Zelfdiscipline, één van de facetten van de kerkelijke tucht
Eén van de vragen, die steeds aan de orde komen in gesprekken met broeders uit de afgescheiden kerken, is de vraag over de kerkelijke tucht. Er wordt ons dan altijd gewezen op het feit dat de kerkelijke tucht niet meer functioneert in de Nederlandse Hervormde Kerk. Binnen deze kerk heeft de schriftkritiek vrij baan, wordt de belijdenis der kerk aangetast en vindt er op het ethische vlak van alles plaats zonder dat hierover tucht wordt geoefend. Het is voor velen van deze broeders onbegrijpelijk dat de hervormd-gereformeerden, nader gepreciseerd, zij die behoren tot de Gereformeerde Bond, het in deze Hervormde Kerk kunnen uithouden. Er wordt toch niet naar hen geluisterd. Wat komt er terecht van de verbreiding en verdediging van gereformeerde Waarheid, zoals dit in de statuten van de Gereformeerde Bond staat?
Soms uit dit onbegrip zich dan in de vorm van een verwijt. Zo zou de Gereformeerde Bond zich mede schuldig maken aan de Schriftkritiek en aan de aantasting van de belijdenis der Kerk doordat zij zich zo tolerant opstelt. Dat de Hervormde Kerk nog blijft bestaan zou te danken zijn aan de tolerantie van honderdduizenden Gereformeerde Bonders. Is dat Gods bedoeling? Zo vraagt dr. W.G. de Vries, Gereformeerd Vrijgemaakt predikant zich af. Met andere woorden: Het is Gods bedoeling dat de Gereformeerde Bonders de kerk verlaten en daardoor de Hervormde Kerk aan haar einde helpt.
Anderen, die wat meer begrip hebben voor de minderheidspositie die de Gereformeerde Bond inneemt in het grote geheel van de kerk, hebben wel veel waardering voor alles wat er van de kant van de Gereformeerde Bond gezegd en gepubliceerd wordt, voor publikaties, die duidelijke taal spreken en laten blijken dat de kerkelijke tucht alleszins noodzakelijk is. Zij menen echter dat in concrete situaties de lijnen niet worden doorgetrokken. Dan dreigt de verdraagzaamheid het toch weer te winnen van de tucht.
Nu zal niemand ontkennen dat wij inzake de kerkelijke tucht bijzonder trefbaar zijn. Terwijl de tucht toch geen bijzaak kan zijn voor de kerk, die trouw wil blijven aan Gods Woord en die de belijdenisgeschriften der kerk, de Drie Formulieren van Enigheid als akkoord van kerkelijke gemeenschap heeft, komt en eigenlijk weinig of niets van terecht. Ik denk dan niet alleen aan de Hervormde Kerk in haar geheel, maar ook aan de plaatselijke gemeenten. Dat moet ons wel ter harte gaan en pijn doen.
Zeer terecht wijst men ons er steeds op, dat de kerkelijke tucht niet alleen een voluit bijbelse zaak is, maar ook in de belijdenis der kerk behoort tot de drie kenmerken van de ware Kerk.
We zijn er dan niet mee klaar door te zeggen dat de kerkelijke tucht het derde en laatste kenmerk is, alsof het vooral gaat om de eerste twee: de reine prediking van het Evangelie en het gebruik van de Sacramenten, zoals Christus ze heeft ingesteld.
De kerkelijke tucht moge dan het laatste kenmerk van de ware kerk zijn, maar zij is dan toch meer dan rugdekking alleen voor de beide andere kenmerken. Zij is veeleer een schild dat de beide andere kenmerken bedekt en beschermt. Wat blijft er over van de reine prediking van het Evangelie en van de reine bediening van de sacramenten, indien deze niet bewaakt worden door de kerkelijke tucht?
In het afgelopen jaar is dit overduidelijk geworden door twee zaken, die in onze kerk grote beroering hebben verwekt en waarin de vraag naar de kerkelijke tucht bijzondere aandacht kreeg.
Allereerst de zaak van prof. dr. F.O. van Gennep inzake zijn uitspraak over de lichamelijke Opstanding van de Heere Jezus Christus. Hierbij ging het om een leeruitspraak, die het hart van de belijdenis der kerk raakte en tegelijk ook direct het eerste kenmerk der ware kerk, de reine prediking van het Evangelie. Van Gennep zelf betrok nadrukkelijk de dienaren van het Woord en hun prediking erbij.
De tweede zaak was die van de motie inzake de homofiele mensen en het gebruik van het Heilig Avondmaal. Hier kwam wel bijzonder de kerkelijke tucht in het geding tot de tweede kenmerk van de ware kerk, namelijk de reine bediening van de Sacramenten, gelijk ze Christus heeft ingesteld. Was de eerst genoemde zaak duidelijk een zaak van leertucht, deze laatste was er een van levenstucht.
