De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrouw in het ambt? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrouw in het ambt? (2)

12 minuten leestijd

1. 5. Bijbelse visie
1.5.1. Schepping
Zo komen we bij de visie van de Bijbel op de man-vrouw relatie in het algemeen en de visie op de vrouw in het bijzonder. In Gen. 1 : 27 lezen we over de schepping van de mens: En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze'. Hieruit blijkt, dat de mens, dus man en vrouw beide, naar het beeld van God geschapen is; man en vrouw zijn dus volkomen gelijkwaardig. Beiden worden zij als beelddragers Gods geroepen om heerschappij te hebben over de schepping. Maar man en vrouw zijn niet gelijk; wel gelijkwaardig, niet gelijk. Er is een lichamelijk en geestelijk verschil tussen man en vrouw. Juist omdat zij verschillend zijn, zijn zij in staat elkaar te helpen, elkaar aan te vullen. In Gen. 2 : 18 en 20 lezen we, dat de vrouw een hulpe is voor de man. Hieruit blijkt, dat de man hulp nodig heeft; de vrouw staat bij haar man in zijn taak. Dit woordje 'hulp' houdt niets minderwaardigs in; de Heere wordt Zelf wel eens Hulp genoemd (Ps. 33 : 20; 115 : 9-11)! Dit verschil, en het feit dat de vrouw zo de hulp van de man is, is bij de schepping door de Heere gewild.
1.5.2. Het Oude Testament na de zondeval
Bij de zondeval is de verhouding tussen man en vrouw in hevige mate verstoord. De man zal nu heersen over de vrouw en het moederschap zal voor haar smart meebrengen. De heerszucht van de man is een gevolg en vloek van de zondeval. Vaak heeft dit geleid tot overheersing van de vrouw.
We zien nog iets van de waardering van de vrouw in de wetgeving. Als de positie van de vrouw in de omliggende landen vergeleken wordt met die van de vrouw in Israël, wordt het verschil duidelijk. In Israël wordt de vrouw als moeder hoog gewaardeerd, vooral als zij zonen heeft. De moeder verdient volgens het vijfde gebod dezelfde eer als de vader. Denk ook eens aan de lof van de deugdzame huisvrouw (Spr. 31).
1.5.3. Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament zien we, dat Christus de paradijselijke situatie weer hersteld heeft. Door de genade, die in Christus is, zijn de foute verhoudingen tussen man en vrouw, die door de zondeval in de wereld gekomen zijn, weggenomen. Zo is er in een christelijk huwelijk in beginsel weer iets te zien van de man-vrouw verhouding, zoals die door de Heere bedoeld is: een verhouding, die gebaseerd is op wederzijdse liefde.

2. De visie op het ambt
2.1. Betekenis
Ons woordje 'ambt' is door toonverzwakking ontstaan uit 'ambacht', dat in het middelnederlands gebruikt werd ter aanduiding van allerlei betrekkingen, en het betekent: 'werk, taak, dienst'. In de ontwikkeling van de taal is 'ambacht' meer komen te staan voor 'lager burgerlijk werk, voornamelijk handwerk' en 'ambt' kreeg steeds meer de betekenis van 'openbare betrekking, waartoe men door de overheid of enig erkend gezag benoemd wordt; post, bediening'.
De volgende zes punten zijn te onderscheiden: a. aanstelling, b. mogelijkheid tot vervulling, c. opdracht, d. dienen, e. gezag, f. verantwoordelijkheid.
2.2. Bijbelse invulling
Als we dit uitwerken aan de hand van wat de Bijbel zegt, krijgen we hetvolgende beeld.
