De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Unaniem verder naar hervormde universiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Unaniem verder naar hervormde universiteit

Hervormde synode

21 minuten leestijd

In juni l.l. hebben we twee lijvige artikelen gewijd aan de voorgenomen herstructurering van de theologische opleiding voor hervormde predikanten, zoals neergelegd in een rapport IWOOT (Interkerkelijke Werkgroep voor Onderwijs en Onderzoek Theologie). De hervormde synode besloot in maart unaniem om de weg van het IWOOT rapport te volgen, dat wil zeggen om te komen tot een zogeheten aangewezen instelling, oftewel een hervormde universiteit, die een samenwerkingsverband zou aangaan met de bestaande (staats)faculteiten voor het theologisch onderwijs aan de Rijks Universiteiten. Eén en ander betekent een aanpassing van de zogeheten duplex ordo, een sinds 1876 bestaande regeling, waarbij de kerk de mogelijkheid heeft van een eigen kerkelijke opleiding bij de staatsfaculteiten. Onder de duplex ordo, zoals die nu functioneert, is er echter geen sprake van juridische gelijkwaardigheid. De IWOOT voorstellen, die overigens nog het fiat van de ministervan onderwijs moeten krijgen, maar wel onder minister Deetman tot ontwikkeling zijn gekomen, beogen een juridische gelijkwaardigheid van de nieuwe instelling met de staatsfaculteiten.
Het belangrijkste punt is, dat de kerk zelf van meet af, als het gaat om hoofdvakken als dogmatiek en exegese, een greep heeft op de theologische opleiding en niet, zoals nu het geval is pas aan het eind van de studie deze vakken inbrengt vooor de aanstaande predikanten.


Voor de verdere feitelijke gegevens moge ik verwijzen naar de maart-artikelen. Tijdens de maartvergadering van de synode werd intussen wél besloten, dat aan de colleges van bestuur van de staatsfaculteiten de mogelijkheid moest worden geboden om te komen met een redelijk alternatief, dat overigens wel zou moeten passen in de (aanvaarde) uitgangspunten van het IWOOT rapport. Van de zijde van de staatsfaculteiten was immers (overigens op de valreep, vlak vóór de maartvergadering) alarm geslagen, omdat men beducht was voor de eigen positie. Welnu, van de zijde van de colleges van bestuur waren nieuwe voorstellen ontvangen. Het moderamen van de synode liet echter de synodeleden (per expressepost) weten deze voorstellen onvoldoende te achten. Voor goed verstaan van de materie volgt hier de brief van het moderamen integraal.

'Het moderamen van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk stelt de leden van de synode, die op 14 juni voor de drie dagen durende zomervergadering op het pastoraal centrum Hydepark bijeenkomt, voor om het moderamen op te dragen het gesprek over de vormgeving van de opleiding van predikanten met de colleges van bestuur van de rijksuniversiteiten te Leiden, Utrecht en Groningen en van de Universiteit van Amsterdam voort te zetten op basis van het in de voorjaarssynode reeds aanvaarde IWOOT-plan en de nadere invulling ervan door de commissie Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs (TWO).
Tijdens de voorjaarsvergadering in maart besloot de synode tevens de bezwaren van de colleges van bestuur in zoverre te honoreren door hen vervolgens hun verzoek uit te nodigen binnen twee maanden een alternatief voorstel uit te brengen.
Dit voorstel werd op 28 mei ontvangen, en op 5 juni vond een gesprek plaats tussen het moderamen en een delegatie van de colleges van bestuur. Op 9 juni bespraken de kerkelijke hoogleraren en docenten het voorstel, op 11 juni formuleerde de commissie TWO haar advies, waarin ook het advies van het college van kerkelijke hoogleraren en docenten werd opgenomen.
Dit advies werd op 12 juni door het moderamen van de synode overgenomen en per expresse aan de synodeleden gezonden, die er op 14 juni over dienen te beslissen.