De Gereformeerde Bond
Nu moge het ieder duidelijk zijn hoe in deze beide zaken van de zijde van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is gehandeld. Ik denk dan aan het Paasnummer van 12 april van 'De Waarheidsvriend', het officiële orgaan van de Gereformeerde Bond. Wij hebben gemeend dat hierin, na het overlijden van prof. dr. F.O. van Gennep, op waardige en tegelijk ook op duidelijke wijze gereageerd is vanuit de Schrift en de Belijdenis op de uitspraak van Van Gennep, waarin hij de lichamelijke opstanding van de Heere Jezus Christus ontkende. Vervolgens wil ik dan wijzen op het Pastoraal Appèl: 'Homofiele mensen in de christelijke gemeente', als antwoord op het synodebesluit aangaande deze zaak.
Nu zijn wij ons als hoofdbestuur er terdege van bewust dat deze beide antwoorden onzerzijds geen enkele besluitskracht hebben, al vertrouwen wij erop dat er wel zeggenskracht van is uitgegaan. Ik weet ook maar al te goed dat dit spreken een spreken is vanuit de achterhoede. Ik wil daarom bijzonder denken aan hen die zich nauw met ons verbonden weten en deze zaken langs kerkordelijke weg aan de orde hebben gesteld. Zij hebben de synode en de meerdere vergaderingen of commissies aangesproken op hun verantwoordelijkheid en roeping inzake de kerkelijke tucht. Zij hebben dit gedaan om des gewetens wil, uit liefde tot God boven alles en tegelijk uit liefde tot de kerk en de naaste binnen en buiten de kerk. Dat zij daarbij een minderheidspositie innamen is niet iets nieuws. Dit is al sinds jaar en dag zo. Toch mogen wij niet zeggen dat alles wat er van de zijde van de hervormd-gereformeerden wordt gezegd aan dovemansoren wordt gezegd. Ook al wordt er beslist niet in alles naar hun overtuigend spreken besloten, het is dan toch wel gezègd en gehóórd. Bescheiden gezegd: zou het er binnen de Nederlandse Hervormde Kerk niet anders uitzien als de hervormd-gereformeerden zich hadden onttrokken aan de beraadslagingen der kerk. Zij deden dit vaak wel met pijn in hun hart in de overtuiging niet dàt gedaan te kunnen krijgen wat zij bepleitten op grond van bijbelse gegevens en de belijdenis der kerk. Bij alle moeite en pijn en tranen soms, achtten wij het toch niet verantwoord onze medeverantwoordelijkheid prijs te geven, ook al maken wij ons daardoor, naar sommigen zeggen, medeschuldig aan het kwaad in de kerk. Het is ons een wonder van Gods geduld en lankmoedigheid dat Hij ons en de Nederlandse Hervormde Kerk nog draagt. Het is ons een wonder dat deze kerk er nog mag zijn en wij dar nog een plaats in mogen hebben. Dat is dan ondanks onszelf, dankzij Christus en tot dank aan de Heere God. in ieder geval is het steeds duidelijker geworden dat de kerk niet bestaat bij de gratie van mensen, ook niet van broeders van een ander huis. De Heere geeft ons dan toch altijd nog plaats voor de reine prediking van het Evangelie en de reine bediening van de sacramenten en de vrijheid, zij het met verantwoording aan meerdere vergaderingen, om tucht te oefenen over de gemeente.
Hoe dan ook en hoe gering dan ook, de kenmerken van de ware kerk zijn toch nog te vinden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.
Niets veranderd
Wat dit aangaat is er nagenoeg niets veranderd sinds ds. W.L. Tukker in 1959 op de predikantenconcio zei: 'In onze kerk, waar anderhalve eeuw van modernisme over heengegaan is en nu weer een golf van nieuw modernisme over heen gaat, zou men kunnen zeggen, dat de tijd van het alleen maar hanteren van de woordsleutel voorbij is en dat de tijd van de bansleutel bijzonder daar is. Ik denk echter aan de arbeid van de evangelisatie en dan ook aan zoveel eenvoudig kerkvolk, dat geen verschil weet tussen zijn rechter en zijn linker hand. Mocht de gedachte aan tuchtoefening onder de druk en onder het verdriet van de kerkelijke omstandigheden, aan scheiding doen denken, dan moeten wij altijd aan dat kerkvolk denken. De mogelijkheden van de kerk en het behoud van de kerk, vraagt een uiterste clementie en een tot het einde toe aandringen met het Evangelie des Vredes. Zelfs het hanteren van de bansleutel wil geestelijk zijn. Hun behoud wordt nog altijd in het oog gevat.' Zo mogen wij ook nu nog in deze tijd onze roeping zien binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, ondanks alle bezwaren en zorgen die dit blijven met zich meebrengt. Wij mogen dit dan doen met Gods Woord, het Woord waar men altijd mee uit de weg kan. Dat is ook het Woord waar de Heere altijd nog de belofte van de gave van Zijn Geest aan verbindt.
