebben gehad, maar hij kon tijdens diens leven kennelijk niet tegen hem op. Na de begrafenis legde Caspers zijn dichtwerk in verschillende herbergen ter lezing. Hij was ook bereid zijn produkt persoonlijk voor te dragen. Vrienden en bekenden hebben hem dit onwaardige optreden nog afgeraden maar Caspers liet zich niet weerhouden. Gezien de inhoud van het stuk valt het niet te verwonderen dat de beide zoons van Hasselo naar de rechter zijn gelopen om hun oom aan te klagen. De bewijsvoering van zijn schuld was niet moeilijk want Caspers had het gedicht ook nog persoonlijk ondertekend. De tekst luidt:
GRAFSCHRIFT
voor mijn zwager JAN PETER HASSELO, overleeden binnen Zutphen den 4 december 1796 en ter aarde besteld den 9 dato naastvolgende. Opgedragen aan mijn deugdelijke Huisvrouw Derkjen Hasselo, enigste zuster des Overleedenen. Quod unus quisque est internes Suorum verborum.
Sta Wandelaars. Sta Stil! hier legt een boere plager
Een die 'k helaas met Schaamt, moet noemen mijnen zwager
Die al zijn tijd en vlijt, tot Woekren heeft besteed
En mij wel duizend maal, aan deede Smert en Leet
Nu lecht dit Booswicht naakt, hier met zijn vlees en beendren
Zijn Levens Lamp dies is, met stank nu uitgescheenen
Zijn Roofzucht nam een eind, toe hij de Aard verlied
Deez'e Monster der Nature en alle Mansch verdriet
Zal Stooreloos geluk, der vroomen eeuwig derven
Ik schrik! en beeve met ontroering aan zijn ster­ven,
E. CASPERS
(...)
Het advies voor een vonnis in deze zaak luidde: Caspers zou in de rechtzaal in aanwezigheid van de gebroeders Hasselo moeten verklaren dat het aanbieden, voorlezen etc. van het grafschrift hem van harte leed deed en dat hij het liefst ongedaan wilde maken. Hij zou de kosten van het geding moeten betalen en honderd gulden ter beschikking moeten stellen, die dan volgens de aanwijzingen van de zonen van Hasselo voor een goed doel moesten worden besteed.
Het vonnis van 11 maart 1797 is nog iets milder uitgevallen. Er is rekening gehouden met de "klimmende jaren" van Caspers en met het daaruit voortvloeiende "zwakke hersengestel". Caspers moest de bovengenoemde verklaring afleggen voor de rechtbank in de raadkamer, bij open deuren. Over de aanwezigheid hierbij van de zoons van Hasselo werd niet meer gerept. Of ze wel of niet kwamen werd aan hun eigen beleefdheid overgelaten.'

• De scherprichter
'Nederland heeft in 1870 de doodstraf afgeschaft en de functie van beul of scherprichter is daarmee verdwenen voor burgerlijke strafzaken. Daarvóór, in 1851, waren de lijfstraffen al opgeheven. Daarop bestond tot 1951 een theoretisch uitzondering. In de bijzondere strafgevangenis in Leeuwarden mochten onder bepaalde omstandigheden nog lijfstraffen worden gegeven, maar van dit "recht" werd in de praktijk nooit gebruik gemaakt. De taak van de scherprichter om de tortuur op de pijnbank uit te voeren kwam met het ontstaan van de Bataafse Republiek te vervallen. Voordien werd in de tweede helft van de achttiende eeuw de pijnbank al nauwelijks meer gebruikt. In 1736 had men in Zutphen al grote moeite met het inschakelen van de pijnbank bij verhoren. Men heeft eerst drie weken lang geprobeerd op een andere manier achter de waarheid te komen, maar omdat de verdachten elkaar bleven tegenspreken en het om een geval van moord ging, is men toch tot het uitvaardigen van een "decreet van torture" overgegaan. In Deventer werd in 1754 nog met de pijnbank gedreigd. Men liet daar de verdachte de apparatuur zien maar ging niet tot gebruik over.
De grotere steden hadden in de middeleeuwen en de zestiende eeuw eigen scherprichters in dienst. Ze voerden wel lichtere straffen uit, als tentoonstelling aan de schandpaal en rondgaan met personen die de schandstenen moesten dragen. (...)
De executeur moest een man zijn die te goeder naam en faam bekend stond en die een bewijs van goed gedrag kon tonen. Naast zijn basissalaris kreeg hij verder stukloon. Van de vergoedingen moest hij zelf zijn assistenten betalen. Personeel van justitie mocht niet als assistent optreden. De beul moest alle schavotstraffen van het Hof van Justitie van Overijssel voltrekken. Als hij uit Deventer naar Zwolle of Kampen moest kreeg hij de reiskosten vergoed. Hij moest bij de executies alle veroordeelden gelijk behandelen. Geen mens mocht een bijzondere behandeling ondergaan bij wijze van particuliere gunst of juist het tegengestelde daarvan. Het is natuurlijk wel eens gebeurd dat een familielid of vriend van de veroordeelde de scherprichter iets toestopte met het verzoek alles zo snel en pijnloos mogelijk af te werken. Als de executeur Deventer, waar het Hof toen zetelde, wilde verlaten, moest hij eerst toestemming hebben van de president van de rechtbank. De tarieven voor het uitvoeren van straffen op het schavot werden in 1804 vastgesteld als volgt:
Voor het tentoonstellen van iemand op het schavot ƒ 10,–
Voor een simpele geseling ƒ 20,–
Voor een geseling met brandmerk ƒ 25,–
Voor geselen en brandmerken met de strop om de hals ƒ 30,–
Voor straffen met het zwaard boven het hoofd ƒ 20,–
Voor straffen met het koord (ophangen) ƒ 40,–
Voor onthoofden ƒ 40,–
Voor radbraken ƒ 50,–
Uit deze prijslijst blijkt dat radbraken het duurste was, maar 'het kostte ook de meeste inspanning.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's