De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wet en Evangelie in de prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wet en Evangelie in de prediking

25 minuten leestijd

In het vele jaren geleden verschenen boek 'Roeping en Belofte', heeft ds. L. Blok onder de titel: 'Kerk en prediking' scherpe dingen gezegd aangaande de volgorde en de verhouding van wet en evangelie in de prediking. 'De mens moet gesteld worden voor Gods wet, dat is voor de volle eis van God, opdat hij zijn verantwoordelijkheid en zijn diepe schuld en verlorenheid ga erkennen en beleven; hij moet ook gesteld worden onder de volle beloften van het evangelie'. Ds. Blok wijst in dit verband op een verontrustende verarming in de kerk. 'Allerwege wordt verzet aangetekend tegen de volgorde wet en evangelie. Zeer geliefd is de bewering, dat men niet door de prediking der wet, maar op Golgotha zijn zonden zou leren kennen'. Bijzonder scherp en duidelijk merkt ds. Blok dan op, dat door deze voorstelling van zaken 'de prediking verarmd wordt en de zielen misleid'. 'De prediking is daarom vaak zo slap en dringt zo weinig door in de gewetens, omdat de zondaar niet gesteld wordt voor de eisen Gods, om alle hoogten terneder te werpen.'
In verband met ons onderwerp willen we op deze zo bijzonder belangrijke opmerkingen van ds. Blok nader terugkomen.
Hoe de zaken liggen ten aanzien van de verhouding van wet en evangelie, is een uitermate belangrijk punt. Juist ten aanzien van deze verhouding hebben heel wat ontsporingen plaats gevonden. Men heeft zich verstrikt in allerlei onjuist tegenstellingen door bijv. de wet te vereenzelvigen met het Oude Verbond en het evangelie met het Nieuwe Verbond. Reeds in de geschiedenis van de oude kerk ontmoeten we een zekere Marcion, die het Oude Testament afkomstig dacht van een toornende en wrekende God, de God van de harde wet, en die het Nieuwe Testament zag als de openbaring van de God van het evangelie. Deze radicale tegenstelling is een uiterst grove aantasting van de Godsopenbaring in oude en nieuwe testament. Telkens weer doet zich het grote gevaar voor, dat wet en evangelie beschouwd worden als absoluut zelfstandige grootheden. Een ander gevaar is echter, dat men de één in de ander laat opgaan. De gevolgen hiervan zijn eveneens van zeer ernstige aard. Wanneer men de wet laat opgaan in het evangelie of het evangelie in de wet, raakt men in beide gevallen zowel de wet als het evangelie kwijt. In het eerste geval vervalt men in het anti-nomisme (de wet heeft helemaal afgedaan) en in het tweede geval vervalt men in het nomisme (een puur wettisch leven, zonder de diepe zin van de wet te hebben verstaan). De enige juiste weg is, dat we wet en evangelie in betrekking tot elkaar zien. Er bestaat alleen een betrekkelijke zelfstandigheid. De één kan en mag niet zonder de ander gedacht. God heeft Zich zowel in de wet als in het evangelie geopenbaard. Hij is de Heilige en Rechtvaardige, de Barmhartige en Genadige.
Er mag ten aanzien van wet en evangelie dan ook nooit sprake zijn van scheiding, alleen van onderscheiding.
In de reformatie is de onderscheiding tussen wet en evangelie duidelijk gesteld.
Om een juist inzicht te verkrijgen is het daarom gewenst eerst de verhouding van wet en evangelie na te gaan bij Luther en Calvijn.
Luther heeft de feitelijke positie van de mens gesteld als het staan van de zondaar tegenover de heilige God. Dit houdt in, dat de zondaar, wanneer hij voor het aangezicht Gods gesteld wordt, een toornende God ontmoet. In dit verband brengt Luther de wet ter sprake. De wet eist volstrekte gehoorzaamheid. Ze vraagt mijn gehoorzaamheid. En de mens kan deze niet geven. Daarmee is de botsing tussen God en de mens werkelijkheid geworden. Gode zij dank is het zo, dat niet deze aanklagende wet het laatste woord heeft, maar de genade vrijspraak schenkt en vergeeft.