2.2.1. Aanstelling
De ambtsdrager bij uitstek is Jezus Christus. Hij is door de Vader aangesteld. Zo staat in zondag 12, vraag en antwoord 31 van de Heidelberger: Waarom is Hij Christus, dat is Gezalfde genaamd? Omdat Hij van God, de Vader verordineerd is, en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester, en tot onze eeuwige Koning'. Hij is door de Vader gezonden, en Hij zegt Zelf in Joh. 20 : 21: 'Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u'. Dus, ook mensen worden door de Heere tot ambtsdrager aangesteld. Belangrijk bij dit eerste punt is hetvolgende: en ambtsdrager kan niet uit eigen beweging een ambt bekleden, maar wordt daartoe door de Heere geroepen en aangesteld.
2.2.2. Mogelijkheid tot vervulling
Als de Heere aan iemand een ambt geeft, geeft Hij ook de mogelijkheid dat ambt te realiseren. Een mens kan uit eigen kracht geen ambt vervullen; daar is een ambt veel te zwaar voor. Maar de Heere geeft dan ook de kracht om het te doen. Hij geeft de gave van de Heilige Geest. Die genadegave, dat charisma, heeft de mens voor de ambtsvervulling nodig. Maar die krijgt hij dan ook. Ook hier geldt: de Heere laat niet varen, wat Zijn hand begonnen is. Als Hij iemand een ambt geeft, geeft Hij ook de mogelijkheid dat ambt te vervullen.
Kort wil ik nu ingaan op de vraag naar ambt en charisma. We zagen zojuist, dat het ambt het charisma veronderstelt. Wie een ambt krijgt, krijgt tevens het charisma. Maar kan dit ook omgedraaid worden? Als iemand charisma heeft, moet hij dan ook per sé een ambt vervullen? Naar mijn mening is dat niet zo. We kunnen toch niet zeggen, dat de gave van de Heilige Geest beperkt is tot de ambtsdragers, en dat de andere mensen die gave helemaal niet hebben? Elke christen deelt in de gave van de Heilige Geest. De Heere heeft beloofd, dat Hij Zijn Geest zal uitstorten op alle vlees. Dus niet uitdruppelen op een paar mensen. Nee, uitgieten: een teken van overvloed, en op alle vlees. Maar een aantal mensen heeft Hij in het bijzonder begiftigd met die gave, die nodig is om een ambt te vervullen.
2.2.3. Opdracht
Bij de aanstelling in het ambt ontvangt men een opdracht. Zo zagen we al, dat Christus aangesteld is tot Profeet, Priester en Koning. In Mt. 10 lezen we uitgebreid over de opdracht, die de discipelen kregen, toen zij uitgezonden werden. Ook in het Oude Testament is dit al te zien. Saul is in opdracht van de Heere gezalfd en kreeg de taak koning te zijn over Israël.
2.2.4. Dienen
Het ambt heeft een dienend karakter. Bij het werk van de Heere Jezus zien we dit al naar voren komen. Zelf zegt Hij in Mt. 20 : 28: 'Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen...'. Dus het dienen, de dienst, diakonia in het Grieks, staat centraal. Elke gedachte aan beheersen is volstrekt verwerpelijk. Bij dit dienen moet er allereerst aan gedacht worden, dat elke ambtsdrager een dienstknecht van de Heere blijft. Daarom noemt Paulus zich ook vaak 'dienstknecht' van Jezus Christus. Maar de dienst is er ook ten opzichte van de mensen. Paulus vermaant de gemeente van Galatië: Dient elkander door de liefde'. Ook Petrus schrijft: Een ieder, zoals hij de gave ontvangen heeft, zo dient hij die aan de anderen'.
2.2.5. Gezag
Het ambt heeft toch gezag. Een ambtsdrager, die in de naam van de Heere een gemeente dient, is op een bepaalde manier de representant, de vertegenwoordiger van de Heere. Hij brengt niet zijn eigen woord of eigen bedenkselen, maar hij brengt het woord van de Heere, en in de naam des Heeren. Zo kan Paulus zelfs bevelen geven: 'Wij bevelen u broeders, in de Naam van onze Heere Jezus Christus' (2 Thes. 3 : 5). Zo heeft een ambtsdrager gezag, dat hij ontleent aan zijn opdrachtgever, aan de Heere Zelf.