Alternatief voorstel toch geen oplossing
"Met waardering mag worden vastgesteld dat tot het uiterste is gegaan in het oprekken van de bestaande regeling. De colleges van bestuur zijn tot de uiterste grenzen van het wettelijk toegestane gegaan", zo begint het advies. "Hieruit en uit de inhoud van de voorstellen blijkt de wil om tot een positieve oplossing te komen. Wanneer tenslotte niet alle problemen konden worden opgelost, is dat niet aan de colleges van bestuur te wijten, maar vindt dat zijn oorzaak in de grondwettelijke scheiding van kerk en staat."
Het IB vies gaat vervolgens in op een aantal vraagpunten. Het instellen van overlegorganen op landelijk en lokaal niveau wordt positief begroet, maar de vraag blijft waar de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid ligt. Bij een keuze voor de door IWOOT voorgestane structuur (aangewezen instelling ex art. 218 WWO) zijn beide instellingen verantwoordelijk en zullen het dus uiteindelijk eens moeten worden. Maar in het voorstel van de colleges van bestuur lijkt de beslissing eenzijdig bij de faculteitsraad van de universiteiten te liggen, aldus het advies.
Ten aanzien van de positie van kerkelijk hoogleraar is de bereidheid tot tegemoetkoming zeer groot, aldus het advies, maar juist daar blijkt hoe men op de grenzen van de wet stuit: de positie van de kerkelijk hoogleraar persoonlijk wordt verbeterd, maar zijn vak wordt binnen de universiteit niet erkend. De colleges van bestuur stellen immers voor de kerkelijke hoogleraren tevens tot staatshoogleraar te benoemen in een tweede vak, dat binnen de andere orde past. Dit betekent dat bij elke nieuwe kerkelijk hoogleraar de leeropdracht van zijn tweede benoeming al naar gelang van zijn bijkomende deskundigheid opnieuw moet worden omschreven. Willekeur dreigt, en schade voor beide ordines. Dit neemt niet weg dat in bepaalde gevallen dubbelbenoemingen op grond van gebleken deskundigheid heel zinvol kunnen zijn, aldus het advies.

Hoofdvak
Een van de grootste knelpunten is met de gegeven alternatieven dichter bij een oplossing gebracht, aldus het advies: er is een evidente verruiming ten opzichte van de bestaande toestand. Maar de grens van de wet is duidelijk: kerkelijke vakken kunnen alleen worden opgenomen via een vrijstellingsregeling, en het is niet volstrekt duidelijk of de voorstellen zich nog binnen de kaders van de wet begeven, en dat betekent weer onzekerheid over de uitvoerbaarheid, aldus het advies.
Op het punt van onderzoek wordt er echter nauwelijks verbetering aangeboden. Dat kan ook moeilijk anders, want niet de universiteiten gaan over het geld hiervoor, maar de minister.

Scheiding kerk en staat
De centrale moeilijkheid – aldus het advies – is dat de kerkelijke vakken voor onderwijs en onderzoek als zodanig niet binnen de openbare universiteit erkend kunnen worden. Dus: geen eigen vakgroepen. Van deze feitelijke situatie zijn de opstellers van IWOOT uitgegaan, een gegeven van de huidige interpretatie van de scheiding van kerk en staat.
Men zou zich kunnen voorstellen – aldus het advies – dat de overheid de inhoudelijke bezinning op theologie als inspiratiebron in de samenleving binnen haar eigen instellingen zou laten verrichten en dat zich zich dat zou weerspiegelen in een overeenkomstig wetenschapstheoretisch model aan de universiteiten. Maar deze situatie doet zich thans niet voor.
Wellicht dat na een betere profilering van de kerkelijke theologie en een verschuiving in de beoordeling over de betekenis van godsdienst in de samenleving in een later stadium beide ordines weer in elkaar kunnen worden geschoven, maar op dit moment laat zich dat niet realiseren, zo zegt het advies.
Maar als het zou kunnen, dan is het nog de vraag of het wenselijk is. Daarom is de duplex orde van belang, om te zorgen dat de pendel noch naar de ene noch naar de andere zijde doorslaat.
IWOOT gaat daarbij uit van een duplex ordo waarbij twee faculteiten gezamenlijk een geïntegreerd curriculum verzorgen voor een zesjarige doctoraalopleiding die toegang geeft tot het predikambt. Deze opleiding zou dan worden afgesloten met een door de kerkelijke faculteit afgenomen doctoraalexamen, terwijl daarnaast, bij voorkeur op dezelfde dag, bij de openbare faculteit een doctoraal examen wordt afgelegd, uiteraard zonder de kerkelijke vakken. Waarbij wordt voldaan aan de eisen van de openbare faculteit.