Levenstucht
Gaat het dan toch niet allereerst om het gezag van Gods Woord, om de reine prediking van het Evangelie. Dat is het eerste kenmerk van de ware kerk. De Heidelbergse Catechismus noemt dit de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen. Hier kan de tucht ten volle functioneren en ligt de verantwoordelijkheid bij de plaatselijke kerkeraad en de predikant. Dan zijn wij niet klaar door te klagen dat de meerdere vergaderingen zoveel toelaten in de kerk. Maar wat laten wij ongestraft toe in de gemeente?
Laten we niet vergeten dat artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, over de ware kerk, ook in niet mis te verstane woorden spreekt over de ware christen. Dat mag ons, elk persoonlijk dan wel tot zelfonderzoek zetten. Daarbij gaat het dan zeker ook over de reine leer, de leertucht. Maar valt eigenlijk niet het zwaartepunt op de levenstucht? En geldt dit ook niet voor de kerkelijke tucht in zijn geheel? Het zou weleens goed zijn zich te verdiepen in de vraag: wat gaat er voorop: de leertucht of de levenstucht. Of zijn deze bijna niet te scheiden, alleen maar te onderscheiden. Heeft de kerkgeschiedenis niet bewezen, o.a. bij de dopersen, dat dwaling in de leer vaak gepaard gaat met dwalingen op het ethische vlak. Ik ben er zelfs van overtuigd dat, om de leer zuiver te houden, men moet beginnen om het leven te bewaren bij Gods geboden en inzettingen. Dan gaat de levenstucht aan de leertucht vooraf. Het is toch niet voor niets dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in art. 29 nadrukkelijk stelt dat de kerkelijke tucht gebruikt moet worden om de zonden te straffen. Nu weet ik maar al te goed dat er geen groter zonde kan zijn op een gegeven moment dan de aantasting van de grondwaarheden van de Schrift. Toch houd ik het erop dat, mede ook gezien op wat er in dit artikel volgt over de kenmerken van de ware christen, hier met de zonden zeker die van hoofd, hand en voet worden bedoeld. Het staat er dan toch maar: aangenomen hebbende den enigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den ware God en hun naaste liefhebben, niet afwijken, noch ter rechter, noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigen met zijn werken. In ieder geval behoort tot de reine prediking van het Evangelie, de verkondiging van Gods Getuigenis als regel des leven.
Ik wil daar eigenlijk mee zeggen dat wij ons niet blind moeten blijven staren op het ontbreken van de zo noodzakelijke leertucht en levenstucht in het geheel van de kerk. Wij moeten maar beginnen bij de zelfdiscipline, de heilige zelftucht. Dat is niet één van de minste facetten van de kerkelijke tucht. Wanneer wij daarbij het leerboek van de kerk volgen, de Heidelbergse Catechismus, is die heilige zelfdiscipline heel iets anders dan een leven van gebod op gebod en regel op regel. Het kan niet anders zijn dan een vrucht van het geloof en niet anders beoefend worden dan in navolging van Christus. De ware zelfdiscipline komt op uit de verzoening met God door Jezus Christus. 'Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld.' (Titus 2 : 11, 12).
Het goede gebod
Het gaat dan om de tucht vanuit de prediking, in liefde, vermanend en vertroostend. Wij mogen toch weten hoe goed het is om naar Gods geboden te leven. In Israël staan steeds voorop de vreze des Heeren en de liefde tot God en de naaste: 'opdat het u welga, om te vrezen den Heere, onze God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden (Deut. 6). Wij vinden in het onderhouden van Gods geboden iets terug vanuit het verloren paradijs. Dat is de glans van de vreugde der Wet, de vreugde van de dienst des Heeren. De Heidelbergse Catechismus laat die glans ook voluit schitteren als zij de Tien Geboden uitvoerig gaat behandelen en toespitsen op het leven van elke dag. Zij stelt daar dan de gemeente onder de levenslucht, 'vanwege een hartelijke vreugde in God door Christus en uit lust en liefde om naar Gods wil in goede werken te leven.'
'Zo behoren de Tien Geboden en hun toepassing wezenlijk bij de prediking van het heil. Zij maken er een onafscheidelijk deel van uit.' (W.H. Velema, Ethische vragen in prediking en pastoraat, blz. 29).
Dat deze levenstucht beweegt tot bekering, ervaart ieder die zich ootmoedig en begerig stelt onder de prediking, die de zonde noemt en zo ook de wet toepast op de levensomstandigheden van de gemeente en de enkeling. Er is dan toch altijd weer de spanning tussen de norm van Gods geboden en onze leefwijze. En die geboden zijn zeer wijd, oneindig groot en goed en onbegrensd.