2.2.6. Verantwoordelijkheid
Tenslotte is de ambtsdrager verantwoordelijkheid verschuldigd. Een ieder, dus ook de ambtsdrager, is verantwoording schuldig voor de gaven, de talenten, die hij gekregen heeft. Een ambtsdrager heeft het ambt als opdracht van de Heere gekregen. Hij moet dat ambt dan ook naar zijn beste kunnen uitoefenen.

3. Ambt en vrouw in het Oude Testament
3.1. Ambt in het Oude Testament
Als we nu naar het Oude Testament gaan kijken en vragen welke ambten daar voorkomen, worden er meestal twee verschillende antwoorden gegeven. Sommigen zien de drie ambten van profeet, priester en koning, terwijl anderen tot het drietal van priesters, hogepriester en leviet komen. Ik denk, dat we deze twee niet tegen elkaar uit moeten spelen, maar dat het tweede rijtje een specificatie is van het priesterlijke ambt uit het eerste rijtje. De volgende ambten zijn dan in het Oude Testament te onderscheiden: koning, profeet, en de drie priesterlijke ambten, namelijk priester, hogepriester en leviet.
Het drietal profeet, priester en koning zagen we ook al bij de vraag van de Heidelberger, waar het ging over de Gezalfde, of, met het Griekse woord, Christus. Hij is aangesteld tot hoogste Profeet, enige Hogepriester en eeuwige Koning. Dit wordt vaak het drievoudig ambt van Christus genoemd. Deze drie ambten hebben met elkaar gemeen, dat er telkens een zalving plaatsvond als teken van het ambt. Die zalving was er namelijk een teken van, dat de Heilige Geest gegeven werd om dat ambt te vervullen: de zalving door de Heilige Geest. Die zalving was een teken van het bijzondere charisma. Een voorbeeld van een profeet, die gezalfd is, is Elisa. Nadat Elia bij de berg Horeb geweest is, krijgt hij de opdracht Elisa te zalven in zijn plaats (1 Kon. 19 : 16). Tevens krijgt hij de opdracht om Hazaël tot koning over Damaskus en Jehu tot koning over Israël te zalven. Ook Salomo, Joas, David en Saul zijn tot koning gezalfd. Bij Saul is heel duidelijk de relatie tussen zalving en de Heilige Geest zichtbaar. Als hij gezalfd is, komt de Geest des Heeren op hem. Tenslotte zijn er de priesters, die gezalfd werden. Daarover is onder andere te lezen in Ex. 30 : 30: 'Gij zult Aaron en zijn zonen zalven... om Mij het priesterambt te bedienen', en in Ex. 40 : 15: 'Gij zult hen zalven, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Het zal geschieden, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten'. Dit drietal ambten, profeet, priester en koning, heeft dus de zalving met elkaar gemeen.
3.1.1. Plaats van de ambten in het dagelijks leven; de priester
Samen bestrijken deze drie ambten het hele leven. Over het priesterlijk ambt hetvolgende: In Lev. 8 wordt de wijding van Aaron en zijn zonen beschreven. Verschillende soorten van offers onderstrepen het bijzondere van de taak, die ze toegewezen gekregen hebben. Woorden voor 'heiligen' geven nog eens extra aan, dat deze mensen door deze taak of dit ambt apart komen te staan. Zij zijn gewijd, geheiligd, apart gezet voor de Heere en zijn dienst. Wat houdt die dienst in? Hun ambt bestond voornamelijk uit het offeren van allerlei soorten van offergaven op de altaren en het zegenen van het volk. Verder moesten zij uitsluitsel geven in vragen over reinheid en onreinheid. Ook gaven zij de wil van God met betrekking tot allerlei dingen door. Als mensen met vragen en problemen zaten, konden de priesters de Heere om raad vragen (Ri. 18 : 5; 1 Sam. 30 : 8). De heiligheid van de hogepriester kwam extra tot uiting, doordat er voor hem strengere regels waren met betrekking tot de reinheid. Hij had het toezicht over het gebeuren in de tempel. Alleen op Grote Verzoendag mocht hij het Heilige der heiligen ingaan. Tenslotte de levieten. Volgens Num. 8 waren er bij hun inwijding ook allerlei rituelen nodig. Ook zij werden apart gezet om de dienst des Heeren te bedienen (vers 11). Hun taak bestond in de woestijntijd onder andere daaruit, dat zij voor de tabernakel moesten zorgen. Verder moesten zij de priesters assisteren. In latere tijd werden zij wetsuitleggers en functioneerden zij als leraars. We zien hier, dat het priesterlijke ambt vooral godsdienstig, religieus getint is.