Zo zeker echter als na de wet het evangelie komt, even zeker komt vóór het evangelie de wet. De diepste bedoeling van de wet is, dat ze de mens brengt naar het evangelie. Het is onmogelijk zonder meer aan de wet voorbij de lopen. De mens zou dan aan de heilige God Zelf voorbij lopen, omdat hij zonder wet niet werkelijk voor het aangezicht Gods staat.
De wet maakt de zonde tot werkelijkheid. Ze klaagt aan en benauwt. De wet maakt ook de mens werkelijk tot zondaar. Wanneer echter de wet gezien wordt als het laatste eeuwiggeldende Woord van God buiten het evangelie, leidt ze of tot valse gerustheid, die de weg baant naar de eigengerechtigheid of ze voert tot enkel wanhoop. Dan heeft de mens echter de wet losgemaakt uit de verbanden, waarin ze door God gesteld is. Het eigenlijke doel van de wet, van de prediking van de toorn Gods en het gericht Gods is niet de mens te isoleren, hetzij in zijn eigengerechtigheid, hetzij in zijn schuld.
Luther spreekt van de goedheid van de wet die in de wet gesteld is. (Denkt u maar aan 't opschrift van de wet: 'Ik ben de Heere uw God...'). De eigenlijke goedheid van de wet kan niet gezien worden, wanneer de wet losgemaakt wordt van het evangelie. Wet en Evangelie zijn niet twee aparte sferen naast elkaar. De diepste bedoeling van de wet wordt zichtbaar, wanneer zij betrokken wordt op het evangelie.
De taak van de wet is de menselijke waan van onschuld en heiligheid te doorbreken, opdat de mens eindelijk leert zien, wie hij werkelijk is voor het aangezicht Gods.
Hoe komt de zondaar nu, staande voor de toornende God, tot de genade en de vergeving? Met klem wijst Luther de gedachte af, dat de toorn slechts een stadium is, dat men als het ware vanzelf passeren kan en moet, om daarna bij de genade uit te komen. De mens staat weerloos onder de prediking van de wet en het gericht waardoor hij verbrijzeld wordt en die hem op zichzelf ook geen uitzicht biedt. De overgang van de wet naar het evangelie, van de toorn naar de genade ligt niet op het menselijke vlak, kan ook nooit gevangen worden in een formule of redenering, en ook niet doorzichtig gemaakt worden vanuit de situatie van de zondaar. (Wat heeft Luther dat in zijn eigen leven op ontroerende wijze ervaren.) De overgang van de toorn naar de genade ligt uitsluitend in de verwijzing naar het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Alleen aan de voeten van dit Lam wordt het geheim, het wonder der vergeving zichtbaar en werkelijkheid. Enkel vanuit dit wonder wordt het wezenlijke punt in de betrekking tussen wet en evangelie zichtbaar.
Het is indrukwekkend, hoe Luther dit heeft uitgewerkt. Zo zeker als de wet van de Heilige Israëls dodend, ontledigend, vernietigend is, zo zeker, neen nog veel meer is Christus leven, zaligheid, vrede. Alleen in Christus is de overwinning van de ontzettende vloek der wet. Niet de gerechtigheid van de wet redt ons, maar de gerechtigheid van het evangelie.
In en door het kruis is voor Luther de eenheid van wet en evangelie, toom en genade openbaar geworden. Wat een diep verstaan van de openbaring Gods!
Het kruisevangelie is evangelie, gefundeerd op het recht Gods. Op Golgotha zijn recht en genade, wet en evangelie, voldoening en verzoening één harmonisch geheel. Daar aanvaardt de grote Ambtsdrager Jezus Christus het recht der wet over al de Zijnen en is zo de Borg, Die voldoening geeft. Daar buigt Hijzelf onder de eis van de aanklacht, die tegen Zijn volk gehouden wordt om zo te kunnen pleiten voor vrijspraak van het rechtvaardige vonnis op grond van Zijn betaling.
