Het onderzoek der Schriften
Uit de geloofspraktijk (7, slot)
In het vorige artikel stipte ik al even iets aan over de verberging van Gods aangezicht. Zo men weet wordt hierover meer dan eens in de Psalmen gesproken. In Psalm 13 vraagt de dichter: Hoe lang zult Gij Uw aangezicht verbergen? In Psalm 27 horen wij het de dichter als het ware uitschreeuwen: Verberg Uw aangezicht niet voor mij. En nadat de dichter in Psalm 30 ons gezegd heeft welk een heerlijkheid er in God is en wat Hij van de Heere heeft ontvangen, meldt hij ons ook, dat hij zeer verschrikt werd, toen God Zijn aangezicht voor hem verborg. Bij deze enkele voorbeelden uit de Psalmen wil ik het laten en dit stellen, dat de Heere Zich niet laat zien en van Zijn tegenwoordigheid niets is op te merken, wanneer Hij Zijn aangezicht voor ons verbergt. Welbewust en doelgericht trekt Hij Zich terug. De tekenen van Zijn gunst zijn er niet meer. Noch Zijn hand noch Zijn oog wordt opgemerkt. De Heere is als dood voor ons. Terecht wordt er in zo'n situatie wel gesproken over 'geestelijke verlatingen'.
Voetius en à Brakel
Zowel Voetius als à Brakel hebben het één en ander over geestelijke verlatingen geschreven. Door Voetius wordt het als volgt omschreven: 'Geestelijke verlating is een innerlijk kruis of geestelijke smart en aanvechting, waardoor een mens, nu waarlijk tot God bekeerd zijnde, niet gevoelt de verheuging zijns harten in God en Goddelijke dingen'. Als één van de oorzaken ziet Voetius het gemis aan een heldere (= duidelijke, de K.) toeëigening des geloofs. Het heldere zicht daarop wordt gemist tengevolge waarvan iemand zich geestelijk verlaten gevoelt. Brakel geeft van de geestelijke verlating deze beschrijving: 'De geestelijke verlating is een langdurige inhouding en onttrekking van de gewone medewerking en invloeden des Heiligen Geestes in de wedergeborenen, tot verlichting, verzekering van Zijn gunst, vertroosting, kracht tegen de zonde, tegen de aanvechting, en tot hulp in en uit lichamelijke wederwaardigheden, waardoor zij duister, zwak in het geloof en troosteloos worden, in zonden vallen, in aanvechtingen onderliggen en in lichamelijk kruis smartelijk en droevig blijven'.
Droeve situatie
Het is wel een heel droeve omstandigheid, wanneer wij gaan opmerken dat wij van God verlaten zijn en andere machten beslag op ons gaan leggen. Wat ons voorheen een lust was, zegt ons niet zoveel meer. Gingen wij eerder met vreugde naar Gods huis om ons onder de bediening der verzoening te zetten en teerkost voor het leven van iedere dag te ontvangen, ook nu gaan wij nog wel, maar meer uit gewoonte en plicht. Het zegt ons allemaal niet zoveel meer. Dat geldt evenzeer voor het gebed. Was het eerder de ademtocht van de ziel en ondervonden wij daarin de nabijheid van God, nu schijnt het wel alsof wij alleen maar woorden produceren die niet verder komen dan het plafond.
En dan het Heilig Avondmaal! Schonk de Heere eerder Zijn tegenwoordigheid en Zijn gunst in de tekenen van brood en wijn en mochten wij daardoor versterkt worden om de reis voort te zetten, de tekenen van brood en wijn zijn er nu nog wel, maar de Heere en Zijn genade wordt erin gemist.
Ook het lezen in de Bijbel zegt ons niet zoveel meer. Iemand zei in zo'n droeve situatie: 'Ik grijp liever naar de courant dan naar de Bijbel. Wat voor mij eerst een liefdesbrief van God aan mij was, is voor mij nu een heel gewoon boek'.
Het zal duidelijk zijn dat men in zo'n omstandigheid niet komt tot het belijden van schuld. Ook kan men niet blij zijn om de verlossing en zal er geen behoefte zijn om de Heere dankbaarheid te tonen en te bewijzen. Dat kan ook niet, want de band des geloofs met de levende God wordt gemist.
