Naar een conciliaire kerk?
Op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, die vorige week (30 mei) te Nijkerk werd gehouden, kon ondergetekende niet aanwezig zijn. Derhalve is het referaat, dat was voorbereid, niet uitgesproken en ook niet gepubliceerd. Met dankbaarheid mag worden geconstateerd, dat ds. R.J. van de Hoef wilde vervangen. Zijn referaat stond in De Waarheidsvriend van vorige week. In dit nummer treffen de lezers de tekst aan van het referaat, dat gereed was om uitgesproken te worden.
De titel van dit referaat zou in eerste instantie wat vreemd kunnen overkomen. Moeten we naar een conciliaire kerk? We proeven er in het woord concilie, we ontdekken er ook in het woord conciliair, zoals het in het huidige conciliaire proces voorkomt. Als zodanig zal het ook aan de orde komen en daarom heb ik er bewust een vraagteken achter gezet. Toch zal bij de nadere uitwerking blijken dat, mits recht verstaan, we het thema ook van een uitroepteken zouden kunnen voorzien.
Concilies
Op de keper beschouwd zijn concilies onlosmakelijk verbonden geweest met de ontwikkeling van de vroeg-christelijke kerk. Er zijn befaamde concilies, beroemde kerkvergaderingen geweest. Daar vond de worsteling plaats om het rechte belijden terwille van de voortgang van de Evangelieverkondiging in de wereld. Hoe moeten we de boodschap, die Jezus ons naliet, liever nog: hoe moeten we de betekenis van Zijn persoon en werk verstaan? In feite ging het telkens om de Godsleer, om het belijden aangaande de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Op het concilie van Nicea (325 n. Chr.) ging het over de leer aangaande de Drieëenheid. Daar werd Arius veroordeeld, die meer de nadruk legde op de eenheid in God dan op de triniteit.
Op het eerste concilie van Constantinopel (381) werd de geloofsbelijdenis van Nicea vastgesteld, waarbij het geloof in de Heilige Geest centraal stond.
Op het eerste concilie van Efeze (431) werd de incarnatieleer verdedigd tegenover Nestorius, die scherp onderscheid maakte tussen de menselijke en de goddelijke natuur van Christus.
Op het Concilie van Chalcedon (451) werd een uitspraak gedaan over de twee naturen van Christus, verenigd in één persoon: 'waarachtig God en waarachtig mens'.
Het kan niet mijn bedoeling zijn uitvoerig op elk van deze concilies in te gaan. Wat ermee gezegd wil zijn is, dat concilies in de vroeg-christelijke kerk bezig waren met de heilige leer, geconcentreerd op de Openbaring en het werk van de drieënige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Aan die concilies hebben we belijdenissen of belijdende uitspraken te danken, die de eeuwen hebben verduurd, die in de kerk der eeuwen een niet meer weg te denken plaats hebben gehad. De leer der Schriften werd verdedigd tegenover hen, die de Schrift op essentiële punten misverstonden, misinterpreteerden of aanrandden. Als zodanig hadden de concilies van meet af, in hun belijdend spreken, de drieslag, die aan elke belijdenis eigen is: een stok om te slaan (om de dwalingen te weren), een staf om te gaan (om de leer der Schriften te verwoorden) en een lied om te zingen (om getuigenis te geven naar de gemeente en naar de wereld omtrent datgene wat de kerk geloofde en beleed). Het lied van het dogma was aan de orde.
Rome
In latere tijd, na het grote schisma tussen de kerk van het westen en het oosten in 1050, werd het concilie als een soort monopolie geclaimd door de kerk van Rome. Maar — zeggen wij als protestanten vandaag — op die concilies werden juist vaak uitspraken gedaan, die vaak niet in overeenstemming waren met de leer der Schriften.
Op het vierde Lateraans concilie (1254) werd de rooms-katholieke leer van de transsubstantiatue officieel vastgesteld. Op het concilie van Trente (1545-1563) werd de banvloek over de Reformatie — gekenmerkt door alleen de Schrift, alleen genade, alleen geloof — uitgesproken en werd de katholieke leer in een contra-reformatie vastgelegd.
