Uit de Pers
Verschuiving in de prediking?
In het recent verschenen nummer van 'Kontekstueel' (tijdschrift voor Gereformeerd Belijden nú) mei 1990 wordt de prediking van de verzoening aan de orde gesteld. Niet om een herhaling te bieden van wat bekend mag worden verondersteld vanuit de Schrift en de belijdenis, maar om reden dat geconstateerd is dat in veel preken aan de verzoening opmerkelijk weinig aandacht besteed wordt. Er lijken verschuivingen op te treden in de prediking. In het Redactioneel geeft drs. P.L. de Jong het zo weer: Is hier sprake van een verschuiving in de prediking van 'bediening der verzoening' naar een prediking waarin bekering en navolging centraal staan? Eén van de scribenten in deze aflevering van Kontekstueel is prof. Graafland. Ook hij constateert dat in de huidige prediking opmerkelijk geringe aandacht aan de verzoening wordt besteed. Een verschuiving dus, een verlegging van accenten? Ik moest bij lezing van prof. Graaflands artikel denken aan 25 jaar geleden toen zijn geruchtmakende geschrift verscheen onder de titel 'Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking' (1965). Aan dit geschrift lag een lezing ten grondslag die hij tevoren op een reünistenstudiedag van de Gereformeerde Theologen Studenten Vereniging 'Voetius' had gehouden voor een talrijk gehoor. Ook toen constateerde hij ontwikkelingen die een duidelijke verschuiving te zien gaven in de inhoud en de accenten van de prediking. De prediking van de rechtvaardiging zou meer in zijn reformatorische volheid aan de orde zijn gaan komen, mede onder invloed van de sanerende werking van preken van Van der Groe en Paauwe maar vooral door invloed van ds. I. Kievit. Toch, aldus prof. Graafland toen al, is het geen volledige doorbraak naar de reformatorische lijn. Hij typeerde toen de stand van zaken in de prediking onder ons met de woorden: er is een reformatorische bovenbouw op een piëtistische onderbouw terecht gekomen. Wij leven intussen 25 jaar verder en de ontwikkelingen staan niet stil. Als ik Graafland goed begrijp in zijn bijdrage aan Kontekstueel dan wil hij eigenlijk zeggen dat de 'piëtistische onderbouw' weer bovenbouw is geworden in de prediking binnen de Gereformeerde Gezindte.
'Ik richt me dan even helemaal ter anderer zijde, en let erop, hoe het in een traditioneel-gereformeerde prediking toegaat. Zij wil zich, in toenemende mate zelfs, profileren als 'bevindelijke' prediking. Maar welke bevinding komt daarin ter sprake? Het blijkt dat het ook dan niet gaat om 'bevinding' van de verzoening, maar veeleer om bevinding van innerlijke hartsvemieuwing, van wedergeboorte en bekering, ervaring van de werkelijkheid van God, van Godsontmoeting. Zeker vergeten wij dan niet, dan ook de 'kennis' van de zonde daarbij een belangrijke plaats inneemt. Maar brengt dit ook tot het kennen van de verzoening en van het verzoende leven met God? Dat laatste blijkt juist een zwakke plek te zijn. Wel het kennen van de zonde staat vaak centraal, althans de noodzakelijkheid daarvan, maar niet het kennen van de verzoening. Hoe komt dat? Is ook hier niet sprake van een verlegenheid, maar ook dan weer tamelijk onbewust? Ook is er iets van een verdringing waar te nemen, lijkt wel.'
Prediking in beweging?