Gelijke zelfstandige basis
IWOOT maakt de principiële keuze om de kerkelijke vakken een gelijke zelfstandige basis te verschaffen. Dit kan alleen via artikel 218 WWO. Maar met waardering over hun tegemoetkomende houding willen wij graag zoveel mogelijk gebruik maken van net aanbod van de universiteiten, zo vervolgt het advies, dat hierna met waardering kennis neemt van de aangeboden ruime vrijstellingsregeling voor het doctoraal examen (complementariteit). In dit verband is er geen bezwaar dat een student vier jaar langde eerste inschrijving heeft bij de openbare universiteit en de tweede inschrijving bij de kerkelijke Universiteit. In de volgende twee jaren is dat vervolgens omgekeerd. De wederzijdse dienstverlening zou dan bij voorkeur moeten worden verrekend met gesloten beurzen.

Conclusie
Onze conclusie is dat de voorstellen van de colleges van bestuur geen betere oplossing bieden dan de IWOOT-voorstellen en daarvoor ook geen gelijkwaardig alternatief zijn, zo zegt het advies van TWO tenslotte.
Bijstelling en explicitering van de IWOOT-voorstellen, zoals in het bovenstaande is aangeduid, komen onzes inziens voldoende tegemoet aan de ten dele ook naar onze mening terechte bezwaren van de colleges van bestuur. Wij hopen en verwachten dat deze voorstellen dan ook voor hen een aanvaardbaar uitgangspunt zijn om tot een overeenkomst te komen, zo besluit het advies van de commissie Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs en het College van Kerkelijke Hoogleraren en Docenten, dat werd overgenomen door het moderamen van de hervormde synode.'

De synode
Op de synode golfde de discussie heen en weer tussen de vraag of de voorstellen van de colleges van bestuur van de staatsfaculteiten ver genoeg gingen, inderdaad een alternatief waren, juridisch (voor de Hoge Raad) mogelijk waren of dat ze — vanwege de beperkte mogelijkheden, gezien de wettelijke scheiding van kerk en staat — toch niet ver genoeg gingen, dat wil zeggen toch nooit voor een echte gelijkwaardigheid van de kerkelijke opleiding en de staatsopleiding konden zorgen.

Verschillende synodeleden leken hun eigen besluit van juni niet ernstig te nemen en waren grif bereid de voorstellen van de colleges van bestuur als deugdelijk alternatief te beschouwen, om daarmee de IWOOT voorstellen op losse schroeven te stellen. De predikanten H.J. ter Bals (Alphen a. d. Rijn), Joh. Brezet (Spijkenisse), S.W. Bijl (Markelo) en W.B. Beekman (Koudum) dienden terzake een motie in, waarin het moderamen werd opgedragen het gesprek met de colleges van bestuur voort te zetten op basis van de door hen voorgestelde aanpassingen in de duplex ordo. Later, na brede discussie in de synode en na enige aanpassing van de besluitvoorstellen van het moderamen, werd deze motie echter ingetrokken.
Consistent met het juni-besluit van de synode was wat oud.-kerkvoogd E. Nagel Soepenberg (Haarlem) opmerkte. Hier volgt de tekst van wat hij zei:

'In de discussie over de toekomst van de NHK en de organisatorische strukturen, die daarbij horen, speelt de plaats van de theologische discipline een belangrijke rol.
Zo belangrijk dat ook in de discussie over de prioriteitenstelling voor de komende jaren daar veel aandacht aan gegeven wordt.
Het is daarom van doorslaggevend belang hoe we de ons in de kerkorde opgedragen taak (art. XIV) organisatorisch en bestuurlijk vorm geven.
In mijn bijdrage tijdens de vorige synodevergadering zag ik in elk geval 3 taken voor de theologische discipline, namelijk:
a. de opleiding van predikanten;
b. de ontwikkeling van de theologische wetenschap als zodanig (die niet verzwakt wordt door een samenwerkingssituatie);
c. het flankeren van het denken in de gemeente.
Met name de laatste taak zal de komende jaren steeds zwaarder worden. Dat betekent in concreto, dat de band tussen de NHK en de drie genoemde aspecten van de theologische discipline sterker zal moeten worden (los van de duplex ordo).
Tegen deze achtergrond zijn m.i. 3 belangrijke elementen in de IWOOT-discussie te onderkennen.
1. De gelijkwaardigheid van kerk en universiteit t.a.v. de theologische discipline.
Hoe het ook te waarderen is dat de universiteiten ons hier in sterke mate tegemoetkomen, ten principale kunnen zij ons die gelijkwaardigheid niet aanbie­den, omdat de wet hier grenzen aangeeft. In die zin onderschrijf ik het advies van de commissie TWO, dat de 'kerkelijke vakken voor onderwijs en onderzoek als zodanig niet binnen de openbare universiteit erkend kunnen worden'. Hoe men elkaar ook tegemoet komt.
Ik zou wel de discussie over de relatie tussen universiteit en kerk wat af willen leiden van de hoogleraren. Natuurlijk is hun positie uitermate belangrijk maar we moeten niet de indruk wekken dat het onderwijs er is t.b.v. de hoogleraren.
Het gaat ten diepste om de dubbele verantwoordelijkheid voor de theologische discipline (kerk/universiteit), een verantwoordelijkheid die alleen waargemaakt kan worden vanuit een gelijkwaardige wettelijke positie.
Daarom ben ik van mening dat we bij ons besluit van de vorige synode-vergadering moeten blijven: het creëren van een aangewezen instelling (o.i.) op basis van art. 218 van de WWO, ook wel genoemd een "hervormde universiteit". Een duplex ordo "nieuwe stijl" is alleen op basis van gelijkwaardigheid te creëren, een gelijkwaardigheid waartoe de WWO ons de mogelijkheid biedt. Die sprong moeten we nu wagen.

2. De op basis van een zodanig besluit verkregen gelijkwaardigheid vraagt om een sterk committment, een sterke loyaliteit, van beide kanten.
De NHK dient deze, als eerste, aan te reiken.
Dat kan door in het concept-reglement voor de theologische universiteit art. 2,6 als volgt te lezen:
– "De universiteit dient de opleiding te verzorgen in samenwerking met de theologische faculteiten van één of meer andere openbare universiteiten, waartoe met hen een overeenkomst zal worden aangegaan." –
In zekere zin is de a.i. een "lege huls" die door de universiteiten gevuld wordt."

3. Wij weten nog hoegenaamd niets over het financiële plaatje.
Wel moet het volgende gezegd worden:
Het besluit aangaande de gelijkwaardige positie van kerk en universiteit en de daarmee verbonden committment naar de universiteiten betekent een belangrijke stap bij de prioriteitenstelling in de beleidsplanprocedure.
Daarvan dienen we ons nú nog in kwalitatieve zin, bewust te zijn. Voor de volgende synode-vergadering zie ik graag kwantitatieve gegevens ten dezen. Ook hier geldt: het geld kan maar één keer uitgegeven worden.
We moeten dus verder gaan met committment naar beide kanten. Daarom steun ik het besluitvoorstel van het moderamen.'