Dat Luther met zoveel ernst en strengheid over Gods gericht en gerechtigheid sprak en moest spreken, kwam voort uit het waarlijk verstaan van Golgotha, waar Christus de last van de toorn Gods heeft gedragen. Maar datzelfde kruis, wat een teken en openbaring is van Gods toom, is tegelijk prediking van het evangelie der genade. Hij voor mij, daar ik anders de eeuwige dood had moeten sterven.
Het kruis predikt de gerechtigheid van. Hem, Die in Zijn heiligheid de alles vergevende, alle tegenstand overwinnende liefde is.

We willen u in dit verband ook nog graag even wijzen op een nogal opmerkelijke onderscheiding, die Luther gemaakt heeft nl. de onderscheiding van Gods 'vreemde werk' en Gods 'eigenlijke werk'. Het eerste, Gods 'vreemde werk', is dan de verbrijzeling door de wet, opdat de zondaar gebracht wordt tot de rijkdom van de genade. Het tweede, Gods 'eigen werk', is het schenken van vergeving en vrede door de gerechtigheid van Christus.
Wat heeft Luther met deze opvallende onderscheiding bedoeld? Er bestaat nl. een groot gevaar, dat men toch weer wet en evangelie uiteenhaalt, uit elkaar legt in verschillende stadia. En ook doet de mogelijkheid zich dan voor om wet en evangelie simpel tegenover elkaar te stellen als 'beulswerk' en 'troostend werk' van God.
Dit heeft Luther nooit bedoeld. Wat hij wel bedoelde, is, dat Gods 'vreemde werk' (het verbrijzelen van het zondaarshart) de weg is om tot Zijn eigenlijke werk te komen. Hij zag de verhouding tussen wet en evangelie als een verhouding, bepaald door een doel: een weg van het doden naar het levendmaken, van vreemd werk om eigenlijk werk te kunnen verrichten. Het vreemde werk heeft ten doel de macht van de zonde te breken en de zondaar terug te voeren in de gemeenschap van Gods liefde en genade. We moeten ook goed onder ogen zien, dat Luther de overgang van het 'vreemde werk' naar het 'eigenlijke werk', stelt als een blijvende actuele zaak in het leven van de gemeente van Christus. Er is een voortdu­rend doorgaan door het vreemde werk Gods om te komen tot Zijn liefde en vergeving. Het leven der genade is niet iets vanzelfsprekends. De blijvende spanning tussen 'vreemd en eigenlijk werk' wordt telkens weer zichtbaar, juist ook waar Luther spreekt over de aanvechting als een kenmerk van het geloof. Het zou ons te ver voeren hierop verder in te gaan.

Wanneer we Luther vergelijken met Calvijn in verband met de verhouding van wet en evangelie, blijkt, dat Calvijn enerzijds dezelfde noties naar voren brengt als Luther, wat betreft de aanklagende functie van de wet (We behoeven daar dus niet meer zo uitvoerig op in te gaan). Anderzijds legt Calvijn een veel grotere nadruk op de wet als de leefregel in het leven der dankbaarheid.
Vanwege dit laatste is er ook sprake van evangelie-wet, als we het verband zien tussen Christus en de wet, en vooral de betrekking tussen de Heilige Geest en de wet. Het eerste doeleinde van de wet is, dat ze ons bij Christus brengt, maar het hoogste doel van de wet is, dat we in geloofsgemeenschap met Christus door de Heilige Geest naar de wet zullen leven. 'Och, of wij Uw gehoon volbrachten. Gena, o hoogste Majesteit. Gun, door het geloof in Christus, krachten. Om die te doen uit dankbaarheid.'
Dit laatste komt bij Luther niet genoeg naar voren en is juist bij Calvijn het belangrijkste.