Prof. Graafland is geïnteresseerd, begrijpelijk, naar de mogelijke oorzaken van de verschuiving die hij meent te constateren. Waar is onder ons nog de prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze het hart van de boodschap? Intussen is dit volgens hem ook weer niet zo nieuw onder ons. Al eerder kon de klacht geuit worden, zoals we hierboven al hoorden, over een overaccentuering van de piëtistische onderbouw ten koste van de reformatorische bovenbouw. Hij vraagt aldus naar mogelijke oorzaken:
'Maar hoe komt dat dan? Wat zijn de oorzaken hiervan? Ik denk, dat we om te beginnen deze oorzaken heel dichtbij moeten zoeken. Bijvoorbeeld daarin, dat er van de kant van de gemeente weinig of geen vraag naar is. En omdat wij als predikers niet graag in het luchtledige preken, maar gesteld zijn op een aandachtig en positief gehoor, passen wij ons aan bij wat er wel en wat niet gevraagd wordt. Maar dat wordt nog versterkt door het feit, dat dit niet-vragen naar de boodschap van de verzoening eigenlijk ook in ons eigen persoonlijk en predikersbestaan is terug te vinden. De gemeente is er niet verlegen om en wijzelf eigenlijk ook niet, tenminste... zo lijkt het te zijn.
Juist in de lijdensweken komt dit duidelijk tot uiting. We worden er dan toe geroepen om het lijden en sterven van Christus in het centrum van onze prediking te plaatsen, zeven weken lang. Dat blijkt voor heel velen een bijna onmogelijke taak te zijn. Natuurlijk niet in exegetisch en dogmatisch opzicht, maar wel in homiletisch en kerugmatisch opzicht. Hoe kan ik zeven zondagen het lijden en sterven van Christus zo prediken, dat het voor de gemeente duidelijk wordt, dat hier de kernen van haar heil ter sprake komen? Dat is moeilijk, omdat we ervaren, dat alleen maar over het lijden van Jezus te spreken zo afstandelijk, zo 'voorwerpelijk' overkomt. De gemeente is er niet echt bij geïnteresseerd of misschien beter: wij kunnen de gemeente er niet voor interesseren, omdat haar eigen leven er niet bij te sprake komt, haar eigen vragen er niet in behandeld worden. Een daarom zoeken wij een uitweg. Bijvoorbeeld door over de verloochening van Petrus te prediken en dan Petrus' bevindingen daarbij aan de orde te stellen. Of we handelen 7 weken lang over de vrouwen rondom het lijden en sterven van Jezus. In ieder geval telkens die afwijking van Jezus zelf, van zijn lijden zelf, naar de ervaring, (bevinding) van de gelovige. Ligt de diepste oorzaak hiervan niet in het feit, dat we in onze prediking geen verbinding kunnen leggen tussen de verzoening en het reële bestaan van de mensen, die wij voor ons hebben? We kunnen het ook nog op een andere manier signaleren. Als we de vraag stellen aan onze gemeenteleden en ook aan onszelf, of we mogen geloven, dat onze zonden zijn verzoend door Christus' bloed en dat wij als kinderen door God zijn aangenomen, hoeveel positieve reacties zouden wij dan ontvangen? Ik besef, dat dit een wat speculatieve vraag is, maar toch niet alleen. Ze berust op een jarenlange pastorale ervaring, en eerlijk gezegd ook op een stukje eigen levensgeschiedenis. Is het niet zo dat verreweg het grootste deel van de gemeente, juist van de 'reformatorisch' levende gemeente, op deze vraag het antwoord moet schuldig blijven? En vormen wij als predikanten daarop een uitzondering? Ik vermoed, dat hier ook één van de wel verborgen en verzwegen maar niettemin diep doorwerkende redenen gegeven is, waardoor het komt, dat de verzoening met God in onze prediking uit het hart naar de rand is gedrongen.'
Prediking en levensgevoel
Waar een prediking levensecht is, is ze altijd betrokken op het tijdsgebeuren en het levensgevoel van de hoorders onder wie ook de prediker zelf valt. Prof. Graafland tracht op deze lijn een antwoord te vinden op de vraag naar eventuele oorzaken van genoemde ontwikkelingen.