Bitterder dan de dood
Terecht wordt in de Schrift opgemerkt, dat de verberging van Gods aangezicht bitterder is dan de dood. Immers, wanneer God Zijn aangezicht voor ons verbergt dan is de Levende dood voor ons. Hiervan schrijft J.H. Velema: 'God, Die meer is dan de dood, daalt onder de dood. De dood is barmhartiger dan de verberging van Gods aangezicht. Wij kunnen de dood eerder accepteren dan dat wij God kwijt zijn' (Het geheim van de volharding, pag. 122).
Oorzaken
Wat zijn de oorzaken van deze geestelijke verlatingen? De oorzaken kunnen velerlei zijn. In de meeste gevallen zal de christen zelf die te wijten hebben aan zijn zonden. Te denken valt aan allerlei afwijkingen waarmee men in het verborgene óf in het openbaar van Gods weg is afgeweken. Het kostelijkste dat men deelachtig was geworden heeft men niet op de juiste waarde geschat. Men was rijk geworden in de genade Gods, rijker dan de rijkste vorst op aarde, maar men is op een zorgeloze manier met deze rijkdom omgegaan en is daarom in zijn geestelijke armoe teruggeworpen. Deze armoe gaat des te meer schrijnen, naarmate men de rijkdom van Gods liefde heeft leren kennen.
Hoewel het bovenstaande voor de volle honderd procent waar is en dit in vele gevallen van toepassing is, moet toch ook vermeld worden dat de Schrift ons nog iets anders dienaangaande laat lezen. Ik denk dan aan Job. Ik denk niet dat je mag zeggen, dat de Heere hem verlaten heeft om een speciale zonde die Job bedreven had. Ook niet omdat hij opzettelijk en welbewust van de weg Gods afweek. In Jobs geval moetje zeggen, dat de geestelijke verlating in zijn leven een vrucht is van de vrijmacht Gods in de leiding van de Zijnen. De Heere heeft er Zijn heilige bedoelingen mee. Hiervan zegt Woelderink terecht: 'Een van de voornaamste lessen uit deze geschiedenis voor ons is ongetwijfeld de erkenning, dat de meest godvruchtige onze heilaanbrenger niet kan zijn, want zelfs een man als Job bleef in deze bezoeking niet staande, maar moest zich verootmoedigen in stof en as, omdat hij zichzelf meer gerechtvaardigd had dan God'.
Waarom die verlating?
Over de oorzaken van de geestelijke verlating heb ik het een en ander in het bovenstaande neergeschreven. Nu rest nog de vraag te beantwoorden, waarom de Heere de Zijnen verlaat. Doch alvorens hierop een antwoord te geven, moet ik wel eerst neerschrijven dat niet iedere gelovige deze geestelijke verlating(en) kent. Opzettelijk geef ik dit aan, opdat niemand zal denken dat er aan zijn òf haar geloof wat hapert, omdat er nooit van enige geestelijke verlating sprake is. Ik schreef reeds eerder dat ook dit met de vrijmacht van God te maken heeft om daarin te handelen zoals Hij wil en met wie Hij wil. God behandelt de Zijnen niet als een eenheidsproduct. Zoals de weg tot Hem verschillend kan zijn, zo verschillend is de weg die in het geloof wordt gegaan. Ook de wederwaardigheden die men van Gods zijde daarin ondervindt zijn verschillend.
Maar nu de vraag: waarom verlaat de Heere de Zijnen? Opdat zij God en Christus en zichzelf beter zouden leren kennen. Ook wel opdat zij de kleinste genade hoog zouden leren achten. Dikwijls raken die kinderen Gods het meest in verdrukking en hebben enige kennis van geestelijke verlating, die hoge dingen hebben ervaren. In deze moeilijke staat (geestelijke verlating) leren zij kruimkens genade dierbaarder achten dan vroeger hele broden, 't Minste uitzien naar de Heere Jezus, de minste zucht, het minste gebed, de minste hoop gaat – wanneer de Heere dit alles opnieuw schenkt – zòvéél worden. Zòvéél omdat het is uit het volbrachte werk van Christus. En zoals een vingerhoed gevuld met water vol is en dit eveneens gezegd wordt van een emmer gevuld met water, zo is dat ook van toepassing op wat er ontvangen wordt op grond van het volbrachte werk van Christus. Vol is vol.