Ook nu weer leverde ds. F.S.J. van der Sar (Maasbracht) een wezenlijke inhoudelijke bijdrage met betrekking tot de principiële kant van de kwestie, die achter de IWOOT voorstellen zit. Zijn toespraak van de juni-vergadering namen we integraal over. Hier volgt nu ook wat hij tijdens de laatstgehouden bespreking zei:

"Vandaag moeten wij tot een afweging komen of het voorstel van de Colleges van Bestuur gelijkwaardig is aan het IWOOT-plan. Ik ben ook van mening, het is al vaker gezegd vandaag, dat de Colleges van Bestuur tot het uiterste zijn gegaan in wat de Wet toestaat, als je uitgaat van de duplex ordo in zijn huidige vorm. De positie van de kerkelijke hoogleraren wordt versterkt. Toegezegd wordt, dat de vrijstellingsregeling maximaal zal worden toegepast, zij het dat dit aan de faculteiten zelf moet worden overgelaten.
Wat niet kan echter is vakgroepsvorming in de kerkelijke vakken en verbetering van de onderzoeksmogelijkheden in deze vakken. Dit kan in het IWOOT-plan wel. Dat is voor mij voldoende reden om aan het IWOOT-voorstel vast te houden.
Ik bespeur bij veel mede-synodeleden enige twijfel of deze twee punten wel zo belangrijk zijn. En daarbij de gedachte: Het is tot nu toe toch goed gegaan? Mr. Cath merkt in zijn brief, waarin hij zijn voorkeur voor de voorstellen van de Colleges van Bestuur motiveert, eveneens op: "In geen enkel stuk heb ik tot nu toe gelezen, dat de openbare universiteiten de theologen slecht hebben opgeleid". Ik zou dat zelf ook niet willen beweren. Maar een paar kanttekeningen wil ik daar toch bij plaatsen, door iets te vertellen van hoe ik deze studie ervaren heb. Ik heb de studie met veel genoegen gedaan, maar het is mij tijdens mijn verblijf aan de universiteit niet gelukt om voldoende overzicht te krijgen om de eenheid en samenhang van haar verschillende disciplines te zien en te begrijpen. De verscheidenheid aan onderwerpen, methoden en vraagstellingen, en de verschillen in kentheoretische uitgangspunten waren daarvoor te groot. Ik heb die verscheidenheid en breedte fascinerend gevonden, dat wel! En als destijds het IWOOT-plan aan de orde was gekomen, had ik daar zeker even grote bezwaren tegen gehad als veel studenten nu. Ook mijn loyaliteit zou op dat moment meer bij de faculteit gelegen hebben dan bij de kerk. Maar na mijn studietijd was het vervolg wel, dat ik mij zelden hulpelozer heb gevoeld dan in de eerste jaren van mijn eerste gemeente. Ik ben nu negen jaar predikant. Wat ik de afgelopen jaren aan studie heb gedaan is voor een deel gewijd geweest aan het hernemen en herlezen van wat mij op de faculteit werd aangereikt, maar wat in de context van de gemeente en in het kader van het ambtswerk een andere betekenis bleek te moeten krijgen, anders moest worden toegepast, anders moest worden uitgelegd. Pas nu begin ik een beetje het gevoel te krijgen, dat ik het geheel van de theologische wetenschap begin te overzien, en de kentheoretische en methodische problemen van haar verschillende disciplines begin te begrijpen. Pas nu begin ik het gevoel te krijgen dat ik op de systematiek van deze wetenschap wat greep heb en nu ook aan de dogmatiek toe ben. De vaststelling waar ik voor sta is: Hoe weinig heb ik in mijn studententijd begrepen van die theologische wetenschap! Hoe hulpeloos heb ik mij gevoeld als beginnend predikant! En mijn vraag is: Is dit een onvermijdelijke gang van zaken? Hoort het altijd zo te gaan? Of lag het aan mij? Misschien ligt het bij veel collega's inderdaad anders. Maar ik ben theoloog geworden, als ik het al ben, in de gemeente door ambtsdrager te zijn, alleen omdat het deel werd van mijn ambt.
Daarom verwacht ik iets van het IWOOT-plan, omdat het de kerkelijke vakken een gelijkwaardige positie geeft naast de vakken van de faculteit. Ik denk dat dat dringend nodig is, want dat heb ik gemist. De duplex ordo krijgt hiermee nu ook een duidelijk omschreven juridische vorm wat betreft de verhouding van de ordines. Dàt is het nieuwe gegeven. Want het IWOOT-plan behelst geen keuze voor een simplex ordo. Het beoogt niet het verlaten van de openbare universiteit. Het IWOOT-plan is bij de huidige interpretatie van de Wet wel de enige mogelijkheid om de kerkelijke vakken in de opleiding voldoende ruimte en status te geven. De verbetering van de positie van de kerkelijke hoogleraar is mij niet voldoende. Het gaat mij om de ruimte en status van de kerkelijke vakken binnen het geheel van de theologische wetenschap. Want in die vakken ligt de voorbereiding op het theoloog zijn voor zover dit tot het ambt behoort, en niét een universitaire titel is. Het gaat daarin om het belijden der kerk, zoals in art. 2 van het conceptregelement wordt aangegeven. M.i. beoogt het reglement daarmee geen confessiedwang, zoals in deze vergadering wel is verondersteld, maar geeft het daarmee wel het bijzondere karakter van deze vakken aan. De verschillende disciplines van de openbare faculteiten worden in relatie tot deze vakken alleen maar interessanter, althans dat is mijn ervaring.
Daarom ben ik voor het IWOOT-plan, vooral nu het haalbaar lijkt gedurende de eerste vier jaar de eerste inschrijving bij de faculteiten te laten. Daarmee vallen voor de faculteiten de grootste nadelen van het IWOOT-voorstel weg. Ik hoop dat dit voorstel ook zal bijdragen tot het ontstaan van een nieuwe systematisch-theologische traditie. Want dat is wat ik in de kerk het meeste mis. Prolegomena-kwesties en de hermeneutiek houden ons zozeer bezig, dat we daaraan niet voorbijkomen, heb ik het gevoel. Dat heb ik ook hier in de synode ervaren, vooral in het modalitair gesprek. Betonen wij hier in de synode zo vaak de vaardigheid tot het theologisch gesprek met elkaar, trouw aan het belijden der kerk? Ik hoop daarom van harte, dat het IWOOT-voorstel zal worden aangenomen, want anders houd ik voor de kerk mijn hart vast.'

