Zijn profetische arbeid
Jeremia (7)
De profetie noemt de zonden bij de naam. Hier: echtbreuk (5 : 8) in afschuwelijk crue bewoordingen, over 'welgevoederde hengsten, die vroeg op zijn en hunkeren, een ieder naar zijns naasten huisvrouw'. Jeremia klaag: ''k wilde dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, dan zou ik mijn volk verlaten en van hen trekken; want ze zijn allen overspelers, een trouweloze hoop (9 : 2). Bedriegerij tiert welig achter de formele facade van de godsdienst. 'Ze zetten een verderfelijke strik, ze vangen de mensen, gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn ze groot en rijk geworden; ze zijn vet, ze zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan ze te boven, de rechtzaak richten ze niet, zelfs de rechtzaak van de wees; nochtans zijn ze voorspoedig' (5 : 26-28). Jeremia blijft uitermate op zijn hoede en schroomt niet concreet te zijn.
Op onze hoede!
Een les voor ons als dienaren van het Woord. Het aspect van de profetie, ook in het concreet verkondigen van gebod en verbod, mag aan onze bediening niet ontbreken. Anders verliest zij haar kracht en haar hoogspanning. Maakt zij de genade Gods goedkoop en transformeert zij de verkondiging van het Woord tot een gevaarloos bezig zijn. Wij hebben in onze dienst de heiligheid Gods hoog op te richten. Dat is niet oudtestamentisch, dus niet meer ter zake, nee, dat is een voluit bijbels gegeven. Daarom moeten wij geen profeten zijn die slapen en indommelen in zoete, zachte dromen. Daarom moeten wij ons niet op het verkeerde been laten zetten door en in 'gouden tijden'. Waaraan daarbij te denken? Aan volle kerken (waar dat nog voorkomt) en aan volle avondmaalstafels, aan een perfect geoliede organisatie van het gemeenteleven. Dat bestaat nog in vele gemeenten. Eensdeels mogen we daar blij mee zijn. Maar... het staat niet garant voor een bloeiend geestelijk leven, voor een diep geloofsleven. Het kan soms in de gemeenten, bij alle goede dingen, toch hol en ietwat metalig klinken. Er is veel gerucht en gedruis, veel aktie en veel bezigheid, terwijl het tere leven met God wegebt. Ik teken geen algemeen geldende en overal voorkomende verschijnselen. Een ieder zij niettemin op zijn hoede. Al dergelijke zaken sluipen te gemakkelijk binnen wanneer de prediking aan spankracht en aan zeggingskracht verliest. En dat gebeurt altijd en overal waar zij van haar hoge en alles beheersende plaats wordt verdrongen ten gunste van wàt dan ook.
Voor echt preken is altijd moed nodig geweest. Dat geldt heden zeker niet minder. Althans voor concreet preken. Een dominee is aardige wanneer en zolang hij zegt wat ieder al dacht en goedkeurt. Er waart soms een zucht naar zelfbevestiging door de gemeente — links en rechts, om die nare termen te gebruiken — die niet minder dan een terreur is en een levensgrote verzoeking voor een dienaar van het Evangelie. Wij kunnen van Jeremia leren — en wellicht moeten wij het weer méér leren — wat 'heilig dwarsliggen' is. Niet om hoekig en dwars te zijn als een doel op zich, maar ter wille van het wezenlijke heil van mensen. Daarom moeten wij de zonden aanwijzen en noemen in de vele gedaanten waarin zij zich hullen. En telkens ervaren wij dat fronten soms opduiken op plaatsen waar wij ze wellicht niet vermoeden. Nooit ervaren dat vijandschap tegen God zich kan maskéren met tamme rechtzinnigheid, met vroom, oppervlakkig gekeuvel? Vergeten wij niet dat een aangrijpend stuk als Romeinen 3 : 9-20 ook een meelevende gemeente op het lijf geschreven is! Het geldt jood en heiden, verbondskind en vreemdeling, aldus Paulus. Moet het ons nog verbazen dat soms lieve schapen in bokkige beesten veranderen en de onkunde in geestelijk opzicht met een mokervuist uit kan halen? Jeremia heeft vinnige vijandschap te verduren gehad van wat wij trouwe kerkgangers zouden noemen. Helaas, het bleken mensen te zijn zonder kennis van hun eigen hart. En wee Jeremia's gebeente dat hij durfde te ontmaskeren. Er is niets nieuws onder de zon. Wat moet deze man een ongelooflijk zware taak hebben gehad. Niettegenstaande de uiterlijke herstelling van de eredienst, kondigt hij onverkort de gramschap Gods aan in de gerichten, die op til zijn. Het volk moet niet denken dat uiterlijk vertoon de Heere van Zijn rechtvaardig oordeel kan afbrengen.