Dit wil echter allerminst zeggen, dat de aanklagende functie van de wet onbelangrijk is bij Calvijn. In zijn institutie zegt hij, dat de wet de toorn Gods wapent teneinde de zondaren te doen ondergaan. De wet is gelijk een spiegel, in welke we onze onmacht en uit deze onze ongerechtigheid gewaar worden en aanschouwen. Evenals een spiegel ons de vlekken van ons gelaat doet zien.
Direct daarna in de volgende paragraaf zegt Calvijn: Dat nu ons aller ongerechtigheid en verdoemenis door het getuigenis der wet verzegeld wordt, geschiedt niet (namelijk wanneer wij naar behoren vordering in haar maken), opdat we in wanhoop zouden bezwijken en de moed opgevend, in het verderf zouden storten,
't Gaat de Heere er om Zich te ontfermen in Christus. Met dit doel is de wet allereerst gegeven, dat ze van een hooggevoelend mens een nederig mens zou maken; dat ze u zou tonen, dat ge vanuit uzelf geen krachten bezit tot gerechtigheid; en dat ge zo arm, onwaardig en behoeftig tot de genade zoudt vluchten.
Hier vinden we toch een opmerkelijke overeenkomst tussen Luther en Calvijn. Is er dan wel verschil tussen beide reformatoren op dit punt? Inderdaad wel. Het verschil is in grote lijnen dit: Luther brengt, zonder het verband tussen wet en evangelie los te laten, toch zeer scherp de tegenstelling tussen beiden naar voren, omdat zijn aandacht er op gericht is elk verdienstelijk karakter van de boete en dus ook van de verbrijzeling door de wet te ontkennen. In Calvijns formulering komt meer het ene ongedeelde werk van de Heilige Geest op de voorgrond, dat zowel in wetsprediking als in evangelieverkondiging haar voortgang heeft.
Mede in verband met de grote klemtoon, die Calvijn, legt op de wet als regel der dankbaarheid, zien we bij hem veel meer de wet om het evangelie heen. Bij hem is er de nauwe verbondenheid van wet en evangelie. Geen schematisch uit elkaar leggen, maar een organische en tegelijk spanningsvolle eenheid. De ene God staat achter beiden, ze zijn geschenken van Zijn Geest. In al zijn delen ziet de wet op Christus en niemand kan de wet recht verstaan, die niet steeds op dit doel zijn blik richt. Bijzonder belangwekkend is ook wat Kohlbrugge heeft gezegd over de verhouding van wet en evangelie. Ook hij wijst er op, dat de eigenlijke en diepste bedoeling van de wet niet is onze verbrijzeling, maar ons behoud. Het is alleen maar heilzaam voor de zondaar, als hij uit de wet zijn zonden leert kennen en zich door haar tot Christus laat drijven. De wet, mits juist verstaan, vormt geen tegenstelling met het evangelie. Kohlbrugge vraagt zich af of er misschien toch een volstrekte tegenstelling bestaat tussen wet en evangelie bij Paulus (Verhandeling over Romeinen 7). In Romeinen 7 : 9 schrijft Paulus: En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar toen het gebod gekomen is, zo is de zonder weder levend geworden, doch ik ben gestorven.
Hier treffen we de wet aan als de wet des doods. Een negatieve waardering van de wet, in zoverre de wet mij mijn zonde doet kennen. Dit wil absoluut niet zeggen, dat de wet zelf verkeerd is. 'In plaats van de wet zwart te maken, zal ieder zijn aangeboren zwartheid moeten erkennen', zegt Kohlbrugge. Niet het goede, de wet, is mij ten dode geweest, maar de zonde.
Omdat de inhoud van de wet genade is, doordat ze ons onze zonde leert kennen en uitdrijft tot Christus, is het geloof in Christus, de Vervuller der wet, de voornaamste eis der wet. Zo zien we ook bij Kohlbrugge een zeer nauwe betrekking tussen wet en evangelie. Het evangelie van Jezus Christus is daarom evangelie, omdat Hij de wet vervuld heeft voor arme zondaren, die er anders eeuwig door ten onder zouden zijn gegaan.
