De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een Pinksterbelofte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Pinksterbelofte

9 minuten leestijd

En het zal zijn, dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Handelingen 2 : 21

Het Pinksterfeest mag in de wereld nauwelijk een naam hebben. In vergelijking met het Kerstfeest althans niet. Van het Kerstfeest maakt de wereld een festijn. Met het Pinksterfeest kan de wereld niet uit de weg. Ten onrechte. Want in beide heilsfeiten, trouwens in àlle heilsfeiten van Kerstfeest tot en met Pinksteren gaat het om één Naam, de Naam des Heeren. Het Pinksterfeest mag een naam hebben. De Heilige Geest, door Jezus van de Vader gezonden, schuilt weg achter die éne Naam en brengt de Naam naar voren. Hij verheerlijkt niet Zichzelf, maar Christus. Hij laat het volle licht vallen op de Naam des Heeren. Zo, dat de Naam des Heeren als een lichtzuil oprijst tegen de donkere achtergrond van de zwart bewolkte, de van vuur en rook en bloed doorluchte dag des Heeren. De Diës irae, de dag van toorn Gods, die geopenbaard zal worden over alle zonden en alle ongerechtigheid der mensen. De Dag van oudsher aangekondigd door de Pinkstergeest. Het Pinksterfeest mag dan in de wereld geen naam hebben, toch is de Pinkstergeest vol van dé Naam, de enige onder de hemel tot zaligheid gegeven. Dezelfde Naam, die we de Vader horen uitspreken op het Kerstfeest, die de Heilige Geest in de oren van Maria en Jozef fluistert, en in het hart van allen, die een even dierbaar geloof met deze heiligen Gods verkregen. En gij zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
De Naam des Heeren! Noemt iemand zijn naam, dan maakt hij zich bekend. Onze God maakt bekend wie Hij is, en dat doet Hij door Zijn Naam te noemen.
God liet en laat Zich kennen in Zijn Naam. Israël had zich door de dodendans om het gouden kalf in een crisissituatie gewerkt. God sprak van verdelgen. Mozes vindt door de Geest der gebeden vrijmoedigheid om de Heere af te vragen; wat zult Gij dan met Uw grote Naam doen? Mozes wist, waar God ook afstand van zou doen, nooit van Zijn eigen Naam.
Als een lichtstraal in de duistere nacht riep de Heere over het schuldige volk Zijn Naam uit: Heere, Heere, God barmhartig en genadig en groot van weldadigheid en waarheid. In die Naam legt God Zijn hart open.
Een kind dat in het donker schreit, raakt zijn angst kwijt als moeder naar boven komt en fluistert: stil maar lieveling, hier is je moeder al. In haar naam moeder is zij heel dicht bij haar angstig kind. In Zijn Naam komt de Heere van boven, en nooit heeft Hij zich dieper neergebogen dan in de Naam Jezus. In Hem verklaart de Vader Zijn hele hart.
Dat was in de volheid des tijds, toen duisternis de aarde bedekte en donkerheid de volken. Deze Naam neemt de Pinkstergeest op Zijn heilige lippen. De Naam des Heeren. Waarmerk en waarborg van eeuwige liefde. In die Naam komt God aan Zijn eer en vindt de kerk haar zaligheid, door het geloof. Maria zingt: want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is en heilig is Zijn Naam. Valt het licht van de Pinkstergeest op die Naam, dan zegt mij Zijn Naam, dat het recht Gods is voldaan, dat het oordeel Gods, door mij verdiend, is weggenomen. Jezus' Naam, een lichtzuil in de zondenacht, in het aanduisterend oordeel, in de crisis van het laatste werelduur.
Want de Geest zegt duidelijk dat er in het laatste der dagen ontstaan zullen zware tijden. De laatste dagen zijn de dagen van Godsverzaking en Godsverlating. Het zijn dagen van liefdeloosheid in gezin, kerk en maatschappij. Dagen vol ordeloosheid en zingenot. De afval neemt toe, hand over hand. Het zijn de dagen van het vlees dat hoogtij viert en waarin de mensen zich uitleven en het laatste oordeel over zich inroepen. Dat zegt de Geest duidelijk. Maar de Geest zegt méér. De laatste dagen zijn ook de dagen van de Geest, Die er op aandringt juist nu de Naam des Heeren aan te roepen.
We komen die uitdrukking al tegen, al heel vroeg in het Oude Testament. Kort na de zondeval. De dagen van Lamech, die zijn eigen naam uitriep, en hij had daarmee Gods Naam met een paar grote halen geschrapt. Hij schreeuwde moord en brand. Uitgerekend toen, begon men de Naam des Heeren aan te roepen. Waar komt die roep vandaan? Van Enos? Jawel, maar ten diepste vanuit Gods Geest, die werkzaam was in het geslacht van Seth en Enos.
De Geest zegt duidelijk dat de laatste dagen als twee druppels water zullen lijken op die eerste dagen. In die laatste dagen dat men Gods Naam dwars doorkrast. Nu de mens God elimineert en zichzelf emancipeert. Nu er een ijzig-diepe leegte is ontstaan, in een wereld die schreeuwt van ellende, en schatert van hol vermaak. Uitgerekend nú zal de Geest ervoor zorgen dat er mensen zullen zijn, die stil en gestadig roepen om God en Zijn heil.
Aanroepen wil zeggen, iemand erbij roepen, iemand bij zijn naam roepen, iemands aandacht trekken. In dit geval Gods aandacht trekken. Een beroep doen op Zijn Naam is zich beroepen op Gods hart, op Zijn genade en ontferming. Het roepen veronderstelt scheiding. Dat komt door de zonde. Een roep is het kortste gebed dat er bestaat. Maar wel een gebed dat lang genoeg is om God gelegenheid te geven Zijn diepste genegenheid. Zijn barmhartigheid, te bewijzen.