3.1.2. Plaats van de ambten in het dagelijks leven; de koning
Bij het koninklijk ambt, bij de koning is er een ander beeld. Hij heeft meer een staatkundig ambt. Hij moet ervoor zorgen, dat het volk in vrede kan leven. Zo strijdt hij tegen vijanden en zorgt voor binnenlandse rust, door onder andere een goede rechtspraak voor te staan. In Psalm 72 staan verschillende sociale taken uitgelegd; hij moet opkomen voor de verdrukte.
Nu zijn het koninklijke ambt en het priesterlijke ambt niet volstrekt te scheiden. De koning moet de cultus stimuleren. Denk maar eens aan wat Salomo en Hiskia voor de eredienst gedaan hebben: de bouw van de tempel in Jeruzalem en het herstel van de eredienst. Dat het ook de verkeerde richting op kan gaan wordt duidelijk bij Jerobeam, die de gouden kalveren opgericht heeft. De koning had niet alleen invloed op de cultus, maar de priesters hadden ook invloed bij de koning. Zij hadden een taak ten opzichte van hem. Zij zalven hem en staan de koning bij in problemen. Bekend is hier de rol van de priesters Zadok en Abjathar bij de troonsbesteiging van Salomo.
3.1.3. Plaats van de ambten in het dagelijks leven; de profeet
Het derde ambt, het profetische, is niet specifiek verbonden met een bepaalde levenssfeer. De ene keer verschijnt de profeet bij de koning, Natan bij David, Elia bij Achab, terwijl hij de andere keer te zien is bij het heiligdom (Jer. 7). Profeten hebben dan ook als taak ervoor te zorgen, dat Gods Woord gehandhaafd wordt, dat Zijn wil bekend is bij de mensen, en dat de mensen naar Gods wil leven. Men kan hem wel de handhaver van Gods recht noemen. De profeet zegt Gods oordeel aan: leeft het volk in gehoorzaamheid, dat zal God zijn heil schenken, maar wordt er in ongehoorzaamheid en afval geleefd, dat staat het onheil voor de deur, tenzij het volk zich bekeert tot de levende God. Het optreden van de profeet was in de praktijk vaak een aanval op de verwereldlijkte cultus en op een foutief koningschap. De cultus en de koning moesten ook trouw blijven aan het woord van God. Zo wijst Natan bij David zijn zonde aan na het overspel met Batseba; zo profeteert Jeremia tegen de valse e­profeten (Jer. 23), en Amos tegen allerlei afgoderij (Am. 5).
3.1.4. Samenvatting
Keren we terug naar de vraag van de ambten, dan kunnen we samenvattend zeggen:
• het ambt van de koning is vooral met betrekking tot staatkundige zaken, het welzijn van de staat in allerlei facetten.
• het ambt van de profeet is algemeen, met zowel een staatkundige als een godsdienstige spits, en is met name gericht op de handhaving van het Woord van God.
• het ambt van de priester is cultisch van aard en dan met name gericht op het offeren, zegenen en onderwijzen.
• het ambt van hogepriester is cultisch, gericht op het toezicht op de cultus, met een speciale taak op Grote Verzoendag.
• het ambt van leviet is cultisch, gericht op het helpen van de priester op allerlei terreinen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De vrouw in het ambt? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's