Dit 'vervuld zijn van de wet' door Christus wordt zeer sterk beklemtoond door Kohlbrugge, wanneer hij spreekt over de heiligmaking.
Met nadruk wijst Kohlbrugge er telkens weer op, dat het ten diepste gaat om de handhaving van de wet Gods. God doet nooit afstand van Zijn wet en wil dus ook, dat de zondaar in overeenstemming met deze wet leeft.
De volledige beantwoording aan de eisen van de wet is er voor de zondaar uitsluitend en alleen in de geloofsverbinding met de Vervuller der wet.
Scherp ontdekkend is Kohlbrugge in zijn prediking, teneinde de mens er van af te brengen om zelf ook maar het geringste te doen aan de vervulling der wet in eigen kracht. De aanklagende functie der wet komt bij Kohlbrugge telkens sterk naar voren, maar ook haast hij zich tegelijkertijd om geslagen zondaarsharten op te vangen met het troostrijke evangelie van de Heere Jezus Christus.
We hebben achtereenvolgens in grote lijnen de inzichten van Luther, Calvijn en Kohlbrugge onder ogen gezien in verband met ons onderwerp: Wet en Evangelie in de prediking.
Wanneer we deze inzichten vergelijken met die van vele hedendaagse theologen, blijkt, dat er belangrijke verschuivingen zijn opgetreden.
Vooral richt zich de kritiek op Luther. De ontdekkende funktie van de wet, die uitdrijft naar Christus, waarbij dus sprake is van de wet vóór het evangelie in de weg des heils, wordt zeer bepaald in twijfel getrokken. Vanwege Luthers sterke nadruk op het aanklagende van de wet als 'het vreemde werk' van God, komt men tot het verwijt, dat hij wet en evangelie van elkaar heeft gescheiden en als een tegenstelling heeft gesteld. Is dit verwijt gerechtvaardigd?
Wat moeten we dan met Calvijn, die toch ook aan de ontdekkende funktie van de wet een zeer belangrijke plaats geeft. Dat Calvijn en Kohlbrugge niet zo zeer dit verwijt treft, komt hierdoor, dat deze beiden aan de wet een evenzeer belangrijke plaats hebben gegeven in de heiliging. Hierdoor is het al heel moeilijk hen te beschuldigen van een scheiding van wet en evangelie.
De fout, die Luther heeft gemaakt, is niet, dat hij zo'n sterke nadruk op de ontdekkende funktie van de wet heeft gelegd, maar dat hij de heiliging niet voldoende aan bod laat komen.
De rechtvaardiging is een soort eindpunt en zodoende de wet als regel der dankbaarheid niet voldoende funktioneert.
De verschillen tussen Luther, Calvijn en Kohlbrugge in aanmerking genomen, moeten we toch duidelijk stellen, dat ze alle drie een belangrijke plaats hebben toegekend aan de wet vóór het evangelie, maar dan in zeer nauw verband met elkaar.
De wet drijft uit tot Christus, het hart van het evangelie. In Galaten 3 : 24 en 25 wordt dat ook in alle duidelijkheid gesteld. De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zo zijn we niet meer onder de tuchtmeester.
Calvijn gaat er uitvoerig op in, hoe de wet funktioneert als tuchtmeester. De wet, daar zij Gods gerechtigheid openbaart, overtuigt de mensen van hun eigen ongerechtigheid. Want in Gods geboden kunnen zij als in een spiegel zien, hoe ver zij van de ware gerechtigheid verwijderd zijn. De dreigingen der wet laten ons niet met rust, tot we uitzien naar de genade van Christus.

Verhouding van wet en evangelie in de prediking van vandaag!
Wanneer we hierover nadenken, willen we er in de eerste plaats met grote nadruk op wijzen, dat er nooit een scheiding van wet en evangelie in de prediking mag zijn. Scheiding zou betekenen, dat we zowel de wet als het evangelie verliezen, althans zoals de Heere die geopenbaard heeft in Zijn Woord.