Op het Eerste Vaticaans concilie van 1870 werd de leer van Trente nog eens officieel bekrachtigd en werd de leer van de onfeilbaarheid van de Paus aanvaard.
Op het Tweede Vaticaans concilie, gehouden van 1964-1965, wilde Paus Johannes XXIII de Rooms Katholieke Kerk, na de crisis van de wereldbrand in de jaren '40-'45, kerk vernieuwen. Maar die vernieuwing betekende niet een afrekening met die onbijbelse zaken, waarmee de Reformatie korte metten had gemaakt. Het was niet zo dat de rechtvaardiging van de goddeloze, door het geloof alleen, in Christus alleen het hart van het belijden der Rooms Katholieke Kerk werd. Men kwam niet terug op eerder ingenomen posities inzake de leer. Wel heeft zich binnen de Wereldkerk van Rome een sterkere maatschappelijke gerichtheid ontwikkeld, hetgeen ook, in het ene land meer, in het andere minder, leidde tot een moderne maatschappijkritische stroming. Vooral in de Nederlandse kerkprovincie heeft dat tot spanningen geleid. Maar de kerkvernieuwers in Rome waren geen reformatoren.
Wij moeten intussen zeggen, dat de concilies van de Rooms Katholieke Kerk door Rome zèlf wèl worden geacht in de traditie van de concilies van de vroeg-christelijke kerk te staan. Maar intussen gaat het gezag van de kerk zélf op deze concilies het gezag van het Wóórd te boven. Het zal duidelijk zijn, dat wij, wanneer we willen leven bij de beginselen van de Reformatie, met een conciliaire kerk, een op concilies gerichte kerk als de kerk van Rome, niet uit de voeten kunnen. Juist ook op kerkvergaderingen zal het moeten gaan om het Sola Scriptura, wil er, werkelijk gezag van uitgaan. Het gaat bij Rome ook vaak meer om de eenheid van de wereldkerk dan om de leer der Schriften, die voor de concilies in de vroeg-christelijke kerk kenmerkend waren.
Oecumenisch
Nu zijn er intussen in deze eeuw oecumenische pleidooien gevoerd voor het houden van concilies. In 1934 zei Dietrich Bonhoeffer: 'Laten de kerken uit de hele wereld in concilie bijeenkomen, om in het aangezicht van de komende wereldbrand een woord te spreken, dat bevrijdt uit de ban van de haat. Een woord, dat de wereldmachten knarsetandend zullen aanhoren, maar hun invloed zal breken voor het te laat is. De volken zullen zich verheugen omdat de kerk van Christus haar zonen de wapens uit de hand neemt en hun de oorlog verbiedt en de vrede van Christus uitroept over een razende wereld'. Niemand zal dunkt me durven ontkennen, dat Bonhoeffer hier in een vroeg stadium onderkende welke ontzettende ontwikkelingen zich in Duitsland en zo in het geheel van Europa gingen voordoen. Ik heb er geen enkele behoefte aan om af te dingen op de oproep als zodanig. Het gaat er me echter wel om, dat hier het concilie een oecumenische duiding ging krijgen, hoewel ook werd losgemaakt van het roomse alleenrecht.
Intussen wordt vandaag deze oecumenisch-conciliaire gedachte van Bonhoeffer lovergenomen in wat dan heet het conciliaire proces. Over het proces zelf is reeds zoveel gezegd, dat ik volsta met het alleen maar te noemen. Maar in het kader van het conciliaire proces wordt nu ook gepleit voor een conciliaire kerk, voor een kerk, die zich wereldwijd beraadt op de op zichzelf ernstige vragen van vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping, omdat zich ten aanzien van deze vragen zulke noodlottige ontwikkelingen voordoen in de wereld, waarin we leven.
