Zijn profetische arbeid
Jeremia (8, slot)
De laatste fase
Tenslotte nu de vierde en laatste fase in de profetische arbeid van Jeremia. Na een eerste deportatie van koning Jojakim en de voornaamsten van het land, valt het volk weer terug in een valse hoop dat met deze wegvoering de druk wel van de ketel zal zijn. Onder het deel van de bevolking dat in Jeruzalem achterbleef, vatte de gedachte post dat de toorn van God zich al had ontlast op het hoofd van de weggevoerden en zij zelf dus niets meer te vrezen hadden. Wéér moet Jeremia optornen tegen ongegrond vertrouwen. In de nieuwe koning, Zedekia, treft hij iemand die heen en weer wankelt tussen de woorden van de profeet en de hersenspoeling, die een kliek van machtigen van de tweede garnituur toepast. Daarmee probeert zij Zedekia het hoofd op hol te brengen door te praten over een bondgenootschap met Egypte en afval van Babel. In deze fase heeft Jeremia maar één pijl op zijn boog: buig onder Babel! Dat is de wil van God. Nebukadnezar is Zijn knecht, geroepen om Gods oordelen te voltrekken. Onderwerping geeft vrede. Nieuw voedsel voor felle controverses derhalve. Zedekia luistert naar slechte raad, valt af van Babel en zoekt zijn toevlucht bij Egypte. Weer rust op de profeet de ondankbare taak om de vruchteloosheid van deze onderneming en de nutteloosheid van alle weerstand tegen Nebukadnezar, die spoedig met een sterke legermacht is opgerukt om het verzet van Zedekia en Juda te dempen, in het licht te stellen. Het doet Jeremia uiteindelijk in de gevangenis belanden. En hoewel een Egyptisch ontzettingsleger onderweg is naar Jeruzalem, houdt Jeremia, door Zedekia ontboden met de vraag of er ook een woord van de Heere is, vast aan het Woord Gods: 'Er is!!! En hij zeide: gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden!'
Ontroerend!, deze trouw aan Zijn God en Diens Woord. Stille gehoorzaamheid, al begeerde de profeet Juda's dodelijke dag niet. Integendeel. Maar dat vuur is niet te doven, in hem ontstoken door de woorden Gods: 'Ik leg Mijn woorden in uw mond'. Het heeft Gods knecht een allerminst gestroomlijnd leven bezorgd. Hij belandt zelfs in de modderkuil en was een wisse dood gestorven als niet de Moor Ebed-Melech hem had gered. Zo is heel het bestaan en de arbeid van deze knecht des Heeren ingebed in en beheerst door het goddelijk getuigenis: 'Ik ben wakker over Mijn Woord om dat te doen'. Toen moest ook Jereinia een wakker man zijn. Hij kón niet anders dan ogen en oren open hebben in die heilige sensitiviteit, die de ware profetie karakteriseert. Laten wij zulke mannen zijn, broeders in de dienst. Met een eerlijk woord, altijd. Met een scherpe blik, met een onvoorwaardelijk buigen voor het Woord en de God van het Woord. Om dat onverkort te spreken en ons niet doof te laten toeteren en in slaap te laten wiegen door al wat uit God niet is, of het zich bruut dan wel eigenwillig vroom openbaart.
Een weids perspectief
Laten wij mogen besluiten met het positieve, het uiterst weidse perspectief dat in Jeremia's profetieën niet ontbreekt. Had het uitrukken, verstoren en afbreken de overhand in zijn woorden, er zijn ook andere elementen, samenhangend met het 'bouwen en planten' uit het roepingsvisioen. Heeft hij het eerste aspect van zijn opdracht, het negatieve, met een schreiend hart vorm gegeven, dat tweede ontbreekt toch niet. Ook Jeremia is de man van het Licht. Wel is diep, diep de nacht gedaald over zijn volk, zeker wanneer hij met zijn volk de aangrijpende ondergang van stad en tempel moet aanzien, als de profeet in één ogenblik als het ware van Godswege in het gelijk wordt gesteld, waar men immers de ware profeet onderkent aan het kómen en het geschieden van het Godswoord!
Maar zelfs in die aardedonkere nacht ontsteekt God bij monde van Zijn knecht en kind de lichten van een nieuwe tijd en een heerlijke toekomst. Als een vuurtoren op de einder, staan de beloften her en der te midden van alle dreiging der duisternis en des doods. Tot driemaal toe vinden wij de verzekering te midden van de scherpste oordeelsprediking, dat de Heere met Zijn volk geen effen rekening zal maken, dat wil zeggen, het niet ten volle overeenkomstig zijn misdrijf vergelding zal doen, het niet geheel zal verpletteren. 'Nochtans zal Ik ook in die dagen...' spreekt de Heere, geen voleinding maken' (5 : 18). Nee, want Babels heerschappij zal tijdelijk zijn, niet langer dan zeventig jaren (25 : 11), waarna ook Babels ongerechtigheid haar verdiende straf zal ontvangen. Jazeker: Jeremia mag ook bouwen en planten. Maar enkel dankzij de genade Gods, enkel vanwege het souvereine welbehagen van de Almachtige. Juda keert terug. Een rest wordt behouden, het overblijfsel naar de verkiezing der genade. Maar... veel verder richt de profeet nog zijn blik in de toekomst. Hij ziet van verre de Koning in Zijn schoonheid, het ver gelegen land. Ontroerend hoe de Geest der profetie Christus bedient aan Jeremia en aan allen die, waar en wanneer ook, deel uitmaken van de smalle gemeente, die door tranen en leed heen, leert: in stilheid en vertrouwen zal uw sterkte zijn! Waarlijk tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen, waarlijk in de Heere, onze God, is Israels heil... Heil, dat Jeremia ziet in de Heiland, de rechtvaardige Spruit, Die de Heere aan David verwekt. Die voorspoedig zal zijn en recht en gerechtigheid zal doen op de aarde en dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem zal noemen: de Heere, onze Gerechtigheid! (23 : 5, 6; 33 : 15, 16).
En dan... wat moet het hart van Jeremia gezongen hebben, met tranen van vreugde en heimwee, als op de adem van de Geest al die schoonheid wordt gedragen voor de ogen van de profeet en als zijn woorden stem geven aan wat er zal zijn in dat ver gelegen land: een nieuw verbond in de komst van de Messias en daarin een nieuwe, gans andere verhouding tussen God en Zijn volk. O, niemand zal meer aangespoord behoeven te worden tot de kennis des Heeren. Omdat ze Hem allen zullen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe. God zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken. Dan zal vervuld zijn, waarnaar iedere profeet hunkert: Ik zal Mijn Wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn (Jeremia 31, 33). Het zal de tijd zijn zonder ark (3 : 16), zonder tempel, zonder kerk en zonder prediking, zonder ongehoorzaamheid en zonder tweespalt, zonder zonde en zonder enige vervloeking. Daarin lopen de lijnen uit op het laatste boek van de Heilige Schrift. Als voor de troon van God en van het Lam zal staan de schare, die niemand tellen kan, uit alle geslacht en taal en natie. Als alle profeten met emeritaat zijn, hun worstelende, zuchtende, schreiende woorden niet meer nodig zullen zijn. Als het alles, alles zal versmelten in één eeuwige lofzang. Met déze woorden mogen wij heden elkaar vertroosten om trouw te dienen onze God en Zijn Kerk met dat Woord, dat nimmer ter aarde valt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's