Een koude, harde wetsprediking, zonder dat daar de bewogenheid van het evangelie achter staat, gaat lijnrecht in tegen de Godsopenbaring.
De prediking van de Heere Jezus Zelf is zeer scherp en ontdekkend geweest, maar tegelijkertijd uiterst bewogen. Denkt u maar aan het laatste gedeelte uit Matth. 11. Toen begon Hij de steden in welke Zijn krachten het meest geschied waren, te verwijten omdat ze zich niet hadden bekeerd: Wee u Chorazin, wee u Bethsaida...
Na deze oordeelswoorden nodigt Hij indringend en liefelijk de vermoeiden en belasten om hen Zijn rust te schenken. Het ene staat niet los van het andere. Het grote doel is om de onder het oordeel verslagen harten in ontferming te gedenken.
Dat de wet niet losstaat van het evangelie komt op zo'n duidelijke wijze hierin uit, dat God Zijn wet heeft geopenbaard in het raam van het genade-verbond. D.w.z. de wet, die gepredikt moet worden, is niet zo maar een wet, maar de wet van de God des verbonds.
Juist daarom is de prediking van de profeten onder Israël zo buitengewoon indringend, omdat de toon van de beledigde liefde er in doorklinkt.
Jesaja, Hosea en de andere profeten dringen op het volk aan met de ingrijpende eisen van de God van Abraham, Izak en Jacob en daar doorheen smeken ze in hun prediking om het hart van het volk voor hun God. Wanneer Micha duidelijk heeft gemaakt, dat de Heere een aanklacht heeft tegen Zijn volk, vervolgt hij met het spreken in de naam van de Heere: Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
Het gaat om het stellen van de volle eisen van de Heere der Heirscharen. Waar we onder die eisen in waarheid hebben leren buigen, blijft er niets anders over dan nood en ellende. Daar wordt de roep uit de diepte geboren. 'Heere, wat Ge naar recht van mij vraagt, wil me dat uit genade schenken.' Wat worden dan de beloften Gods even zovele parelen, afgestemd als ze zijn op onze hulpeloosheid en armoede en schuld.
Zo zien we aan de ene kant een geadresseerde wetsprediking en aan de andere kant een geadresseerde evangelieprediking. Twee kanten, die niet van elkaar kunnen losgemaakt worden.

Het evangelie, de goede boodschap van bevrijding en verlossing is geen echt evangelie zonder de prediking van de wet.
De beloften van het evangelie in de Schrift zijn altijd nauwkeurig geadresseerd. Ze zijn voor de armen en ellendigen en die beven voor het Woord. Alleen, wanneer de wet met heldere en scherpe lijnen wordt gepredikt, zal Christus naar voren gebracht kunnen worden als de algenoegzame zaligmaker. Alleen zo krijgt de Christus der Schriften waarde en vindt het evangelie weerklank. Een ongeadresseerde brief komt niet aan. Een ongeadresseerd evangelie gaat over de hoofden heen en verdwijnt in de holle ruimte.
Dit is ook wat ds. Blok heeft bedoeld met hetgeen we in de inleiding in het eerste artikel hebben gezegd.
Prof. Berkhof wijst er in zijn boekje 'Crisis der Middenorthodoxie' ook op, dat, wanneer de aanklagende en vormende kracht van de wet ontbreekt, dit betekent, dat het evangelie het mensenbestaan niet meer binnengaat en dus krachteloos is geworden. Het beslissingskarakter dat aan de evangelieverkondiging eigen is, wordt niet meer beseft. De prachtigste dingen worden aangeboden, maar: vrijblijvend op zicht. Niemand heeft het gevoel in een hoek te worden gedrongen of voor een keus te worden gesteld. De dingen worden goedkoop 'aangeboden', goedkoop 'aanvaard', goedkoop 'afgewezen'. Ook merkt prof. Berkhof nog op, dat de Duitse theoloog Bonhoeffer snijdend scherp gesproken heeft van de 'goedkope genade', die in vele preken wordt vertolkt. Zulk een genade zonder de wet blijft boven ons bestaan zweven. Ze verontrust en ergert ons niet. En dat komt, omdat er in de prediking van deze genade — zonder — wet niets gebeurt.