Roepen is een angstkreet van een kind, zegt Kohlbrugge, dat door een valse hond achterna gezeten wordt. Als de hond zijn tanden laat zien om het kind te bijten, dan heeft het geen lang verhaal, maar roept: moeder! moeder!
De Geest leert roepen: och Heere bevrijd mijn ziel.
De roep mag kort zijn, evenwel draagt zij vèr. Helemaal tot voor de troon der genade. Op de eerste roep om genade beginnen in de hemel de Pinksterklokken al te luiden. Wellicht zitten wij nog te wikken en te wegen of ons gebed echt genoeg, lang genoeg, diep genoeg, ernstig genoeg is. Maar er is reeds blijdschap in de hemel op die eerste roep: wat moeten wij doen om zalig te worden? God herkent er het werk van de Geest der gebeden in. Aanroepen is tevens vertrouwen, dat God mijn nood ziet, mijn gebed hoort. Om Uws Naams wil Heere, zo vergeef mijn ongerechtigheid. Roepen is alles op die ene kaart zetten, op de Naam des Heeren. Laat het er maar op aankomen. Heere, redt U mij niet, dan moet ik wel rechtvaardig omkomen. Maar erger is: dan gaat Uw Naam er aan.
Dat heet roepen in vrijmoedigheid des geloofs. Er ligt een patiënt ernstig ziek in het ziekenhuis. Zijn dagen zijn geteld. De verpleegkundige zegt: als u mij nodig hebt, daar is de bel, en druk maar op die bel. Maar als je nu té ziek bent om bij de bel te komen? Dan speldt de zuster of broeder de bel op je borst vast. Zo is Gods Naam ook vlak bij de hand.
Dat is een beeld voor het werken van de Heilige Geest. Hij legt de liefdevolle Naam des Heeren je zo na aan het hart, dat u er alleen maar op hoeft te drukken en met nadruk te roepen: Heere, gij Zone Davids ontferm u mijner. U hebt bezwaar? Mag ik dat zomaar doen?
Hier is Gods antwoord. Een iegelijk, die de naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Een iegelijk! Niemand uitgesloten. Aan geen voorwaarden gebonden. Het staat er voor jullie, jonge vrienden, die midden in de loze holheid en voze leegte van een goddeloze en God-loze wereld, beginnen door te krijgen dat dit ook niets is. Waar de Heilige Geest dringt tot het aanroepen van de Naam des Heeren, ontdekt Hij hoe geestdodend het leven is buiten God.
Een iegelijk. Ik denk aan het kleine kind dat zijn knietjes buigt en in stilte bidt: Heere, maak mij Uwe wegen.
Door Uw woord en Geest bekend. Een iegelijk. Misschien zit hij op Pinksteren niet eens in de kerk. Manasse zat zelfs in de kerker, de gevangenis. Misschien zit er wel iemand dit dit leest in het Huis van bewaring. Manasse riep de God van zijn vaderen aan. Mogelijk denkt u als vaders en moeders: wat een tijd, wat een goddeloze tijd. Hoe moeten mijn kinderen in het laatste der dagen nog bekeerd worden? Als u de Naam des Heeren aanroept. Die Naam waarmee ook hun voorhoofden zijn getekend.
Of heb je je vader en moeder altijd horen bevelen en nooit voor je horen bidden? Doe jij het dan voor jezelf. Want u kunt in dof pessimisme de zaak erbij laten zitten. Omdat het toch de laatste dagen zijn. Omdat er toch, naar sommiger godsdienstig oordeel, niemand meer bekeerd wordt. Dat spreekt de Pinkstergeest u vierkant tegen.
Juist in deze donkere tijden zal het zijn, ja tot aan het klinken van de laatste bazuin, zal het niet ophouden, dat een iegelijk die de Naam des Heeren aanroept, behouden zal worden.
Zalig worden is verlost worden. Waarvan? Van de zonde. Het is bevrijd worden van de macht en de machten der duisternis. Gered worden van het eeuwige verderf en de volslagen ondergang. Zalig worden, daarin is samengevat al de genade, al de liefde, al de goedertierenheid, de vrede, de vergeving der zonden, de verzoening met God, de bewaring tot Zijn eeuwig koninkrijk. Straks volle zaligheid.
Wie het op die ene Naam aanhoudt zal het ondervinden. In de crisis naar het vlees verteerd, maar door de Geest vernieuwd en straks ook verheerlijkt.
Wee hen, die in hun zonden berusten. Ook in hun schijnvrome zonden. Of dacht u dat niet-roepen geen zonde was, en niet-geloven in die Naam niet afkeurenswaardig? Het zal u ernaar vergaan. Ik raad u: roep niet te laat.
Als u niet uit de Geest, door de Geest, om de Geest roept, dan zult u in die grote en doorluchte dag des Heeren uit het vlees moeten roepen. Wat? Het vertwijfelde verlangen, bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons.
Want de toorn van het Lam woedt dan, en wie zal bestaan?
Maar nu is de Geest nog op aarde werkzaam. Maak er werk van. Wordt de zon geblust, baadt de maan in bloed, dan nòg zal het geschieden, dat al wie de Naam des Heeren aanroept zalig zal worden. En dan zal Jezus, wiens Naam Zaligmaker is, nooit zeggen: waar kom je vandaan, wat heb je op je kerfstok, maar Hij zal u welkom heten en Zijn volk zalig maken van hun zonden. Ik vier Kerstfeest op Pinksteren. Dan houd ik mij in de verslindende golfslag van deze laatste bange, boze dagen aan die Naam vast, als aan het anker der ziel en ik roep door de Geest de Geest achterna:
Kom Heere Jezus, kom haastig!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Een Pinksterbelofte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's