'Maar dan stuiten we opnieuw op de vraag naar de oorzaak hiervan. Moeten we het antwoord daarop zoeken in de richting van het (moderne) levensgevoel? Heeft in onze tijd de mens, ook de gelovige mens, geen antenne meer daarvoor? Als ik daarop bevestigend zou antwoorden, zou ik me bevinden in een koor van medestanders. Maar min of meer daartegenover zijn er ook altijd weer, die erop wijzen dat deze onbevattelijkheid en onontvankelijkheid diepere oorzaken hebben. Zij hebben niet zozeer te maken met een in zwang zijnde levensgevoel, maar veeleer met het diepste wezen van de mens in zijn vijandschap tegen God en zijn onbegrensde eigenliefde en hoogmoed. Daar ligt de diepste reden, waarom de mens niet op verzoening met God zit te wachten. Dit wachten veronderstelt immers erkenning van eigen schuld en verlorenheid? Dat te erkennen, daar komt de mens niet zo gemakkelijk toe. Nu niet, en nooit is dat anders geweest. Daarom blijft de prediking van de verzoening een principieel onpopulaire prediking, voor modernen en traditionelen, voor vrijzinnigen en rechtzinnigen, voor midden-orthodoxen en gereformeerden. Maar, en die conclusie ligt dan voor de hand, populair of niet populair, de prediking moet doorgaan. Gelegen of ongelegen, welkom of niet welkom. Ik zou bovenstaande gedachtengang niet graag willen ontkennen. Toch voel ik er niet voor om het daarbij te laten. Want hoe overtuigend dit ook bij velen overkomt, toch maken wij het ons zo, met name als predikers, te gemakkelijk. In ieder geval is het op zijn minst nodig om ook nog op een paar ander zaken te wijzen.'
Prediking en Godservaring
Prof. Graafland stelt dat de prediking van de verzoening in de gereformeerde traditie al vrij snel in het ongerede is geraakt. In de eerste tijd van de Reformatie was deze prediking bevrijdingsprediking. Het zette de gelovige hoorder uit het diensthuis van Roomse eigengerechtigheid in de vrijheid van de vreemde vrijspraak door genade alleen.
'Maar dezelfde bevrijdende prediking van de verzoening is al gauw daarna verzwakt en goeddeels buiten de horizon verdwenen. Misschien is dit al begonnen bij Calvijn, wanneer hij nog met volle overtuiging de rechtvaardiging de grondpijler van het christelijk geloof noemt en als zodanig haar ziet als de prima gratia (de eerste genade), maar haar toch tegelijk verbindt met de secunda gratia van de wedergeboorte. En opmerkelijk genoeg behandelt hij in het derde boek van zijn Institutie niet de rechtvaardiging maar de wedergeboorte het eerst. Maar vooral in het daarop volgende stadium binnen het Gereformeerd Protestantisme zien wij een duidelijke ontwikkeling optreden, waardoor de rechtvaardiging uit haar centrale plaats wordt verdrongen en zij deze moet afstaan aan de wedergeboorte. Het is de periode, waarin de orthodoxe theologie het heil beschrijft op de manier van de orde van het heil. Binnen die orde staat de verzoening met God in de rechtvaardiging niet meer centraal, ook niet meer voorop, maar halverwege in de rij, als één van de vele heilsmomenten, die zich voltrekken in de geschiedenis die God houdt met zijn volk. Voorop staat nu de wedergeboorte, de goddelijke aanraking, de vernieuwing van het hart en de ervaringen, die dit alles met zich meebrengt. Dat voorop staan van de wedergeboorte eist steeds meer de theologische en praktikale aandacht op. Daarover gaat het steeds meer, steeds uitvoeriger ook, steeds praktischer ook, in de zin van steeds meer antropologisch, psychologisch, soms bijna psychiatrisch.'
Graafland noemt als een verklaring verder dat het geloof van de gemeente niet lang op het hoogtepunt van de reformatorische beleving van de volkomen verzoening in Christus heeft kunnen staan. Men ging vragen naar ervaringen van God in het leven. En dat noodzaakte de prediker een stap terug te doen van de rechtvaardiging naar de wedergeboorte, van het hoogtepunt naar het beginpunt van het geloof, aldus prof. Graafland. Van het absolute moment van de verzoening naar de toeleidende weg naar God. Hoe moet je zo'n ontwikkeling beoordelen.