Dr. C.F. von Weizsäcker, de initiatiefnemer van het conciliair proces, pleitte ook voor een bezinning van de kerken in wereldverband en ging intussen nog een stap verder, doordat hij aan de einder van het proces zag een beraad van de wereldgodsdiensten, een concilie van wereldgodsdiensten dus. De eerste aanzetten daartoe zijn reeds gegeven. In Nederland hadden we een Kerkendag, in Basel een Europese assemblee, en in Seoul een wereldberaad in het kader van het conciliair proces.
Als dan nu hier het woord concilie valt, in moderne setting, zijn we intussen wel ver verwijderd geraakt van waar het in de vroeg-christelijke concilies om ging. We moeten juist zeggen dat, waar het in de vroeg-christelijke concilies ging om de leer aangaande God, we vandaag in het conciliaire denken het gericht zijn op God en diens Openbaring — om het rechte belijden — node missen. Daarom krijgt het conciliair proces ook zo'n horizontalistische invulling. Christus ontbreekt erin. Hij is onze Vrede, Hij is onze gerechtigheid en Hij is, dank zij Kruis en Opstanding, de garantie voor een nieuwe schepping, voor de definitieve ontmaskering en uitschakeling van alle machten, die zich in de wereld breed maken.
Waar het vandaag echter in het conciliaire denken om gaat is zeer duidelijk verwoord in een artikel in Evangelisch Commentaar van 15 september 1989 van de hand van prof. dr. G.L. Goedhart (het was een belangrijk deel van zijn afscheidscollege aan de protestantse faculteit in Brussel). In dit artikel werd bepleit de noodzaak van een concilie. Goedhart vat een concilie op als 'een gezaghebbende gemeenschap van tenminste (curs. van mij, v.d.G.) de christelijke kerken, die bindende uitspraken doet.' Het moet dan gaan om 'heil voor wereld en kerk' (let wel: wereld gaat voorop).
Het gaat om het behouden worden van allen, zo vervolgt hij. Goedhart wijst dan op Hand. 27 : 14-44, waar de schipbreuk van veertien dagen en veertien nachten aan de orde is, maar waarvan het happy end was, dat allen behouden aan land kwamen. Welnu, zo luidt de slotconclusie, de aarde is een schip. 'Willen we niet vergaan, dan zullen we moeten werken aan het behoud van allen.'
Het zal duidelijk zijn dat behoud hier louter lijfsbehoud is. En dat dit behoud bereikt wordt door ons werken. Goedhart gaat dan in op het document van Basel en betoogt, dat bekering tot God vandaag betekent een overstijgen van de kerkelijke verdeeldheden met het oog op de schreeuw van de wereld in doodsnood. En zo moet kerkelijke conciliariteit, met het oog op de vragen van vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping, betekenen het overstijgen van onze kerkelijke verdeeldheid om in deze zaken bindende uitspraken te doen.
Nergens, zo moet ik in alle eerlijkheid zeggen, trof ik in dit pleidooi voor een conciliaire kerk enige notie aan, die nog in relatie staat met het belijden van de kerk der eeuwen. Het gaat om bindende actiemodellen. Genoeg hierover. Ik wil dit eerste deel van mijn lezing besluiten met de conclusie, dat de dwaling van de algemene verzoening (versta mij goed: de dwaling) kinderspel is vergeleken bij de ketterij, die achter dit conciliaire denken zit. Ik wil dat in het tweede deel van mijn betoog nader uitwerken.
