Bezwaren tegen waarneming van het dienstwerk door vrouwelijke predikanten
Wijziging ord. 13-23a
De hervormde synode heeft tijdens haar zomervergadering van 14 tot en met 16 juni a.s. te Doorn, een voorstel besproken om uit de kerkorde te schrappen dat kerkeraden een vrouwelijke predikant als consulent bij een vacature of als waarnemer in het dienstwerk bijvoorbeeld bij ziekte van de predikant, kunnen weigeren. Het gaat concreet om het laten vervallen van ordinantie 13 artikel 23a.
De Provinciale Kerkvergaderingen van Groningen en Drenthe dienden dit wijzigingsvoorstel in 1987 in bij de synode. Zij vonden dat het bestaande artikel discriminatie van de vrouwelijke predikant legaliseerde, terwijl al vanaf 1966 alle belemmeringen tot volledige openstelling van het ambt voor vrouwen weg zijn. Het bewuste artikel houdt wel een beperking in voor uitsluitend de vrouw. Kan er binnen één en hetzelfde ambt onderscheid zijn, zo vroegen de twee — inmiddels samengevoegde — Provinciale Kerkvergaderingen zich af.
De Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden (KOA) had geen kerkrechtelijke bezwaren tegen het laten vervallen van ordinantie 13-23a. Deze is in de kerkorde de enige uitzondering op de regel dat de ambten voor vrouwelijke kerkleden open staan.
Om bezwaarde kerkeraden tegemoet te komen en de communicatie over de achterliggende motieven te bevorderen, stelde de KOA voor in artikel 23 op te nemen dat het breed moderamen van de classicale vergadering, tot wie een kerkeraad zich dient te wenden om gevrijwaard te blijven van een vrouwelijke consulent, moet trachten het bezwaar tot een oplossing te brengen.
Tijdens de synodevergadering gaf ds. P. van den Heuvel (Vlaardingen), zelf lid van KOA, de volgende beschouwing over het onderwerp:
'Het voorstel tot wijziging dat door de PKV Groningen-Drenthe is ingediend, is op zichzelf duidelijk en behoeft daarom nauwelijks toelichting. De commissie KOA heeft zich in haar advies dan ook beperkt tot drie zaken:
— allereerst wordt sterk onderstreept dat het hier om een beleidsbeslissing gaat. Als een beleidsbeslissing aan de orde is, ligt het niet zozeer op de weg van de KOA om een advies te geven, maar meer op de weg van het moderamen van de Gen. Synode.
— vervolgens heeft de commissie zich beraden op de vraag, wat er gebeurt als de bepaling van ord. 13-23a zou vervallen.
Blijft er dan nog voldoende ruimte over in de kerkorde om met de bezwaren die er in delen van de kerk leven tegen het aanvaarden van vrouwelijke predikanten op een verstandige wijze om te gaan.
De KOA meent dat ord. 13-23 daarvoor inderdaad de mogelijkheid biedt. Bovendien heeft dit artikel het voordeel dat bij het volgen van de daar aangegeven procedure het een ambtelijke vergadering is die een beslissing moet nemen, op grond van inhoudelijke argumenten. Nu is een simpel briefje voldoende zonder dat iemand zich inhoudelijk van de vragen rekenschap geeft en kan men ook een vrouwelijke predikant weigeren op grond van ord. 13-23a zonder dat er van principiële bezwaren sprake is.
— De P.K.V. Groningen-Drenthe noemt in de toelichting ord. 13-23a "legalisatie van discriminatie". De commissie wijst erop dat in het spraakgebruik het woord "discriminatie" nog al eens te breed wordt gehanteerd. Het maken van onderscheid is op zichzelf geen discriminatie. Daarvan is alleen sprake als er een onderscheid gemaakt wordt waarvoor geen rechtvaardiging bestaat. Het is aan de synode om uit te maken of dit onderscheid gerechtvaardigd is.
Overigens is het goed te onderstrepen dat ook ord. 13-23 op geen enkele manier mag worden uitgelegd alsof op grond van dat artikel discriminatie wel geoorloofd zou zijn. De brief van de P.K.V. Groningen-Drenthe lijkt dat enigszins te suggereren door een paar voorbeelden te noemen, die te allen tijde zullen moeten worden afgewezen (zoals Semitische afkomst, huidskleur en dergelijke).
Om tot een goede afweging te komen kan het nuttig zijn de ontstaansgeschiedenis van ord. 13-23a te vermelden.