Verder verval
De derde fase in de profetische arbeid van Jeremia wordt gekenmerkt door een diepe inzinking en een verdere achteruitgang van het geestelijke en zedelijke gehalte van het volk en zijn regering. Koning Jojakim zit dan op de troon. De man, die de boekrol van Jeremia snee voor snee verscheurt en versnippert en verbrandt. Duidelijker dan daarin kon de vijandschap van vorst en volk jegens God niet worden gedemonstreerd. Jojakim is de religieus-indifferente mens. De man, die zich 'er niet druk om kan maken'. Die dan wel niet allerlei oude, afgodische praktijken herstelt, maar evenmin de hand houdt aan de handhaving van de dienst des Heeren. Ingekapseld door zijn hofkliek, die Jeremia niet anders zien kan dan als een man van de nachtschuit, een aarts-conservatieveling, laat Jojakim Gods water over diens akker lopen met het vanzelfsprekende gevolg dat alle zonden weer springlevend worden en land en volk dieper wegzinken dan voorheen in het moeras van ongerechtigheid en ongegrond zelfvertrouwen. Dat laatste brengt de koning, daarbij aangespoord door zijn rijksgroten, ertoe af te vallen van Babel.
Rechtsverkrachting en volksverdrukking zijn de heldendaden op het conto van Jojakim. Jeremia — hij weer! — verheft er zijn stem tegen. Zelfs wordt hij met een goddelijke opdracht rondgezonden door heel het land om in alle steden te waarschuwen tegen de verbreking van het onder Josia bezworen verbond en de verbondbrekers met het geduchte oordeel van de Heere te bedreigen (11 : 6 v.v.). En dit is ook de fase waarin het 'kwaad uit het Noorden' duidelijker vorm krijgt. In het vierde jaar van Jojakim, na het winnen door de Babyloniërs van de slag bij Krachemis, wordt duidelijker wie de grote executeur is: de wreker der wraken Gods, Nebukadnezar. Nee, die slaat nog niet meteen toe. En dat kweekt weer een vals vertrouwen onder het volk dat het zo'n vaart niet loopt met dat oordeel. En opnieuw kraakt de stoorzender van het 'station Jeremia': vergis u niet, het is zeker dat het oordeel nadert!
Formalisme
Naast deze opnieuw uitbrekende zonden, blijft in deze fase van Jeremia's profetische arbeid, het front ook liggen tegenover het voortdurend formalisme en het vasthouden aan de tempel in Jeruzalem als garantie dat God de troon onder Zijn volk nooit zal op geven. Men heeft de Allerhoogste aan banden gelegd en opgesloten in dat gebouw van hout en steen. En men heeft in de tempel en het onverliesbaar geachte bezit daarvan een oorzaak voor het vlees gevonden, een vrijbrief om er maar op los te zondigen. Dan slaat de bliksem in, dan dondert het oordeelswoord temidden van dat volk in de zogenaamde 'tempelprediking' van Jeremia (7 : 1-15), 'Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn dezen! Want gaat nu heen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël.' En dan even later: Zo zal Ik aan dit Huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen gelijk als Ik aan Silo gedaan heb!'
