De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jeremia (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jeremia (6)

Zijn profetische arbeid

6 minuten leestijd

Stadia
In de profetische arbeid van Jeremia valt een aantal fasen of stadia te onderscheiden, alle samenhangend met het grote overkoepelend thema van de profetieën: God komt ten gerichte. Zoals gezegd is de ondergang waarmee Juda wordt bedreigd, te verwachten door de komst van een vijand uit het noorden. In het bekende visioen van de kokende pot die naar het noorden gericht staat, wordt dit Jeremia voor ogen gesteld (1 : 13 vv.) En telkens weer keert het thema terug dat de vijand uit het noorden komt (4 : 6; 6 : 22; 8 : 16; 10 : 22 e.a.). 'Zie er komt een stem des geruchts en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken'. In hun anoniem gewaad zijn deze profetieën vol van donkere, huiveringwekkende dreiging. Totdat in het vierde jaar van Jojakim, het jaar van de slag bij Karchemis (605 voor Chr.) aan Juda wordt gezegd dat de al zo vaak aangediende vijand uit het noorden, Nebukadnezar is, de koning van Babel (25 : 9). 'Mijn knecht', aldus het Woord des Heeren.
Welnu, dit thema komt, een aantal stadia doorlopend, steeds duidelijker uit de verf. Verscheidene exegeten geven dit aan. Ik laat allerlei inleidingsvragen buiten beschouwing en trek enkele forse hoofdlijnen omdat de profetieën hier en daar een sterk versnipperde indruk maken en zonder duidelijk verband wat door elkaar lijken te staan. Wellicht is dat ook te danken aan het altijd toch wat flits-matige en fragmentarische dat eigen is aan de oudtestamentische profetieën.

Van roeping tot reformatie
Een eerste fase nu in de profitieën van deze Godsman is te vinden in de tijd, die ruwweg loopt van zijn roeping in 626 tot kort voor de afsluiting van de reformatie onder koning Josia in 622. Daarmee lopen de hoofdstukken 1 tot en met 6 vrijwel parallel. Het is aanvankelijk de tijd waarin Josia nog niet is gekomen tot de doortastende reformatie van de publieke eredienst zoals die dóórbreekt in diens achttiende regeringsjaar na de vondst van het wetboek van Mozes bij gelegenheid van de restauratie van de tempel. Het wilde aanvankelijk immers niet zo vlotten met de herstelling van de dienst van Jahwe.
Het was een machtige zegen, die omzetting van het hart van de zestienjarige knaap Josia, waardoor hij de God van zijn vader David (!) ging zoeken. Maar het is niet zo moeilijk voor te stellen dat de reformatie dan nog een lange weg te gaan heeft. Zelfs een godvrezende overheid kan niet alles, zeker niet het hart van het volk bekeren. En om dat hárt dingt Jeremia in zijn prediking van de eerste jaren. Die is dan één hartstochtelijke oproep tot wederkeer naar de wegen en in de dienst des Heeren. Het volk brak uit de tuin van Gods verbond en woorden, verliet de Springader van het levende water, was als een ontrouwe vrouw, een overspelige bruid, als geheel was het een volk van afkerige kinderen. Niettemin wordt het ge­maand tot wederkeer, tot een radicale breuk met die zonde, die Jeremia dan met vlammende woorden bestrijdt: de afgoderij, gepaard met hoererij. Het volk bestempelt zich als 'heren, die tot God niet meer zullen komen' (2 : 31). Zij zijn geëmancipeerd, zogezegd. Verlost van de bevoogding en de omknelling van de band van het verbond. Mensen die buiten God pas de echte vrijheid gevonden hebben. Jeremia ontmaskert dat als bedrog, als één van de ergste vormen van slavernij. En door de klanken van de bourdon van smart en oordeel heen, klinkt toch de lichte klokkeklank van het evangelie der wederkeer, der genade, der aanneming, opnieuw. Al was het er maar één uit een stad, al waren het er slechts twee uit een geslacht (3 : 14).

Doorbraak
Vervolgens treedt een tweede fase in. Deze wordt ingeluid met de doorbraak van de reformatie van de dienst des Heeren onder koning Josia en loopt door tot aan diens dood en de troonsbestijging door Jojakim. Het is de tijd waarin het volk zogezegd 'om' gaat, althans officieel en in het openbaar. De tempel functioneert weer naar de voorschriften van de Wet. De hoge feesten worden weer gevierd. De heiligdommen van afgoden, heilige bossen en beelden, worden afgebroken en vernietigd en met de grond gelijkgemaakt, zelfs tot in het gebied van het voormalige noordelijk rijk strekt de reformerende activiteit van Josia zich uit. Het moet in zeker opzicht voor Jeremia een gouden tijd zijn geweest, zeker in vergelijking tot de jaren daarna. En zeer actief heeft hij, zij aan zij met zijn koning, gestreden voor het herstel van de dienst des Heeren in volk en land. Jeremia 11 : 2-5 bijvoorbeeld is een bewogen oproep in de Naam van God om het verbond te eerbiedigen, de Wet des Heeren te onderhouden en dat gepaard met de belofte: Zo zult gij Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn'. Maar... 'gouden tijden' zijn toch tijden waarin een echte profeet klaar wakker blijft. Zeker Jeremia. Want hij is allerminst gerust en niet tevreden met een uiterlijke restauratie. Een profeet, ook een dienaar des Woords, die uit het ware profetische hout is gesneden — zij zijn altijd uit op het complete, het volkomene, op het gánse hart en het gehéle leven, doen en denken van de mensen. Om hen gans en al aan God te binden. Onbereikbaar ideaal? Een profeet leeft niet bij het haalbare en legt zich niet neer bij het ten dele. Hij is allerminst blind voor de realiteit in al haar weerbarstigheid maar, zelf geworven door de Levende, kan hij niet anders dan werven, dingen naar het hart omdat hij weet: wie het hart heeft, heeft de mens in zijn totaliteit.
De gouden jaren zijn voor Jeremia, juist door deze instelling, toch bijzonder zwaar geweest. Wat wil die man nog meer? Bekende reactie! Laat hij maar tevreden zijn, het is al lang mooi... Logisch dat het volk zo dacht. Niets is zo ontaard moeilijk als de uiterlijke godsdienstigheid en de kille vormendienst — van welke signatuur ook! — te overtuigen van wezenlijk gemis aan geloof en liefde en leven. Juda had de facade gerestaureerd. Het naderde tot God met de lippen maar het hart hield zich verre van Hem. O, dat reinigen van het buitenste van de drinkbeker, de nette, tamme burgerlijkheid, de tevreden kabbeling, de vliegwiel-achtige voortgang van de ceremoniën en de vaste gebruiken. Wee ons, als een volk, als mensen nette zondaars worden, nooit innerlijk voor de heiligheid Gods hebben gebeefd. Als het hart onveranderd blijft en de hunkering naar de zonde, verstopt en gecamoufleerd, in de diepten van het leven voortwoekert. Jeremia heeft heel wat pijlen op z'n boog, doelgericht, eerlijk en scherp. Profeten praten nooit in de ruimte en schieten — met eerbied gezegd — niet met losse flodders. Zij scherpen hun pijlen om te treffen. Daarom noemen zij de zonden bij de naam. En toch zijn velen, die zeggen te houden van een concrete prediking, van dat zonden-bij-de-naam-noemen niet gediend. Merkwaardig, zij pareren de prediking niet zelden met opmerkingen dat 'het toch hier niet in zit en daarin ook niet...'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Jeremia (6)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's