In 1958 werd het mogelijk gemaakt dat een vrouwelijke candidaat bevestigd werd tot predikant voor bepaalde werkzaamheden.
Tegelijk werd een overgangsbepaling getroffen (ovb. 270a) die als volgt luidde:
tijdens een vacature of daarmee gelijk gesteld geval wordt het dienstwerk niet door vrouwelijke predikanten waargenomen, indien de betrokken kerkeraad schriftelijk aan het breed ministerie te kennen heeft gegeven daartegen bezwaar te hebben.
Als toelichting werd daarbij gesteld:
Deze bepaling is noodzakelijk terwille van de eerbiediging van de bezwaren, die een plaatselijke kerkeraad mocht hebben tegen de ambtsbediening door een vrouw (Hand. GS, 1958, blz. 178)
Toen in juni 1966 in principe besloten werd tot de volledige openstelling van de ambten voor de vrouw, werd door ds. Groenenberg de vraag gesteld hoe men rekening kon houden "met degenen die in deze zaak in hun geweten bezwaard zijn". We mogen "niet onchristelijk de gevoelens van minderheidsgroepen negeren" (aldus prof. Berkhof).
Besloten werd dat een commissie zich met name beraden zou "op de praktische consequenties voor het leven der Kerk, om, waar mogelijk, aan de gevoelens van de bezwaarden tegemoet te komen" (Hand. GS, 1966, blz. 439-442).
Deze commissie heeft in november 1966 voorstelen gedaan en daarbij gerapporteerd dat ze unaniem van oordeel was dat de Kerk tegemoet moest blijven komen aan gemeenten die bezwaar hebben tegen de vervulling van ringbeurten of consulentschappen door een vrouwelijke predikant.
Sommige leden van de commissie vonden dat daarvoor ovb. 270a moest blijven bestaan: nu de openstelling van het ambt van predikant principieel is aanvaard kunnen er geen uitzonderingsbepalingen in de ordinanties worden opgenomen, moeten zulke uitzonderingen in de overgangsbepalingen geregeld blijven.
Anderen meenden dat deze bepaling in ord. 13 zelf moest worden opgenomen omdat het gaat over "een verschil in de wijze, waarop de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift wordt verstaan".
Uiteindelijk heeft de commissie in meerderheid voorgesteld overgangsbepaling 270a op te nemen in ord. 13 en de synode heeft dat voorstel met één stem tegen) aanvaard (Hand. GS, 1966, blz. 505-507).
Helaas (zeg ik er op persoonlijke titel bij) heeft men die bepaling destijds niet letterlijk overgenomen, maar de formulering iets korter gemaakt.
Gevolg daarvan is dat men nu ord. 13-23a zou kunnen lezen, alsof het bezwaar zich richt tegen (bepaalde) vrouwelijke predikanten, terwijl in de oorspronkelijke formulering duidelijker uitkwam dat het uitsluitend gaat om tegemoet te komen aan het bezwaar tegen "de vrouw in het ambt", zoals dat leeft in een deel van onze kerk.
Concluderend zou ik willen zeggen:
— de kerkorde geeft tal van bepalingen, waarin men ruimte schept voor minderheden in de kerk (denk maar aan de bepalingen voor de deelgemeenten en de buitengewone wijkgemeenten);
— zo geeft de kerk ook ruimte aan hen, die menen de vrouwelijke predikant niet te kunnen aanvaarden;
— de kerk verschaft deze ruimte echter nooit op grond van een formele mededeling. Daarvoor is altijd nodig dat men zich verantwoordt naar de bredere verbanden van de kerk en het is goed dat men zich daarbij rekenschap geeft van de diepste motieven;
— naar de mening van de commissie is ord. 13-23 een geschikte bepaling om van elkaar deze rekenschap te vragen en daarom zou ord. 13-23a kunnen vervallen.
— om te onderstrepen dat het breed moderamen van de classicale vergadering in voorkomende gevallen moet proberen een kerkelijke oplossing te vinden en niet al te snel de zaak "administratief afdoen", wordt voorgesteld aan ord. 13-23a de woorden toe te voegen "echter niet dan nadat dit breed moderamen gepoogd heeft het bezwaar tot een oplossing te brengen".'
De synode nam nog geen beslissing maar zal eerst nog het resultaat van een inhoudelijke studie van het onderwerp afwachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's