Zorg om de overdracht
Kanttekeningen bij 'Open Brief'
Elders in dit nummer staat een gedeelte afgedrukt van de Open Brief, die een aantal personen — zes predikanten en drie niet-predikanten — hebben gericht aan 'alle ambtsdragers en andere bij het jeugd- en evangelisatiewerk betrokkenen in hervormd gereformeerde gemeenten'. Deze brief, verzonden in de week voor Pinksteren, heeft in de pers al de nodige aandacht gekregen. Desgevraagd leverde ondergetekende in het Reformatorisch Dagblad ook enig kort commentaar. In het hiervolgende wil ik graag wat dieper op de brief ingaan door deze nu van een wat uitgebreider commentaar te voorzien.
Zorg
Wanneer mensen het nodig achten zich van het middel van een Open Brief te bedienen, is er sprake van zorg om één of andere zaak. Welnu, de zorg, in deze brief verwoord, raakt de overdracht van de Boodschap aan jongeren vandaag en de wijze, waarop kerkeraden (en andere instanties of personen) zich daarover zorg maken of misschien geen zorg maken. Er is sprake — zo stellen de opstellers in het begin van hun brief — van een cultuuromslag en ze ontwaren, kort gezegd, te weinig zorg met betrekking tot de consequenties, die dat ook in hervormd gereformeerde gemeenten geeft met betrekking tot de overdracht van de bijbelse boodschap, kortom voor de geloofsoverdracht van de oudere naar de jongere generatie toe. 'Wij spreken onze zorg uit over de groter wordende kloof, die jongeren met ouderen in de gemeente ervaren'. Het gebrek aan zorg over één en ander constateren ze ook in de prediking, die veelal 'als tijdloos en zonder relevantie voor de werkelijkheid waarin wij leven wordt ervaren', '...de actuele vragen van deze tijd en deze wereld blijven veelal geheel of grotendeels liggen'.
Ik zou willen beginnen met de zorg van de briefschrijvers van harte te delen. Terecht wordt opgemerkt, dat volle kerken onder ons — als ze er zijn en wáár ze er zijn — en grote aantallen catechisanten nog niet betekenen, dat het goed gaat in onze kring en in de Gereformeerde Gezindte in het algemeen. Wie zijn oor goed te luisteren legt ontwaart verontruste of verontrustende geluiden her en der.
Predikanten, oud en jong, ervaren bij jongeren vaak weinig schuldbesef en het blijkt moeilijk hen duidelijk te maken wat schúld dan wèl is.
Oudere predikanten gaan soms (vaak) gebukt onder het feit, dat dezelfde prediking, waarmee ze vroeger de mensen bereikten, nu langs de mensen lijkt heen te gaan en ervaren vaak op z'n minst dat ze de jongeren maar moelijk bereiken. En jonge predikanten voelen vaak eveneens, dat zij op hun wijze een bepaalde aansluiting missen bij het geestelijk leven van ouderen.
Maar ook de 'hoorders' zelf, en dan bedoel ik niet de criticasters, vragen zich af hoe het komt, dat de prediking vaak zo weinig kracht (meer) doet, de beste preken ten spijt, zèlfs preken zoals ze die vroeger gaarne hoorden ten spijt. O zeker, er is stille vrucht op de prediking. Maar er is, behalve een crisis der prediking ook een gehóórcrisis. Wat is er toch aan de hand?, vragen velen.
Dat er sprake is van een ongekende omslag in de cultuur en dat dit consequenties heeft voor het horen van de boodschap is méér waar dan menigeen vermoedt of voor waar wil houden. Daar ligt het gelijk van de Open Brief. Het wordt te weinig onderkend. Er is zelfs angst om het te bespreken. En al te vaak worden gevoelens van onzekerheid overstemd door de roep dat het allemaal nog goed, erg goed zelfs gaat. Men ontmoet weinig predikanten, die zeggen dat het bij hen in de gemeente niet goed gaat. Maar de werkelijkheid is vaak anders.
De spanningen worden toch wel allerwegen gevoeld. Intussen worden oplossingen van allerlei aard nagestreefd. Telkens nieuwe groepen, en groepen binnen die groepen, rijzen als paddestoelen uit de grond. Elke groep profileert zich met een eigen identiteit, een eigen aspect van de boodschap. En zo gaat het geheel van de Gereformeerde Gezindte, ook van ons als hervormd gereformeerde beweging, méér en méér op een lappendeken gelijken. Hier nieuwe initiatieven voor het toerusten van ambtsdragers, predikanten, jongeren, evangelisatiewerkers. Daar het opzetten van andere activiteiten om op enigerlei wijze mensen te groeperen.