Toen had bijna het uur van Jeremia's dood geslagen! Valse profeten, met in hun kielzog de priesters, zweepten het volk op om de dood van Jeremia te eisen. Maar de kloeke verdedigingsrede waarin hij zich op zijn goddelijke zending beroept, wendt dat gevaar af (26 : 12-16). 'De Heere heeft mij gezonden om tegen dit Huis en tegen deze stad te profeteren de woorden, die gij gehoord hebt... maar weet voorzeker dat gij, zo gij mij doodt, gewis onschuldig bloed zult brengen op u, op deze stad en haar inwoners; want in der waarheid, de Heere heeft mij tot u gezonden om al deze woorden voor uw oren te spreken.'
Valse profetie
Bitter en zwaar is de strijd geweest met de valse profetie. En dat in steeds toenemende mate. Mannen, die zich, net als hij, beriepen op goddelijke zending maar lijnrecht het tegenovergestelde verkondigden van de boodschap, die de Heere Jeremia had opgedragen uit te spreken. Het voert te ver om hier allerlei plaatsen uit dit bijbelboek te noemen. Vooral Jeremia 23 is uiterst belangwekkend. Maar het volk was op de hand van de valse profeten Begrijpelijk. Wie heeft er zin in storm, onweer, straf en oordeel? Maar de Heere oordeelt anders: 'Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel, zij spreken het gezicht huns harten (!), niet uit des Heeren mond. Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: de Heere heeft gesproken, gij zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: u zal geen kwaad overkomen (...)'.
De actualiteit van dit alles kan ons heden moeilijk ontgaan. Met kerkelijk gezag gesanctioneerde leugensprekers noemen het kwade goed: heil! De kwaaddoeners. U hebt niets te vrezen. Mij dunkt dat een en ander niet zo moeilijk te concretiseren valt. Het is een benauwende tijd als het slechte goedgepraat en het goede in de verdachte hoek wordt gezet. Ook in de Psalmen is menigmaal deze diepe nood tastelijk voor handen. Hangt het niet samen met het zich terugtrekken van God, de Allerhoogste? Er is alles te vrezen wanneer de leugen triomfeert over de waarheid, wanneer de laatste in ongerechtigheid met woorden en daden wordt ten onder gehouden.
Over lijden aan de Kerk gesproken! Heeft iemand dat dieper doorleefd dan deze man Gods? Daar zit geen greintje verdienste of romantiek in. En wij moeten het maar niet tot een heilig program uitroepen. Het is al zwaar en ernstig genoeg wanneer het over ons komt, wanneer Gòd het over ons brengt! Maar het is kennelijk inherent aan de verkondiging van de waarheid. Wij behoeven ons daarvoor echt geen profetenmantel om te hangen en een martelaarskroon op te (laten) zetten. Wij ontgaan het niet wanneer wij getrouw de Schriften verkondigen. En helemaal stil mogen wij worden wanneer wij bedenken dat in de ontlading van het ongenoegen Gods (en waarom zouden wij dat niet verdiend hebben?), van al onze instituten en kerken en organisaties geen steen op de andere gelaten kan worden. Silo ging ten onder. Jeruzalem, de tempel, Gods altaren, hun trof eenzelfde lot. Laten wij niet stoffen op stenen, schermen met macht — ook niet in de kerk! — vertrouwen op wat wij opzetten en tot stand brachten. Er kunnen dagen komen dat wij wenen moeten over gruis en puin. Als ingestort zal zjn wat nu nog stáát. Laten wij de hoogten van kerkelijke zelfgenoegzaamheid en vrome trots slechten, eer God, de Heere, onze hoog steigerende burchten verpulvert. Het zou ook vandaag nodig kunnen zijn meer te smeken en ons te verootmoedigen dan te dóen... Als Mijn volk zich schuldig kent, zal Ik het Mijn heil doen zien, zegt de Heere. Daarin zit, hoe donker de dingen er ook uit kunnen zien, een adembenemende ruimte. Om terug te keren. Tot de Springader van het levende water. Om schuldige harten en handen op te heffen tot Hem, die aan Zijn verbond gedenkt van geslacht tot geslacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's