Verzoening
Wanneer we de uitdrukking conciliair gebruiken kunnen we dit ook in verband brengen met verzoening. Conciliëren betekent verzoenen. Voor verzoenend handelen wordt dan ook vaak het woord conciliant gebezigd. We zouden conciliair derhalve ook kunnen interpreteren als gericht op verzoening. Als zodanig zou ik aan het begrip conciliaire kerk graag een positieve inhoud willen geven. Want waaraan anders dankt de kerk haar bestaan, haar roeping, haar opdracht dan aan de Verzoening? De verzoening is immers het hart van het christelijk geloof! Op het kruis van Golgotha voltrok zich het rechtsgeding tussen God en mens. Daar voltrok zich het rechtsgeding tussen God de Vader, als Rechter — aan Zijn gerechtigheid dient genoeg te geschieden, zegt onze Heidelberger — en Christus, die als Zoon des mensen boette voor de menselijke schuld. Zo werd Hij voor de Zijnen de schuldovernemende Borg, de Middelaar, die tussentrad tussen de Vader en de schuldige zondaar. Daar betaalde Hij de losprijs voor velen. En zo is de kerk geroepen de boodschap van Verzoening en Verlossing uit te dragen in de wereld en, op grond van het zoenoffer van Christus, de wekroep te laten horen: wij bidden u van Christuswege, laat u met God verzoenen. Want Dien, die geen zonde heeft gekend, heeft God tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem' (2 Cor 5 : 20, 21).
Dit hart van het Evangelie is vandaag in bijzondere zin in het geding. Deze leer van de verzoening is door Anselmus (1033-1109) nader uitgewerkt in zijn befaamde geschrift 'Cur Deus Homo?' (Waarom werd God mens?). Deze leer van Anselmus echter en daarmee ook de leer, zoals die ontvouwd wordt in zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus, heeft de eeuwen door onder spervuur van kritiek gelegen. Anselmus zou het verstand te veel hebben laten domineren om zo tot het geloof te komen. Maar God kan, zo leert de Schrift, de zonde niet door de vingers zien. Ds. G. Boer zegt in zijn boekje over de Verzoening dat 'de ernst, de schuld en de last van de zonde Anselmus op de ziel brandt'. 'Wij hebben Gods eer aangetast en Gods plan met de wereld vernietigd. Dat is niet met gehoorzaamheid goed te maken. God moet òf de zonde straffen òf genoegdoening ontvangen'.
Omdat de mens gezondigd had, moest de straf aan de mens worden voltrokken. Daarom werd God mens. 'De Godmens', Jezus Christus gaf voldoening aan God.
Als het over de verzoening gaat — zegt Boer — vallen ten diepste de beslissingen in de Godsleer, of beter in de kennis van God. 'Alle andere geschilletjes zijn gevolgen van deze centrale zaak: de kennis van God en Zijn deugden. Wij zouden kunnen zeggen: Zeg mij welke God gij kent en ik zal u zeggen hoe uw verzoeningsleer eruit ziet. Daarom heeft de prediking van de verzoening en de controversen daarin zulke benauwende afmetingen. In de grote controversen inzake de leer van de verzoening gaat het om de meest persoonlijke, bevindelijke ontmoeting met God, die doodt en levend maakt, veroordeelt en vrijspreekt, doet wegzinken en doet opkomen, afsnijdt van onze oude wortel en inlijft in Christus.' Aldus G. Boer.
Zeg mij welke God gij kent... Daar gaat het om. Als God alleen liefde is, weten wij geen raad met noties als straf en vergelding. Elke mens wordt dan gezien in de ruimte van Gods liefde. Bij consequente doordenking daarvan komt men dan uiteindelijk uit bij de leer van de algemene verzoening. Deze dwaling, die niet van vandaag of gister is en die alleen te verdedigen is als men een Schriftkritisch standpunt huldigt, heeft de kerk in de loop der eeuwen grote schade berokkend. De ernst van de prediking, de ernst van de wekroep tot geloof en bekering is erdoor ontkracht. Het 'Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig' heeft niet meer die spits, die ernst die het bij Paulus heeft.
Intussen herhaal ik dat deze dwaling van de algemene verzoening nog maar kinderspel is bij de ketterij, die vandaag aan de orde is ten aanzien van de verzoening.