Wat de jongeren betreft (om me tot de spits van de brief te beperken): de één gaat naar 'Vierhouten', de ander naar 'Doornspijk', de één zoekt het bij De Windroos, de ander bij evangelische jongerenactiviteiten. Het individualisme slaat verder hard toe. En intussen groeien de evangelische gemeenten vanwege de zuigkracht, die ze met name uitoefenen op gemeenten van gereformeerde signatuur, zeker wanneer zich daar spanningen voordoen, die de vrucht op de Woordbediening in de weg (moeten) staan.
Het is volstrekt duidelijk: kerkelijke meelevendheid en betrokkenheid behoeven nog geen garantie te zijn voor 'opgewekt' geestelijk en gemeentelijk leven. Dat verwoorden de briefschrijvers. Dat heeft ook drs. W. van Vlastuin, sinds kort hervormd predikant te Wouterswoude, verwoord in zijn boekje 'Opwekking' en daarna ook in 'Koers'. Daar ligt hun gelijk, naar links en naar rechts en naar het midden.
Waar ligt dan de remedie? Het móét actueler en het màg pluriformer, zeggen de briefschrijvers. Daarop spits ik nu mijn commentaar verder toe.
Geestelijk leven
Laat ik voor de duidelijkheid nu tòch maar direct zeggen, dat de Open Brief in het aanwijzen van grondoorzaken van datgene, wat gerust een crisis mag worden genoemd en in het wijzen van een weg, mij, op z'n zachtst gezegd, niet heeft bevredigd. Wanneer men vandaag (nog) gebruik wil maken van het middel van een Open Brief, moet men wel diep overtuigd ervan zijn, dat men een boodschap heeft, die ieder moet horen. Welnu, in dat opzicht stelt de brief teleur. Het gaat hier om een brief aan hervormd gereformeerde ambtsdragers. Dat wil zeggen, dat men speciaal voor hèn een boodschap heeft. Men zou dan mogen verwachten, dat die boodschap in de lijn ligt van de traditie, waarin zij, mèt die ambtsdragers willen staan. Ik zeg niet dat de briefschrijvers dat niet willen – ik spreek niet over de bedoelingen van de individuele ondertekenaars – maar het wordt niet of te weinig expliciet benadrukt. Bedoel ik, dat te weinig solidariteit wordt betoond met kerkeraden, die zelf de weg óók niet duidelijk zien? Dat ook! Met name doordat vooral kritisch in 'conservatieve' richting wordt gekeken. Ik bedoel echter vooral, dat te weinig doorstraalt de rijkdom, die we sámen bezitten in onze gereformeerde belijdenis en van waaruit we sámen willen leven. Men wil open de Schrift bevragen, men spreekt over de rijkdommen in onze gereformeerde traditie maar wat ontbreekt is de nadruk op 'de religie van onze belijdenis'. Het is mijn diepe overtuiging dat, als we er ook vandaag niet in slagen om déze religie over te dragen op het jongere geslacht, onze hervormd gereformeerde beweging geen toekomst heeft.
Aan de opstellers is reeds het verwijt gemaakt, dat ze nergens concreet worden. Ze teren zich weliswaar tegen conservatisme en tegen een krampachtig vasthouden en bewaren van wat in het kerkelijk leven 'vertrouwd en gevestigd' is. Maar ooit stelde professor dr. D. Nauta — toen namelijk in de Gereformeerde Kerken de gevestigde overtuigingen uit het verleden als voor onze tijd niet (meer) terzake werden betiteld — de vraag: 'wat bedoelt u?' ... en noemde vervolgens vele momenten van onze belijdenissen. Men zou de briefschrijvers willen vragen: wat bedoelt u met wat 'vertrouwd en gevestigd' is? Alleen openheid geeft duidelijkheid.
De kwestie, die mij bij het lezen en herlezen van de Open Brief hoog zit, is: waarom hebben de briefschrijvers hun inzet niet genomen bij het bewaren van onze gemeenten, ook de jongeren bij de rijkdom van de gereformeerde belijdenis? Dat zou meer pit en merg aan de brief hebben gegeven en zou de kwestie, waarom het hen gaat — terecht gaat — meer bespreekbaar hebben gemaakt.
Ik vraag dit met temeer klem, omdat de briefschrijvers een lans breken voor pluriformiteit in eigen kring, terwijl ze juist om zich heen zien een 'dwang tot uniformiteit'. Maar wat is de basis van die pluriformiteit? De briefschrijvers wijzen op groepsvorming, waarbij relaties worden aangegaan op grond van 'sympathie, overeenstemming inzake ethische keuzes e.d.' Wat bedoelt men met die 'ethische keuzes', want die kunnen toch samenhangen met principiële, op de belijdenis teruggaande keuzes?