Telkens kwam in de synode de vraag naar voren of, bij het creëren van een nieuwe universiteit, op den duur de theologische opleiding niet zou worden gedegradeerd tot een hogere beroepsopleiding ('een kweekschool voor dominees in geïsoleerde positie', ds. H.J. ter Bals). Met name prof. dr. L.A. Hoedemaker (kerkelijk hoogleraar in Groningen) toonde zich bezorgd, dat de du­plex ordo in feite vervangen zou worden door een simplex ordo, dat wil zeggen: alléén de kerk verantwoordelijk voor de theologische opleiding. 'De stukken ademen een simplex ordo sfeer'. Hij meende, dat de voorstanders van het IWOOT rapport innerlijk de beslissing al hadden genomen en afscheid hadden genomen van de duplex ordo.

Wat dit laatste betreft betoogde prof. dr. A. van de Beek, Leiden, zelf lid van TWO en verantwoordelijk voor de opstelling van het IWOOT rapport, dat juist van de zijde van de staat de dreiging van een simplex ordo het grootst is, omdat van die zijde het gevaar van ideologisering groot is. Hij betoogde nog eens, dat we met de kerkelijke vakken onder de huidige situatie niet uit de voeten kunnen. Dogmatiek, zo betoogde prof. dr. G.H. ter Schegget (Leiden) vervolgens, is niet erkend in de encyclopedie der wetenschappen. Hij noemde de aanwezigheid van de kerk een raison d'etre (reden van bestaan) voor de theologische faculteit. Dat wordt in de huidige situatie niet meer erkend. Nu is bij het doctoraal examen de dogmatiek niet meer dan een keuzevak ('zoals Sanskriet of margarine'). Bij de IWOOT opzet kan dogmatiek een hoofdvak zijn, terwijl men verder voor het doctoraal examen alles kan kiezen uit de encyclopedie der wetenschappen.

