Goddelijke opdracht (4)
... Waakt! ... Mc. 13 : 37 slot
'Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.' Aldus engelenspraak, èven na hemelvaart. Zo Hij héénvoer, alzo kòmt Hij! De Heere verbond er een opdracht aan. Hij spreekt over voorafgaande tekenen. Onverwachts zal Hij er zijn. Vandaar Zijn zorgzame waarschuwing en liefdevolle opdracht: 'Waakt!' Het verdient onze aandacht, dat Jezus dit zo nadrùkkelijk ons toeroept. Eerder al. 'Ziet toe, waakt en bidt.' Even later ook. 'Zo waakt dan.' Waartoe die nadruk? Christus wéét, dat christen geneigd is tot geestelijke slaap. Christus bindt christen daarom het grote belang van waken op het hart. We leven in bijzondere zin in adventstijd. Hemelvaart vond plaats. Nù is de Heere komende. Voor geheel dit tijdperk tussen Hemelvaart en Wederkomst geldt Jezus' opdracht: 'Waakt!' In vredes- noch oorlogstijd mag een soldaat op zijn wachtpost in slaap vallen. Dat kan onheil en dood betekenen. Een roerganger late zich niet aan zijn stuurwiel door slaap overmannen. Hij zou zichzelf en anderen ongeluk bezorgen. Van gròter gewicht is het waken van de christen (de christin daarbij inbegrepen!). Waakt! De Heere komt! Dan kan christen niet zorgeloos zijn, noch een afwachtende houding innemen. Hij zou de Heere verdrieten... Waakt! De Heere komt! Opgevaren ten hemel..., tòch: nu kòmende! Dan mag naamchristen en meeloper wel bedenken, dat hij Christus niet zonder verschrikken tegemoet treden kan. Hoe dient Christus' kerk het tijdperk tussen Hemelvaart en Wederkomst te overbruggen? Wakende! Ingevolge haar opdracht, tot eer van de Koning der Kerk. Oòk van waken geldt: het is een godsdienstige oefening en behoort tot de praktijk der Godzaligheid. Waken bestaat beslist niet uit werkloos neerzitten en afwachtend nietsdoen, 't Zou niet goed zijn! De duivel zet daar onverwijld zijn aanvallen in. Vijand zijnde van zielen, die Christus toebehoren, spant hij zich gewelddadig dàn in! Trachtte hij niet zèlfs de Zone Gods te treffen?! Waakt! De duivel komt..., onaflatend..., in allerlei gestalte. Sòms als een briesende leeuw..., dàn als een engel des lichts..., òf listig als de slangen..., óók wel in mensengedaante, met woorden van voorgewende diepe vroomheid. Waakt! Gruwelijk is satan, zodra hij zijn wàre gedaante toont! Een vraag: weten we hem in zijn gedaanten te herkennen? Hebben we dat herkennen van God begeerd en geleerd? 'Zijt nuchteren en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden.' Nóg een vraag: ben jij..., jongen en meisje..., nuchter, waakzaam? U, òuderen? Waakt! Oòk tegen hetgeen – na ontvangen genade – in eigen boos hart opwelt. Wàt een gedachten, woorden, werken..., die niet stroken met Gods wil! Welk een noodzaak 's Heeren hulp in te roepen, opdat onze voeten zich keren naar Zijn getuigenissen en we de weg der waarheid betreden. 'Waakt en bidt; opdat gij niet in verzoeking komt.' Waakt! We verloochenen onze Heere zo gemakkelijk..., met woorden en metterdaad. Waakt! We zijn gevoelig voor wereldgelijkvormigheid. Waakt! Ja..., het geestelijke leven..., die genadegave Gods..., verdient zorgvuldige hoede! Is er onraad? Wordt onze ziel bedreigd? Tracht iemand of iets de liefdesband tussen Christus en onze ziel te verstoren? Nadert een wolf in schaapskleren? Waakt! Trots en arrogantie liggen op de loer. We kunnen zo goed vroomheid voorwenden. Deden we werkelijk àlles tot verzoening met de ander..., of verkozen we hoogmoedig en triomfantelijk op ons voetstuk van vermeend gelijk te blijven? Waakt! Want..., wat de Heere schonk, is een kostbare schat! Christen begeert die schat te behòuden! Immers: gave Gods! Stilstaande bij de gedachte, worden we overweldigd! Wat moeten we daarmee áán?! Er is tegen zovéél te waken! Wereldzin wil geesteszin verdrijven. Overal zijn valstrikken en vangnetten opgesteld. Her en der zijn valkuilen gegraven. Wie aan het einde van een dag, bij het licht van Gods Woord, het gepasseerde en nagelatene overdenkt, staat versteld! Het valt op, hoe vaak, op allerlei manier, de wereld het op onze ziel voorzien had..., en... wijzelf er geen zorg voor droegen. Waakt! Houden we nu deze opdracht onszèlf nadrukkelijk voor! Waken is een noodzakelijke oefening in de praktijk der Godzaligheid. De ergste, gevaarlijkste vijand dragen we in ons om..., met ons mee! Kregen we van de Heere een nieuw hart? Maakte Hij – door Geest en Woord – u..., jou... tot een nieuwe mens? We bemerken: de òude mens ligt dan wel op het sterfbed..., maar stèrven wil die lastpost maar niet! Derhalve dienen we ernstig bezig te zijn met Jezus' opdracht..., ons zo liefdevol en zorgzaam