Zeg mij welke God gij kent... Velen zijn vandaag van mening dat het geloof in de persoon van Christus en diens werk, waarvan de vroeg-christelijke kerk in haar concilies zo indrukwekkend belijdenis heeft gedaan, in onze tijd niet meer terzake is. De moderne theoloog Rudolf Bultman heeft gezegd dat wat het Nieuwe Testament over Christus zegt in belangrijke mate 'mythisch' is. Bewoordingen als dat Christus de Zoon van God mens werd, dat God Zijn Zoon heeft gezonden, dat Hij is opgestaan uit de dood en dat Hij nu zit aan de rechterhand van de Vader, moeten niet letterlijk worden genomen. Het gaat hier om een vóór-wetenschappelijke, verouderde wereldbeschouwing van de eerste Christenen. Maar voor moderne mensen is het zo, dat de wereld waar de Zoon van God heen terugkeerde geen andere wereld is, dan die waar Hij vandaan kwam: onze wereld. Voor onze tijd betekent dat, dat het niet meer gaat om de Jezus van de geschiedenis maar de Christus van het geloof. Zeg mij welke God gij kent... Het gaat hier uiteindelijk om een Godsbeeld, een Godsleer, waarbij God geheel in deze wereld wordt binnengetrokken. God is volledig in deze wereld verwikkeld. Welnu dan is verzoening in het geheel geen rechtsgeding meer tussen God en mens. Die God van de wereld behoeft niet verzoend te worden. Verzoening wordt geheel een binnenwerelds begrip. Verzoening is een zaak van wereldlijke betekenis, tussen mensen, volkeren, rassen, tussen de mens en de hem omringende natuur.
In Basel, op de Europese assemblee, waagde een theologe het bijvoorbeeld zelfs te zeggen, dat, als we vandaag over Drieëenheid spreken, we daarvoor moeten nemen de drieslag van het conciliair proces.
Reeds in 1971 verzette intussen Het Getuigenis zich tegen de alternatieve verzoeningsleer, die in het moderne denken opgeld maakt. 'Wij verzetten ons tegen een verpolitisering van het leerstuk der verzoening, waardoor het in de verzoening alleen en uitsluitend zou gaan om de verhouding van mens tot mens, van volk tot volk. Verzoening is een rechtsgeding tussen God en mens dat vanzelfsprekend gevolgen heeft voor de christelijke ethiek. Niemand heeft echter het recht de verzoening, door Gods genade in Christus tot stand gebracht, in menselijke ethisch-politieke en sociale handelingen te doen opgaan'. In zulk een theologie hangt nog slechts de mens Jezus van Nazareth aan het kruis 'als symbool van alle menselijk leed en onrecht in deze wereld', om dan vervolgens dit kruis te maken tot een aanklacht die men God in het gezicht slingert.
Welnu, deze moderne leer der verzoening is een volstrekte breuk met het bijbels getuigenis, een volstrekte breuk ook met het belijden van de kerk der eeuwen. We zien vandaag in het moderne conciliaire denken, in de roep om een conciliaire kerk deze gedachte in alle hevigheid weer opkomen. Maar een kerk, die zo de verzoening predikt is niet meer kerk van Christus, kerk van de Middelaar, kerk gericht op het verzoenend lijden en sterven van de Borg terwille van schuldige mensenkinderen.
Gaat het in de algemene verzoening nog (tòch nog) om eeuwige redding van (hoewel alle) mensen, in het moderne conciliaire denken gaat het om de redding hier en nu van de mensheid en de eeuwigheidsdimensie is weg.
Wil de kerk echt conciliair zijn, dan zal ze tegen de moderne conciliaire gedachte radicaal nee moeten zeggen. Het is veelzeggend, dat dr. K. Blei, de secretaris-generaal van onze kerk, bij zijn terugkeer van de vergadering van het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken, van 25 tot 30 maart l.l. in Genève gehouden, moest zeggen, dat hij het idee heeft, dat de Wereldraad zijn identiteit zoekt in maatschappijkritische betrokkenheid en niet in geloofsovertuiging. Ik zou nog eens willen herhalen: zeg mij welke God gij dient en ik zal zeggen welke verzoeningsleer u hebt.