'Is deze ontwikkeling te betreuren? Eigenlijk doet die vraag er niet zoveel toe. Deze ontwikkeling is er geweest en zij blijft zich aandienen. En dan kan ik er ook nog waardering voor opbrengen, dat de oude gereformeerde patres die ontwikkeling hebben gesignaleerd en dat zij theologisch en pastoraal erop ingegaan zijn. In dit kader bezien komt de Nadere Reformatie in een dubbel licht te staan. Enerzijds is ze, inderdaad, degeneratie van de Reformatie. Anderzijds is zij tegelijk voortgang van deze Reformatie, uitdieping en vooral verbreding, juist in haar gespecialiseerde aandacht voor de aanwezige geloofsvragen. En nu ik het toch over de Nadere Reformatie heb, zij heeft in haar belangrijkste vertegenwoordigers (W. Teellinck, J. van Lodenstein) oog ervoor gehad, dat het in het heil niet alleen om de rechtvaardiging en de wedergeboorte maar vooral om de heiliging, de concrete levensvernieuwing gaat. Wij worden gerechtvaardigd om geheiligd te leven, wij worden verzoend om te worden vernieuwd. Helaas is juist dit laatste, ook voor onze thematiek zo uiterst belangrijk gegeven, in de invloed die de Nadere Reformatie tot op vandaag uitoefent niet of nauwelijks meegekomen.'
Gereformeerden op zoek naar God
In zijn recent verschenen studie 'Gereformeerden op zoek naar God' stelt prof. Graafland ditzelfde punt ook aan de orde. Hij belicht daarin vooral ook het positieve van de hier genoemde verschuiving juist in een tijd als de onze waarin sprake is van 'Godsverduistering'. In de accentuering van de noodzaak van de wedergeboorte ligt opgesloten het ernst willen maken met de hopeloosheid en geesteloosheid van de mens. Hij acht een uitweg aanwezig voor de geestelijke impasse waarin we vandaag als kerk en gemeente zijn terecht gekomen in het kiezen voor de invalshoek van de wedergeboorte als opheffing uit de verlorenheid van de mens in zijn godsverduistering. We moeten bij het hart van de mens zien te komen. Er is een toe-leidende weg nodig en die opent zich waar we de mens opzoeken in zijn goddeloosheid en vervreemding van God door eigen schuld. Ik acht dit een uitermate boeiend onderdeel van Graaflands boek over de 'Godsverduistering in het licht van de Gereformeerde spiritualiteit'. De vraag naar de 'toeleidende weg' naar God toe, naar het heil toe, is nog altijd aan de orde en het is Graaflands inschatting dat dit zelfs de hamvraag is waarop vandaag alles vastzit. Intussen zijn we met deze constatering ook weer niet klaar, want hoe wordt die weg een werkelijk begaanbare weg. Het is een ongelofelijke worsteling om in deze tijd waarin God geen factor van enige betekenis meer is in het leven van de grote massa tot een weg te komen waarover verkondiging nochtans mogelijk en werkelijk is. Je kunt daar kil en rationeel op reageren, zonder enig invoelingsvermogen naar de problematiek van onze huidige cultuur toe. Maar voor mij staat vast dat we dan als Gereformeerde Gezindte weldra de rekening gepresenteerd krijgen, zo God het niet verhoedt. Daarom acht ik dat de grote verdienste van Graaflands studie dat hij een indringende poging doet een weg te zoeken vanuit de Schriften naar het hart van de mens van deze tijd. En die mens treffen we ook vol op aan in onze (gelukkig!) nog gevulde kerkbanken. En het is het gelijk van de hier gedane poging om het accent op de wedergeboorte en de prediking daarvan niet geïsoleerd van het dagelijks leven en beleven te laten plaatsvinden, maar middenin de werkelijkheid van het leven als mens in een godloze atheïstische cultuur aan het eind van de twintigste eeuw. Of, zoals prof. Graafland het dan zegt: Johannes 3 voltrekt zich op de wijze van Johannes 4. Een mens hééft maar niet een ziel, hij is een lichaam. Dat wil zeggen: hij is altijd een concreet mens, levend in het hier en nu, staande en gaande in een context die op zondag niet los te pellen is van zijn maandagse bestaan. Zo zou inderdaad de gereformeerde spiritualiteit weleens een weg kunnen zijn waarop de huidige in de crisis zich bevindende prediking zit te wachten (a.w. blz. 177).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's