Centraal moet in de prediking staan het bevrijdend en heerlijk evangelie van Jezus Christus en Dien gekruisigd. Hierin alleen ligt onze zaligheid. 'Het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.' ledere prediker, die hier waarlijk ernst mee maakt, zal het ook weten dat dit kruisevangelie niet losstaat van de wet Gods, maar juist een herstel is van die wet. De wet, die ons, arme zondaren, tot in ons gebeente veroordeelt en terneerwerpt voor de heilige God, zien we dan door het evangelie vervuld in Christus Jezus. Dat is geadresseerd evangelie. En bepaald geen goedkope zaak. 'Gij zijt duur gekocht.'
In de inleiding hebben we erop gewezen, dat ds. Blok spreekt van een verontrustende verarming in de kerk vanwege het verzet tegen de volgorde van wet en evangelie. Hoewel we uitermate voorzichtig moeten zijn met het stellen van een bepaald schema (de verhouding ligt in de bijbel erg beweeglijk en bewogen) moeten we toch in alle duidelijkheid spreken van een volgorde wetevangelie, gezien de openbaring in de Schrift.
De bijbel begint met de Schepping. Hierop is gebaseerd de bijzondere betrekking van de mens tot God, Zijn Schepper. Dit is een betrekking van gehoorzaamheid en liefde. Wat is dit anders dan het in volkomen harmonie leven met de wet van God, die juist gehoorzaamheid en liefde vraagt. Deze betrekking is door de zonde totaal verstoord. In het ernstig nemen van de liefdewet van God, moet ik het belijden: Ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Dit is niet zomaar een nuchtere constatering van een feit, maar ontzettende werkelijkheid. Een werkelijkheid, die ontzet. Op deze werkelijkheid is het evangelie van Christus' komst en heilswerk gebaseerd. Het is Christus Zelf, Die deze totaal verstoorde betrekking herstelt voor een ieder, die in der waarheid onder de wet en het evangelie leert buigen.
Wanneer wij duidelijk en bewust spreken van de volgorde wet — evangelie, treft ons het bekende verwijt, zoals prof. Berkhof dit ook uitspreekt, dat we het evangelie voorwaardelijk maken. Dat wil zeggen, dat de mens eerst aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
Eerst moet de mens voor God verbrijzeld worden. Pas dan mag hij op Christus zien en de beloften van het evangelie aanvaarden.
Is het zo, dat in de klassiek-gereformeerde prediking het evangelie 'onder voorwaarden' wordt verkondigd?
Het evangelie kent geen voorwaarden. Overtuiging en kennis van zonde zijn ook geen voorwaarden. Het gaat om de weg, waarlangs God de kennis der verlossing werkt. De mens zal eenvoudig niet eerder op Christus zien dan wanneer hij werkelijk voor het aangezicht Gods als zondaar gesteld wordt. De beloften van het evangelie zijn voor armen en ellendigen, voor mensen, die niets meer hebben dan zonde en schuld, voor mensen, die zich op niets, letterlijk niets kunnen laten voorstaan. Het gaat juist om mensen, die aan geen enkele voorwaarde meer kunnen voldoen, omdat ze er helemaal buiten vallen. Dan leren we het ook recht verstaan, wat de Heere heeft gezegd: Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israëls, maar om Mijns grote naams wil.

Dit wil intussen niet zeggen, dat er geen grote gevaren opdoemen in verband met deze zaak. Het arglistige mensenhart weet er zowel naar de ene als naar de andere kant een caricatuur van te maken. Het grote gevaar is wel, dat de prediking der wet op zichzelf wordt gesteld en dat daarnaast, zonder eigenlijk verband, ook nog zo iets is als evangelieverkondiging. Sterk moeten we ons daartegen verzetten.