Prediking
Het gaat ook vandaag, wil de kerk echt conciliair zijn, om de prediking der verzoening. 'Hij voor ons daar wij anders de eeuwige dood hadden moeten sterven.' Deze blijmare, waardoor het hart van een zondaar, die in schuldbesef, met eerbied en diep ontzag tot God nadert, in vreugde opspringt, biedt alleen echte hoop. In de moderne verzoeningsidee (want een leer is het nauwelijks te noemen, als we tenminste over de heilige leer willen blijven spreken) is het de mens, die aan het werk wordt gezet en immer onder de wet blijft. Hij móét en hij móét. Klonk dat ook niet door in wat ik citeerde bij prof. Goedhart, namelijk dat, willen we niet vergaan, we moeten werken aan het behoud van allen? Gezien de motieven achter de pleidooien voor een conciliaire kerk zitten we op een kerkvergadering, landelijk, in Europees verband of wereldwijd, niet te wachten, wanneer daarachter deze moderne verzoeningsgedachte zit. Integendeel! De conciliare kerk, die we op het oog hebben, klopt in de gemeente, waar de prediking der verzoening klinkt, als bevrijdend woord van God uit naar de mens toe, met de heiliging van het leven als gave en opgave daarbij. Maar wat dit laatste betreft ontdaan van alle wettische kramp. Want hoe het allemaal ook uitpakt in de wereld, niet alleen het handschrift van de zonde, dat tegen ons was, is op het kruis uitgewist, ook de machten zijn er onttroond. Er is dan ook Hoop. Vanwege de Verzoening. Vanwege de Middelaar, die in onze plaats kwam staan. Wiens Kruis in het centrum van de geschiedenis stond en dat de garantie in zich heeft, getuige het open graf, van een goede Hand, die de geschiedenis leidt naar de voltooiing, naar het Rijk Gods dat in volkomenheid zal aanbreken.
Bediening der verzoening
Aan de kerk is de bediening der verzoening toevertrouwd. Ik zou het nu ook willen omkeren: zeg me hoe uw leer aangaande de verzoening eruit ziet en ik zal u zeggen welke God gij kent. Het kan mijn bedoeling niet zijn dit hier verder in dit kort bestek nader uit te werken. De vraag is echter wel of ook daar, waar de verzoening als het hart van het Evangelie en als het hart van de prediking wordt beléden, de prediking zo ook metterdaad functionéért als bediening der verzoening. Is er, wat de prediking betreft, sprake van een bevrijdend, bijbels antwoord op de alternatieve verzoeningsleer?
Ik las nog eens het indrukwekkende hoofdstuk, dat ds. Boer over de prediking der verzoening plaatste in de eerder genoemde bundel. Het is de tekst van een referaat, gehouden op de jaarvergadering van 1959. Wie wèlke alternatieve verzoeningsleer dan óók afwijst — en we doen dat, uit liefde tot de Middelaar, uit volle overtuiging — die staat voor de vraag de verzoening zó in de prediking aan de orde te stellen, dat de gemeente bemerkt dat ten diepste van hieruit de prediking een gebeuren is. Boer zegt dat de Heere Jezus en de discipelen nimmer cirkels maken in de prediking, maar recht op de man af spreken. 'Deze cirkels — zo zegt hij — kunnen worden gemaakt in de wensende zin of in de beschrijvende zin. Wanneer wij in de wensende zin blijven steken, komen wij niet toe aan het appèl op de harten en de conciënties van de hoorders. Wanneer wij in de beschrijvende zin blijven steken, zonder de mensen in de tegenwoordigheid Gods te trekken, stompen wij de conciënties van de mensen af. Zo vaak blijven wij steken in wat ik het voorwerk zou willen noemen, het bereiden van de bodem, de toeleidende weg en de kenmerken daarvan. Dat is een zeer ernstige bedreiging van de prediking der verzoening. Immers dan wordt vaak, zonder dat men dit bedoelt, positie gekozen in de mens en de enige plaats: nl. van God uit in Christus de verzoening te preken, verlaten'. En op een andere plaats zegt hij: 'Wie bij de mensen over de verzoende en verzoenende God wil spreken, moet eerst bij God op spreekuur zijn geweest. Dat is een doorgaande les voor alle dienaren der verzoening. En de ervaring is dat hoe feller de nood is, des te rijker de ontvouwing is van de verzoening.'