De colleges van bestuur van de staatsfaculteiten hadden de mogelijkheid geopperd van een zogenaamde 'dubbele benoeming' voor de kerkelijke hoogleraren. Dat werkt — aldus Ter Schegget — opnieuw taakverzwarend. En verder zullen ze hun juridisch recht dan ontlenen aan het voor de staat dan gegeven bijvak en niet voor hun (vanwege de kerk te geven) hoofdvak. 'Zij gaan hun status ontlenen aan wat zij niet zijn; en ik wil een simpele geleerde dominee zijn'. Van juridische gelijkwaardigheid en echt meespreken in het indicium zal geen sprake (kunnen) zijn.


Met name Ter Schegget ging nog in op vier bezwaren, die door de zogeheten commissie Oberman (een commissie, die namens minister Deetman het theologisch onderwijs heeft doorgelicht), werden ingebracht tegen de mogelijke IWOOT opzet.
1. De nieuwe universiteit zou zelf de studenten gaan inschrijven. En voor de staatsfaculteiten zou het geld dan binnenkomen via de kerk (de nieuwe kerkelijke universiteit). Welnu, aan dat bezwaar is tegemoet gekomen, doordat in de besluitvoorstellen nu was opgenomen, dat de eerste vier jaar de inschrijving van de studenten gewoon aan de theologische faculteiten blijft plaats vinden.
2. Verliezen staatsdocenten hun wetenschappelijke onafhankelijkheid niet, wanneer ze straks worden ingehuurd, zoals IWOOT wil, in de nieuwe universiteit? 'Wij huren geen vakken in — aldus Ter Schegget — maar bieden een samenwerkingsovereenkomst, waarbij we het hele pakket overnemen'.
3. Dubbelbenoemingen zijn onnodig. Wij benoemen als kerk geen hoogleraren in de staatsfaculteiten.
4. De staatshoogleraren worden niet — zoals wordt vermoed — in de nieuwe opzet gemarginaliseerd, naar de rand geschoven.
Er zal wel sprake zijn van wederzijdse verantwoordelijkheid, op basis van juridische gelijkwaardigheid van kerkelijke hoogleraren en staatshoogleraren. Verantwoordelijkheden kunnen verder ook in goed vertrouwen worden gedelegeerd. 'Zo handhaven we de duplex ordo'.

Wanneer we de weg van IWOOT gaan, worden we, zo was de slotconclusie van Ter Schegget wel even rijk (of arm) als andere universiteiten (r.k. en gereformeerd) maar de staatsfaculteiten worden er niet armer van.

Besluit
Uiteindelijk stemde de synode in met een aangepast besluitvoorstel van het moderamen, waarin werd uitgesproken, dat de Hervormde Kerk verder gaat op de weg van IWOOT, waarbij — in tegenstelling tot wat eerder werd beoogd — de studenten in de theologie de eerste vier jaar ingeschreven worden aan de staatsfaculteiten (en niet aan de kerkelijke universiteit). Wel zal voor de najaarsvergadering van de synode een kostenplaatje worden gemaakt. Dan zal ook het concept-reglement aan de orde komen. Verder zal vooraf ook een oriënterend gesprek plaatsvinden met de huidige minister van onderwijs.


We mogen dankbaar zijn, dat de synode besloten heeft op de ingeslagen weg verder te gaan. De kerk zal zó méér en duidelijker gestalte kunnen geven aan de haar toevertrouwde zorg voor de opleiding van dienaren des Woords.
Van belang zal intussen zijn hoe het toekomstige curatorium er zal uitzien. Op een (bezorgde) vraag van ds. R.A. Grisnigt, Bennekom, in deze zei prof. dr. A. van de Beek, dat de kerk als geheel erin gerepresenteerd zal dienen te zijn. Was dat de reden, dat prof. dr. L.A. Hoedemaker zich bezorgd toonde voor 'opzicht en tucht' over het theologisch wetenschappelijk onderwijs voor de opleiding van de dienaren des Woords, dat hij in het concept statuut ontwaarde? Alsof kerkelijke theologische opleiding los zou kunnen en mogen staan van het belijden der kerk!
Er zal nog heel wat water door de kerkelijke (en politieke) Rijn stromen voor één en ander geregeld is. Maar de ingeslagen weg was onvermijdelijk. Het gaat tenslotte om opleiding van dienaren des Woords.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Unaniem verder naar hervormde universiteit

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's