bevolen. Het is immers de hartelust..., het zielsverlangen van christen om te bewaren en te bewaken, hetgeen Christus schonk aan de ziel! We bedenken: daartoe werd Hij van God verlaten aan het kruis..., daartoe offerde Hij Zijn lichaam en bloed., ... Hij stierf om mij het leven te geven, 'k Zal gedenken, hoe vóór dezen, ons de Heer' heeft gunst bewezen! Dan waak je over je gebedsleven..., je Schriftonderzoek..., over je kerkgang..., je liefde voor de Heere en Zijn schone dienst..., over je werken van dankbaarheid... Tègen je boezemzonden! Tijdperk tussen Hemelvaart en Wederkomst. De Heere riep ù... en jòu... en mìj... tot een waakzaam leven. Wie kàn waken? Alléén hij..., zij..., die lééft. Een dòde kan niet waken! Een dode (bent ù dat..., ben jij het? ) heeft nodig door Christus te worden opgewekt uit de dood van misdaden en zonden. 'Daarom zegt Hij: ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.' En: 'Wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds'. Een waarachtig christen kàn en màg – al wakende – niet enkel zichzelf bedoelen. 'Hebt uw naaste lief als uzelf.' Wel dan! Betrachten wij waakzaamheid aangaande onze broeder en zuster..., onze vèrre naaste? Waken wij over hùn zielen..., biddend..., zorgend..., getuigend? Waakt! Ja, maar hòe? Hòe? De Heere Jezus verwachtend. Hij beloofde te komen. Hij wenst ons wàkende aan te treffen. Ontvingen we van Hem eeuwig heil..., door Zijn zoenbloed? Dan leggen we Zijn opdracht niet naast ons neer! Tòch: hòe praktiseren we die waakzaamheid? Hòe zal ik opletten..., onraad opmerken..., bedacht zijn op aanval en overval..., op uitbarstend kwaad? Wacht eens! Leerden we eerder niet vragen naar de Héére en Zijne sterkte?! Zijn Geest wees ons bij monde van de psalmist de weg! 'Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.' Gods Geest hield ons door Micha vóór: 'Ik zal uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils'. Waakt! Wie de opdracht van Christus uitvoeren wil..., die bidt erom..., roept 's Heeren hulp in..., wacht bekwaammakende genade in. O, hoeden we ons toch voor zelfgenoegzaamheid! Te dènken, dat we eigenmachtig het waken kunnen praktiseren! Te mènen, dat we onze levensweg met lèugens banen kunnen en God daaraan Zijn goedkeuring hechten zal! Begeren we te waken in gehoorzaamheid..., we zoeken de raad van de Meester. 'Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?' Wat is het noodzakelijk voortdùrend tot onze Leidsman te gaan en nederig, afhankelijk aan Zijn voeten te knielen. Verkeren we zò..., op die plaats.... Hij onderwijst ons. Zou deze Leermeester ons ontbreken, ons aanvankelijk waken zou alras overgaan in sluimeren..., in slapen. De oude mens, slaperig van aard, wordt ons te sterk! Verkerend aan 's Heeren voeten... geeft Hij begeerte naar waakzaamheid, èn... zicht op de overwinning: binnengaan, alvorens de deur van de bruiloftszaal gesloten wordt. Waakt! Niet uit wettische plichtsbetrachting..., niet om verdienste..., maar uit dankbaarheid. Wat zal ik – met Gods gunsten overlaân – die trouwe Heere voor Zijn genâ vergelden? Waakt! De Heere draagt ons activiteit des geloofs op. Niemand, die lééft, kan er omheen! (Een dóde kan niet waken! Lééft u? Lééf jij? ) Waakt, zo zegt de Koning der Kerk! Al hebben we ook kleine kracht..., we zullen gehoorzaam waken.... onze Heere en Meester vraagt het immers..., en Hij is het zo waard! Wakend Zijn Woord onderzoeken..., dankbaar..., met lust en verlangen het opgedragen werk verrichten. Waakt! Hòe..., hòe? Zien we op Hem, Die ons ook hierin voorging! 'En des morgens vroeg, als het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar.' Spoedig nadert de dag, waarop de Heere voor ons treedt in het gewaad van Zijn Woord..., waarop Hij levenden en doden aanspreekt. Met woorden van heil. Met Zijn Hemelvaart is voorzegd: Hij komt! Dàn om levenden en doden te oordelen. 'Gaat weg van Mij!' Het treft hen, die nooit geestelijke waakzaamheid gezocht hebben. 'Beërft Mijn Koninkrijk!' Het betreft hen, die Hem leerden liefhebben en volgen, die – naar Zijn opdracht – waakten. Mag ik tot slot van deze meditatie met een enkel Schriftwoord aanduiden, wie de Heere Jezus Christus is? 'En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.' Vraag het maar aan allen, die Hem nu dienen en vrezen! Die ontferming en bewogenheid bracht Hem aan het kruis, om zulke zondaren een Herder te zijn tot het eeuwige leven. Alles aan Hem is zeer begeerlijk! Gij, die Hem vreest, gij allen, prijst deze Heere!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 23 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's