Globaal bekeken
Uit de Schakel knipten we het volgende gedicht van J. de Bruin, geschreven n.a.v. het wegvoeren van de joden uit Nederland, met daarbij een korte toelichting van mevr. A.D. Ooms-Slob. De titel is 'Afscheid der joden van Nederland'.
Vaarwel, vaarwel gij lieve lage landen,
waar ons geluk gewoond heeft en ons leed;
waar wij den golfslag hoorden aan de stranden,
en 't karretje, dat langs een zandweg reed.
Wij trekken zwijgend door de duistre straten.
Wij zijn ontworteld. En bij eiken stap
kwelt ons de pijn op wat wij achter laten
op dezen harden weg der ballingschap.
Wij staren om ons heen, bepakt met zorgen.
Op een perron wuift vaag een vrienden hand.
Zacht loeit een boot door dezen grauwen morgen,
Het is het afscheid van ons vaderland.
Vaarwel, vaarwel dan...
Door een mist van tranen zien wij weer alles, wat ons dierbaar was,
ons lichte huis, bebloemde duine-banen
en 't wuivend riet langs de Westeinder-plas.
Wij zien de volgeladen wolke-luchten
boven een strakke rood-en-grijze stad,
een rechte vaart, een bongerd zwaar van vruchten.
Nooit hebben wij dit land zo liefgehad.
Vaarwel, goed land, het denken geeft ons sterkte
aan d'oude havens van ons voorgeslacht,
de stoere stad, waar Rembrandt's vrienden werkten
en 't stille dorp, waar eens Spinoza dacht.
Hier schilderde Israëls zijn vissersmensen,
Mendes da Costa hieuw er Chris de Wet,
O, land van veler dagen, veler wensen,
ook ons klein stempel is op u gezet.
De trein raast in de nacht, door vale heiden;
hoe sleurt ons zijn geweld over een brug.
Wij zien de donk're bossen langs ons glijden.
Een slapend dorp... Keren wij ooit terug?
De grens. Een laatste blik naar onz' landouwen,
– en niemand staat ons bij in dezen nood –
Vaarwel, vaarwel, het vaderland getrouwe,
zijn wij tot in den dood.
'Bijgaand gedicht is van J. de Bruin. Hij verwoordt op een indringende wijze het wegvoeren van joden uit Nederland. Een van de weggevoerden geeft de dichter stem en hij spreekt namens allen wat er omgaat in hun hart.
Vaarwel, vaarwel gij lieve lage landen.
Hij neemt, uit naam van allen, afscheid van Nederland; hij noemt veel dingen die hem en hen lief zijn, en die het beeld vormen van ons land: stranden en steden, duinen en plassen, de luchten en de boomgaarden. Alle liefde voor Nederland wat ook hun land is geworden wil hij zeggen bij dit afscheid. Vaarwel, wij hebben hier zo heel veel herinneringen.
Wij hebben hier vreugde gekend en ook verdriet beleefd. Dit land is ons tehuis geweest en ook ons Vaderland. Reeds eeuwen lang hebben er joden geleefd en gewerkt. Rembrandt had vele joodse vrienden en hij heeft ze geschilderd. De wijsgeer Spinoza wordt genoemd (1632-1677). Jozef Israëls (1824-1911) is de bekende schilder van Nederlandse vissers geworden. Mendes da Costa was een beroemd beeldhouwer. Met recht zegt de dichter van dit gedicht "ook ons klein stempel is op u gezet". Dat juist maakte dat de joden zich hier thuis voelden in Nederland. Ze bespeurden vaak iets van hun eigen geest. (...)'
Een ander (afschuwelijk) woord 'ten afscheid' van de joden uit Nederland stond toen in een S.S. blad (1 juni 1944) geschreven. Live Stilma nam het op in een recent verschenen boek 'Woorden te kort' (Kok, Kampen).