En ook dit is terecht, wanneer er gesteld wordt dat in zo'n droeve situatie een zucht om een zucht reeds genade is. En ook dat is dan vol.
Rest mij nog mee te delen, dat geestelijke verlatingen soms duidelijk aanwijsbare oorzaken hebben, doch dat dit niet als algemene stelregel gehanteerd kan worden. Als voorbeeld noemde ik reeds eerder Job.
Wat te doen?
Wat is er door de benauwde van geest te doen? Anders gezegd: hoe komt men uit die geestelijke verlating? Zo'n vraag zal het meest op het hart gebonden zijn, wanneer men die geestelijke verlating gevoelt. Wellicht is het beter om neer te schrijven: wanneer God het licht van Zijn Geest dááròver laat vallen. Want let wel: ook aan een geestelijke verlating moet men ontdekt worden. Deze moet de Heere laten zien en anders leeft men rustig in alle duisternis en donkerheid voort. Wanneer er echter van Godswege licht gaat vallen over die verlating, wat moet men dan doen? Dan imoet men hart en gedachten zoveel mogelijk in toom zien te houden. Men moet niet op alles ingaan, wat er in onze gedachten wil komen. De duivel kan ons dan met name wel eens lelijk te pakken nemen door ons voor te houden dat er bij God voor ons geen weg meer terug is. Zelfs kan hij ons willen brengen tot de verschrikkelijkste dingen, want voor ons is er toch geen heil en hulp meer. Ik zou zo zeggen: gelooft die lelijke duivel maar niet en doet uzelf nooit enig kwaad. Doet ook gewoon uw werk. Een van de oud-vaders heeft in dat verband gezegd: Doe altijd enig werk, opdat de duivel u steeds bezig vinde'. Vervolgens wachte men zich ervoor de gewone godsdienst na te laten. David verklaart in Psalm 18 : 22: 'Ik heb des Heeren wegen gehouden en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan'. Die godsdienst, die de mens betracht temidden van geestelijke verlating en dorheid, is vruchtbaarder dan die welke gepleegd wordt onder het liefelijk gevoel van Gods genade.
Voorts moet men doen wat het Avondmaalsformulier stelt: Een iegelijk onderzoeke zichzelf en bedenke zijn zonde. Heeft dat enig zin? Is dat geen navelstaarderij? Volstrekt niet. Wanneer dat onderzoek in die droeve situatie wordt gedaan met een open Bijbel en met een betraand oog naar boven gericht, zal men ontdekken dat de plagen die ons zijn overkomen – dus ook de geestelijke verlating – billijk zijn. Wel zeg ik erbij: dat moet men niet te snel zeggen! Dat moet ondervonden worden. Soms zijn wij o zo rap met onze tong, maar dat ons hart van wat wij zeggen niets weet. Ik bedoel: bevindelijk weet!
Nog één ding wil ik de aangevochtenen voorhouden. Laten zij het onderzoek in de Schriften toch vooral niet nalaten. Gemakkelijk wordt de waarde en de noodzakelijkheid van de kennis daarvan onderschat. Doch let wel: geen ervaring zonder de Openbaring. En wanneer iemand zegt dat de Bijbel zonder de Geest Gods maar een dode letter is, dan begrijp ik wat men zegt. Toch doet men er niet goed aan zo te spreken. Waarom niet? Omdat de auteur van de Schrift de Heilige Geest is en deze weliswaar onderscheiden is van het Schriftgetuigenis, doch daarvan niet te scheiden. Het gaat mij te ver om dit aan te tonen, omdat het buiten het bestek van deze reeks artikelen valt. Maar Luther is het al geweest die ons geleerd heeft Woord en Geest niet van elkaar te scheiden.
Als slotopmerking wil ik nog dit neerschrijven: wanneer een vriend of een bekende van ons in duisternis zit en geen licht heeft, dat wij voor hem bidde. In de Schrift lezen wij: 'Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige: de Heere zal hem bevrijden ten dage des kwaads' (Psalm 41 : 2).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's