Hervormd gereformeerden zijn – zo wil ik zeggen – een relatie aangegaan op grond van hun 'keuze' (gekozen zijn) voor Schrift en belijdenis als basis voor het hele hervormde kerkelijke leven. Als pluriformiteit dan overigens betekent, dat God de mensenwereld, ook de predikantenwereld, ook ons als hervormd gereformeerden, in grote veelkleurigheid, met verscheidenheid van gaven heeft begiftigd, dan is dat zonneklaar. Dat mag met recht pluriformiteit heten. Maar pluriformiteit is in de kerkelijke praktijk wat anders. Ook in eigen kring moeten we niet te gemakkelijk uitgaan van pluriformiteit, vanuit de veronderstelling, dat wij toch wel allen op de bodem van Schrift en belijdenis willen staan en zullen blijven staan. Ook onder ons zou relativering van de belijdenis, ook in bepaalde takken van arbeid in de gemeente, wel eens meer kunnen voorkomen dan we voor waar willen houden.
Ik onderken intussen in onze kring zeker óók genoemde neiging tot 'meer dwang tot uniformiteit'. Dat heeft dunkt me alles te maken met een stukje vrijheid des Geestes, dat onder ons gaat ontbreken. Een vergadering van emeriti onder ons ziet er gevarieerder uit dan een bijeenkomst van jonge predikanten. Zelfs het uniform is uniformer geworden.
Remedie
Als ik mijn bezwaren tegen de brief echter kort samen wil vatten, dan meen ik dat de brief meer doet aan symptoombestrijding dan dat de wortels van de crisis onder ons worden blootgelegd. Die crisis schuilt dunkt me in het geestelijke leven op zich. Ik besef, dat ik nu een gevoelige snaar raak. Want wie zou over harten durven oordelen en wie zou een waardeoordeel over geestelijk leven in een bepaalde (ook eigen) kring durven spreken? Toch moet de bijl aan de wortel van de boom wil er van remedie sprake kunnen zijn. Hoe staat het met het geestelijk leven onder ons en met de praktijk van de godsvrucht, die daarmee onlosmakelijk verbonden is? We zijn er niet door te pleiten voor pluriformiteit of meer actuele prediking. Neen de spa moet dieper. Het gaat om het geestelijk leven naar de Schrift en daarin naar de belijdenis. Lopen we niet de kans, dat de voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking, waarvoor onze vaderen stonden, vermagert? Is in de nieuwe vormen van werk, bijvoorbeeld onder de jongeren en in het evangelisatiewerk, de continuïteit met ons eigen verleden nog altijd voldoende aanwezig? Dat is een kritische vraag, die dunkt me gesteld mag worden als men vandaag — vanuit het jongeren- en evangelisatiewerk — terechte zorg heeft voor de geloofsoverdracht onder ons en men oog mag hebben voor eigentijdse vormen waarin dat werk geschiedt.
Uiteindelijk is er wat de vormen betreft de eeuwen door wijziging geweest. Niemand spreekt vandaag nog letterlijk de taal der zestiende eeuwse vaderen. Maar het gaat om 'de wortel der zaak'.
Als de religie van onze belijdenis onze passie, onze hartstocht is, dan is moelijk een naam te geven hoe dat in de prediking en alle kerkelijke en gemeentelijke arbeid tot uitdrukking komen zal. Als we dan uitdrukking bevindelijk gebruiken, dan is dat begrip inderdaad net zo verscheiden in te vullen als er mensen zijn, die zich aangeraakt weten met de Heilige Geest. Maar wel is er sprake van een grondstructuur, gekenmerkt door de drie stukken van de Heidelbergse Catechismus. Eén en ander manifesteert zich intussen in een mana dát, een gloed, dié over de prediking ligt. Het heeft ten diepste niets met een bepaalde terminologie te maken. Prediking kan in oude termen gehuld zijn en niets (meer) uitstaande hebben met gereformeerde spiritualiteit, bevindelijkheid. Prediking kan in volop eigentijdse taal gebracht worden en de grondstructuur van het gereformeerde leven, met daarbij het mana van het geestelijke dragen.