'We hebben afscheid moeten nemen, afscheid van gasten die sinds eeuwen zogenaamd ons brood met ons deelden en de beste stukken voor zichzelf wisten te veroveren.
We hebben hen uitgeleide gedaan en een laatste vaarwel toegeroepen daar op het terrein aan de Polderweg in Amsterdam. Ze droegen grote insignes, zespuntige sterren, die daar achter het hekwerk het bewijs waren dat ze behoorden tot de leden van een reisgezelschap naar Polen. In deze massa jodenlijven was geen spoor van enig verzet te vinden, zelfs niet van enige verbetenheid.
Er wordt altijd van lafheid van de joden gesproken. Nooit is dit ons duidelijker geworden dan op deze zonnige middag.
Een bakfiets met een dikke jodin erop, zalig gebed in een stapel vodden die de reis naar Polen mee aanvaarden moesten, werd voortbewogen door één trappende en één duwende jongen; beiden zonder ster! Een verheffend schouwspel!
Zo zijn de joden dan verdwenen. We hebben afscheid genomen, we hebben gezien hoe ze in de treinen verdwenen, we hebben geen medelijden met hen gehad.'
Israël verdwenen van Michelin wegenkaart, aldus een voor zichzelf sprekend, schokkend bericht in het Nieuw Israëlisch Weekblad d.d. 1 sept. 1989, dat we dezer dagen onder ogen kregen.
'De Franse firma Michelin, bekend van radiaalbanden, restaurant-sterren en wegenkaarten, heeft Israël van de kaart geveegd. Israël is op de rode wegenkaart 954 (Afrika Noord Oost en Arabië), niet ingetekend. De Franse kaartenfabrikant is gezwicht voor Saoedi-Arabische druk. Egypte grenst op de Michelinkaart aan Jordanië. (...)
Michelin heeft uit enonomische overwegingen Israël van de kaart geschrapt en geen geluiden laten horen die erop wijzen dat men op korte termijn op de beslissing terug zal komen. Michelin-Nederland zei ons niet verantwoordelijk te zijn voor de redactie van de kaarten en geen mededelingen te kunnen doen. Medewerkster Mirjam Dittrich van de afdeling toerisme wilde wel reageren. "Ik keek er zelf ook van op."
Op de Franse redactie van Michelin wordt de beslissing gezien in het licht van het spel der vrije economische krachten. Op het hoofdkantoor van Michelin in Parijs zegt medewerker Gilles Theret van de redactie van de kaarten ons dat er inderdaad een probleem is met de bewuste kaart. "De kaart wordt met name verkocht in Noord-Afrika en in de Arabische landen. In Europa wordt hij ook wel verkocht aan reizigers naar dat gebied, maar niet op zo'n grote schaal. Uit Saoedi-Arabië bereikte ons de vraag of de kaart niet kon worden veranderd. Daar heeft Michelin toen aan voldaan." '
Tekst bij foto:
Er ligt niets tussen Jordanië en Egypte volgens de Michelinkaart voor Afrika en Noordoost-Arabië. De bandenfabriek ziet Israël niet zitten.
Hier volgt een (bekend) citaat uit het boek 'Religie en politiek' van prof. dr. A.A. van Ruler over de voorbede voor de overheid:
'Dat er voor gebeden wordt, en dat er zoo onophoudelijk voor gebeden wordt, en dat er met zooveel accenten en exponenten voor gebeden wordt, en dat er in dezen zin voor gebeden wordt: tot den God der openbaring en des heils – dat alles scherpt toch op een onvergelijkbare wijze in, dat een van de hoogste dingen der existentie op het spel staat.
Ik herinner mij den schrik in de oogen der raadsleden, toen ik, den eersten keer dat ik als toehoorder een gemeenteraadsvergadering ten plattelande meemaakte, mijn aanwezigheid motiveerde met de opmerking, dat ik lederen zondag voor hen bad en dat ik nu wel eens wilde zien, wat ze er van terechtbrachten.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's