Dit zijn dunkt me ontdekkende woorden. Al te gemakkelijk devalueert de prediking der verzoening tot een misschientje. Maar een kerk, die echt in de dienst der verzoening staat, zal mensen wakker schudden, zonde en schuld ontmaskeren en aangevochten harten troosten vanuit de diepten Gods.
De Gòd, die wij kènnen, is de God die verzoend is door het offer van de Zoon, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
De verzóéning, die we belijden, is de verzoening met die God, die we kennen in het aangezicht van Christus Jezus. Hoe bevrijdend is deze dienst der verzoening en hoe oneindig rijker dan die alternatieven, die ons vandaag worden aangereikt en waarin de mens op eigen kunnen en moeten wordt terug geworpen. Dat is de armzaligheid van de roep om een conciliaire kerk vandaag.
Consequenties
Maar heeft die prediking der verzoening dan geen consequenties? Boer zegt dat de solidariteit van Jezus met zondaren de wandel in Zijn voetstappen inhoudt en dat dit grote ethische consequenties heeft. Als in Ef. 2 wordt gesproken over het wegbreken van de middelmuur des afscheidseis dan is dat allereerst een heilshistorische muur tussen joden en heidenen. Die is geslecht. Maar al worden dan soms al te vlot conclusies uit dit Schriftwoord getrokken voor onze taak tot het slechten van muren, 'niet te ontkennen valt — aldus Boer — dat een christen op voetspoor van Christus in alle levensverbanden initiatieven heeft te nemen. Daardoor worden vijandschappen weggenomen.'
Helaas worden echter in onze tijd de consequenties van de verzoening voor de verzoening zelf aangezien. Maar de leer der verzoening hééft wel consequenties. Ik kan niet nalaten nog een keer te citeren uit de rede van ds. Boer, die als vrijwel geen ander onder ons de diepte en uit de diepte van de verzoening heeft gepreekt.
'Door de(ze) verzoeningsdaad heeft God deze kosmos weer teruggewonnen, de strijd aangebonden tegen de god der eeuw, deze voorbijgaande wereld voor het vuur en het oordeel bewaard, opdat Zijn schepping gelouterd en hersteld uit dit oordeel te voorschijn zou treden. Zo is deze wereld kampplaats tussen God en de Satan. Vanuit de overwinning waarmee Christus deze wereld overwon, wordt de strijd verder voortgezet. Wij kampen als dienaren der verzoening niet als in de lucht slaande. Wij strijden niet voor een verloren zaak, maar voor een gewonnen zaak. Wij mogen achter de overwinnende Christus de vruchten der verzoening binnenhalen. Hier is sprake van de buit van het overwonnen land.' Welnu, zo is de kerk ons conciliair genoeg. De bazuin aan de mond. Het handschrift der zonde, dat tegen ons was, is op het Kruis uitgewist. En de machten zijn daar onttroond. Machtiger prediking van de verzoening is dunkt me niet denkbaar.
Wij dan wetende de schrik des Heeren bewegen de mensen tot het geloof. Zo alleen is er behoud in de ark des behouds, namelijk Christus. Als dit het thema wordt van een kerkvergadering — de voorbereidingen voor een tweede kerkendag in 1990 worden gemaakt — zouden we er van harte aan mee kunnen doen. Mens en wereld hebben het nodig déze boodschap te horen om behouden aan land te komen. En dan komen de consequenties ook in het juiste Licht te staan. Wanneer niet de verzoening in en door Christus centraal staat zal elke kerkvergadering met krachteloosheid, machteloosheid en hopeloosheid geslagen zijn en stranden in activisme en wetticisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's