De grondvraag, waarom het gaat, is of het geestelijk leven naar de belijdenis aanwezig is en blijft; het geestelijk leven naar de belijdenis, dat de gloed en inhoud van de prediking der vaderen heeft bepaald. Hun prediking was sterk Woord-gebonden en daarin sterk belijdenis-gebonden en daarin op een zéér bepaalde wijze geestelijk van aard, omdat het de diepte had van de kennis van zonde en schuld en de hoogte kende van de genade. Ik idealiseer prediking in het verleden niet, maar we mogen ons afvragen — en als dàt de zorg van de schrijvers van de Open Brief is, is het de mijne — of we die gereformeerde bevindelijkheid nog hebben en bewaren en ook, voorzover het ons mensen mogelijk zou zijn, overdragen en overdragen willen aan het volgende geslacht.
Het zou kunnen zijn, dat we vandaag eigenlijk ook heimelijk ervan uitgaan, dat de gemeente gelóvige gemeente is, en de jongeren, die nog meeleven, conferenties bezoeken, kerkelijk actief zijn, bij voorbaat gelovige jongeren zijn en dat we dan dit geloof in vele vormen gemanifesteerd zien, die we dan onder pluriformiteit willen vangen. Het ontdekkende en onderscheidende element raakt dan weg. De kerf, die God in de ziel van een mens geeft, wanneer deze komt onder Zijn recht, wordt niet meer bemerkt en de triomf der genade, wanneer Christus verheerlijkt wordt aan onze ziel, wordt niet meer gehoord vanuit de diepte van de verootmoediging.
Het is met zeggen niet te doen. Dat wil zeggen: louter door te zèggen, dat we de Heilige Geest nodig hebben, of dat de Geest het moet doen, 'hèbben' we de Geest nog niet. Het gaat ook om de werkingen van de Geest in de levendmaking en de voortgaande heiliging van zondaren.
Enerzijds kunnen we stikken in het wetticisme, terwijl we nog niet eens blijk ervan geven ademnood te hebben. Anderzijds kunnen we verdrinken in de zucht naar vernieuwing, terwijl er toch geen grond is waar we echt houvast hebben. Beide verschijnselen zien we in onze tijd, ook in onze gemeenten. In beide gevallen gaat het geesteloos toe.
Wat we nodig hebben is een geestelijke vernieuwing, die afsteekt tot in de diepte van de innerlijkheid en die gegrond is op de vaste gronden Gods, waar ònze netten weliswaar niet gronden, maar waar wel het anker der ziel zich hecht. Mij dunkt, dat de opstellers van de Open Brief meer kritisch naar onszelf, naar onze gemeenten hadden kunnen kijken wat betreft het gééstelijke aspect. Gebeurt er nog iets onder de prediking? Is de prediking nog een gebeuren? Gaat de Geest de rijen nog door? Dat mág en zàl onze zorg zijn.
Is de prediking bovendien nog echt trinitarisch? En slagen we er nog in om die trinitarische boodschap (van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest) over te dragen op de jongeren? Zo niet dan is al ons tobben en jammeren, ons zoeken naar nieuwe vormen of andere patronen, geknutsel in de marge. We moeten samen door onder de ontdekkende werking van de Heilige Geest. Geloof, wedergeboorte en bekering zijn de grondnoties van een persoonlijk-gerichte, bevindelijke prediking. En vandaaruit kan en zal — ten volle actueel — het hele leven in het vizier komen.
Onze crisis in de cultuuromslag van vandaag zou wel eens een bevindelijke crisis kunnen zijn.
Geen zorg?
Ik eindig toch weer waar ik begon, namelijk bij de zorg van de briefschrijvers. Hoe is het mogelijk dat ouderen geen zorg zouden hebben voor het jongere geslacht van vandaag! Wie geestelijke hartstocht kent wil toch niets liever dan de fakkel overdragen! En als het waar is — en het is waar — dat kerkeraden soms de ogen sluiten voor kerkverlating, uitdunning van de gelederen in de gemeente, uitwijken van ouderen en jongeren naar anderssoortige gemeenten, dan ligt er een oordeel over die gemeenten. En als het waar is, dat predikanten elkaar soms proberen af te troeven in rechtzinnigheid of welke 'zinnigheid' dan ook — en het is waar — dan ook kan het in de gemeente niet goed gaan. En als we het uitsluitend zoeken in vernieuwing van vormen, of van de weeromstuit in verstrakking van vormen dan is het niet uitgesloten dat de Geest toch geweken kan zijn.
Laten kerkeraden derhalve de brief, die op hun tafel gekomen is, wel als uitgangspunt voor zelfonderzoek nemen. Om te toetsen hoe het met het gemeentelijke en geestelijke leven onder hen is gesteld. Om aan echt geestelijk zelfonderzoek te doen. Want we leven in een kentering der tijden. En de gevolgen van de secularisatie houden ook voor onze deur geen halt. Maar de Open Brief zelf is dunkt me te eenkennig, zowel wat betreft de analyse als wat betreft de remedie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's