Onze wetsprediking moet ook ten volle Christusprediking zijn. De geestelijke diepten van de wet Gods zien we juist daar, waar de Christus de wet hanteert en Zich in Zijn kruisgang en kruislijden en kruisdood onder de wet stelt.
Betekent dit alles nu, dat we in de prediking de volgorde wet en evangelie als een systeem naar voren moeten brengen. Dat is een dodelijk gevaarlijke verwringing van het Woord, zoals de Heere het ons heeft geschonken.
We dienen niet uit te gaan van een systeem, maar het Woord God moet verkondigd worden in al z'n facetten. En wanneer het Woord Gods werkelijk verkondigd wordt en de Heilige Geest naar de belofte door die prediking heen Zijn grote werk verricht, worden zondaren neergeveld in het stof en opgericht ten leven. De werkelijke verkondiging van het Woord Gods kan niet anders zijn dan verkondiging van de eisen van God (de wet) en verkondiging van de ontfermende genade in de Heere Jezus Christus (het evangelie). Wat de uitwerking van de verkondiging van het Woord Gods betreft, ook ten aanzien daarvan houdt de Heilige Geest er geen bepaald systeem op na. De één wordt anders geleid dan de ander. De één soms zeer sterk door de wet, de ander soms zeer sterk door het evangelie. Brakel heeft zich daar uitvoerig over uitgesproken in zijn 'Redelijke Godsdienst', wanneer hij handelt over het werk van de Heilige Geest in de wedergeboorte. We willen enkele uitspraken van Brakel aanhalen:
'Sommigen worden overgebracht door en met grote verschrikkingen en ontsteltenis der wet, des doods en der verdoemenis, als op de Pinksterdag en de stokbewaarder.
Sommigen op een zeer evangelische wijze: de zaligheden en de volheid van de Middelaar Jezus Christus overstelpen de ziel en de zoetigheden van de evangelische goederen vervullen zo hun zielen, dat ze geen tijd hebben op hun zonden met verschrikking te denken: Maar ze worden als verslonden door het evangelie en ze ontvangen Jezus met blijdschap, als Zacheüs.
Sommigen brengt de Heere over in vele "bedaertheyt" door het gezicht van de waarheden; in "bedaertheyt" zien ze hun zonden en ellendige staat buiten Christus en de zaligheden der Bondgenoten, alsmede de waarheid van de aanbieding van Christus door het evangelie. In dit beschouwen der waarheden werden ze allengskens buiten hun weten veranderd en worden der waarheid gehoorzaam en door de kennis der waarheid worden ze gelovig en hun hart wordt gereinigd. Zij hebben niet veel smartelijke droefheid, ook geen verrukkende blijdschap; maar een genoegen in en zoete approbatie van de waarheden, zowel ten opzichte van hun ellende als de zaligheid in Christus en hun aanneming van en ver­laten op Christus. Dit zijn doorgaans de bestendigste en vastste Christenen.
Sommigen worden bekeerd allengskens met vele verwisselingen van droefheid, blijdschap, geloof, ongeloof, strijden, overwinnen, vallen, opstaan. En dit is de gewone weg, die God doorgaans houdt in de bekering van de meeste.'
Tot zover dit nogal lange citaat van Brakel (Goede stof om er nog eens verder over na te denken). Waar het tenslotte om gaat in de prediking van wet en evangelie? Dat we door de wet tot Christus worden uitgedreven om in geloofsgemeenschap met Christus door de Heilige Geest naar de wet te zullen leven.
Het evangelie moet worden gepredikt, dat voortdurend begeleid wordt door de wet. Uiteindelijk gaat het om de wet van God, d.w.z. om eenmaal in volkomen overeenstemming met de wil des Heeren te leven. In die zin heeft Kohlbrugge gelijk, wanneer hij zegt, dat het evangelie tijdelijk is en de wet eeuwig is.
Aan alle dingen heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd!

(Referaat gehouden op de jaarvergadering va de Gereformeerde Bond op woensdag 30 mei 1990 te Nijkerk.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wet en Evangelie in de prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's