In Israël ging het volk altijd onder de strenge regels van vermaning en belofte, van vloek en zegen, van leven en dood. Buiten de liefde en de kinderlijke vreze des Heeren, was dat een wettisch juk, te zwaar om te dragen, kil, koud en levenloos. Het kloppende hart van Gods goedheid en goedertierenheid ontbrak er in. Buiten de liefde om wekt de prediking der Wet nooit tot jaloersheid, alleen maar tot werkheiligheid en verstarring! Dan is de grens tussen wet en traditie, Gods wil en die van mensen, nauwelijks te onderscheiden. Het gaat dan om: Ik geef opdat ik ontvang; en niet: Ik geef omdat ik ontvang. Ik heb u lief omdat Gij mij eerst hebt liefgehad. Zo bezingt de dichter van Psalm 119 de liefde tot de Wet, de vreugde van het hart over de wet. We bemerken dan toch bij het lezen van dit loflied op de Wet, de worsteling die de dichter heeft om zich door de Wet onder tucht, onder leiding te laten stellen. Hij is gedurig bezig zich door de Wet te laten aanzetten tot zelfdiscipline. Het is dan ook beslist geen inlegkunde als de berijming vers 5 omschrijft met: Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest.'
Waakfunctie
De juiste beoefening van de tucht door middel van het hanteren van de Wet brengt ons steeds weer en steeds meer onder Christus, 'nemende gestadiglijk de toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus' (Ned. Gel. Bel. art. 29). Hier gaan dan de verkondiging van de Wet en de reine verkondiging van het Evangelie hand in hand. Om het te zeggen met de woorden van de Geloofsbelijdenis: de levenstucht en de leertucht. Alleen de Wet prediken en niet het Evangelie is evengrote aantasting van Gods getuigenis als alleen het Evangelie prediken en niet de Wet. Bedoelde Christus, en in navolging van Hem, de Nederlandse Geloofsbelijdenis dit soms als gezegd wordt: 'niet afwijken noch ter rechter, noch ter linkerhand.
De vreugde van de Wet is de vreugde van het hart, omdat de Wet bewaart in de dienst des Heeren. De tien geboden zijn de herdershonden van de Herder om de kudde achter de Herder te houden of, als de schapen afgedwaald zijn, hen weer terug te brengen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in het rond,
dat onbedacht zijn herder heeft verloren,
Ai zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond,
want hij volhardt naar Uw geboon te horen.
Het mag een troost zijn dat het hele leven onderworpen is aan de heilzame heerschappij van de Heere Jezus Christus, de Kurios. Dat wil ook zeggen dat de Wet, die Christus heeft vervuld, de kerk aller tijden nabij blijft als de herdershonden van de Herder. Niet om deze op een ander af te sturen en ze op deze manier bij onszelf vandaan te houden. Zowel de leer- als de levenstucht begint altijd bij onszelf, in eigen gezin en eigen gemeenschap. Zo kunnen wij zijn een lichtend licht en een zoutend zout. We behoeven dan aan de actualiteit van de Wet niet te twijfelen. Het zijn te allen tijde de regels voor het leven, de Wet van onze God. De mondige mens zegt: geen God en geen meester, hoewel hij zich wel onderwerpt, soms blindelings, aan allerlei 'ismen'. Intussen blijft die mens onrustig zoeken naar een steeds weer vernieuwde maatschappij en een nieuwe orde. Het ontbreken van de tucht in de maatschappij leidt tot wetsverzaking en wanorde, geen eerbied meer voor het leven, noch in het begin, noch bij het einde. Maar daartussen is het leven ook nergens veilig. Geen eerbied meer voor de eigendom. Geen enkele bescherming voor het huwelijk en het gezin als de kern van de samenleving. Dan is er het wegzinken van de eenzame mens in stress en verslaving, wat soms uitloopt op de zelfbeëindiging van het leven. Zo zou er nog heel veel op te noemen zijn, waartegen de kerk, met het Gods getuigenis in de hand, leiding zou moeten geven en op zou moeten roepen tot bekering. Want gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvloek der natie. Alleen het onderhouden van het gebod Gods is mens en samenleving ten goede, daarom zijn wij geroepen die samenleving te laten zien dat het ons ook in het persoonlijk leven ernst is met de eerbied voor al deze geboden.
Dan moeten we die samenleving ook laten zien dat de wortels van dit leven in Christus liggen. Zo is dat leven naar al de geboden het zachte juk van Christus dat met vreugde gedragen wordt door Christus kracht.
(Openingswoord tijdens de jaarvergaderin van de Gereformeerde Bond op woensdag 3 mei 1990 te Nijkerk.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's