De stijl van het ambt (1)
Jaarlijks belegt het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een studie-ontmoetingsdag voor candidaten in de theologie en predikanten, die in hun eerste gemeente staan. Op de laatst gehouden studie-ontmoetingsdag, die op 1 mei ll. in Zeist werd gehouden, refereerde dr. A. van Brummelen over 'De stijl van het ambt'. We plaatsen deze lezing in drie afleveringen.
Inleiding
Wij hebben lang geaarzeld over de vraag hoe wij ons onderwerp zouden opzetten. Nu eens overwogen wij een pastoraal-theologisch uitgangspunt, dan weer wilden wij uitgaan van een bijbelpericoop. Maar tenslotte besloten wij toch kort en krachtig uit te gaan van een tweetal artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. En wel nader artikel 30 en 31.
Artikel 30 heeft als onderwerp: van de regering der kerk door kerkelijke ambten. Artikel 31 bespreekt de dienaren, ouderlingen en diakenen. Wij hebben in die twee artikelen een samenvatting van het bijbels onderwijs en tevens een eerste aanzet tot een pastoraaltheologie: De Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft een hoge opvatting van het geestelijk ambt, maar ze geeft niet om zo te zeggen een eigenlijke ambtstheologie. Toch zijn er voldoende wenken in, waaruit een ambtstheologie zou kunnen worden opgezet.
Wij bedoelen vandaag natuurlijk niet een ontwerp van ambtstheologie te geven. Ons doel is alleen een paar vingerwijzingen te geven voor een goede ambtsvoering. Wij wijzen u op de aanduiding, dat bij de kerkelijke ambten alles in de kerk wel en ordelijk zal toegaan. Trouwens, de Nederlandse Geloofsbelijdenis verwijst op dit punt naar de brieven van Timotheüs, een reden te meer om te weten hoezeer onze belijdenis voluit uit de Schrift getrokken is. Getrouwe personen moeten worden verkozen. Het gaat om een goede orde en regel. Er is sprake van een geestelijke politie oftewel van een geestelijk bestuur.
Ook artikel 31 waarschuwt voor indringing in het ambt en bepleit stil te wachten op wettige verkiezing. Het stelt de regel van eenzelfde macht en autoriteit voor onderscheiden ambtsdragers in verschillende plaatsen zonder twist of tweedracht. Deze aanwijzingen zijn genoeg om een breder terrein af te bakenen.
1. De tucht in het ambt
Wanneer wij spreken over de stijl van het ambt, dan is de vraag onmiddellijk: wat is stijl? Wij zouden willen voorstellen deze omschrijving te overwegen: stijl is een vaste gewoonte van de geest. Een uitstraling naar buiten van het kenmerk van onze ziel. Wij kunnen denken aan taal en stijl, maar uiteraard wordt dat hier niet zozeer bedoeld. Het is meer een levenshouding. Een meesterschap over zichzelf. Een zekere belijndheid. Een goede orde en goede beweging in het leven. In dit licht denken wij aan 1 Timotheüs 4 : 16: heb acht op uzelf en op de leer. Wij zouden willen pleiten voor zelftucht. Timotheüs moest acht hebben op zichzelf. Niet denken, dat het ambt automatisch iemand heilig maakt. Hij dient over zichzelf te waken ten aanzien Van allerlei driften en emoties, waaraan hij onbetoomd ten offer zou kunnen vallen. Wij moeten niet vergeten om de zonden, die wij in anderen bestraffen in onszelf te doden en de plichten, die wij anderen opleggen, zelf te volbrengen. Goed doen is niet voldoende. Goed zijn zij ons ideaal.
Wij moeten voortdurend op wacht staan bij onszelf. Wij dragen immers een zondigvlees in ons om. Wij dienen te vrezen voor de begeerlijkheid van ons eigen vlees. Ook willen wij daarbij wijzen op het gevaar van zelfverwekelijking en de neiging aan alle lusten grenzeloos toe te geven. Er is een heilzame zelfdiscipline door de kracht van de Heilige Geest. Daarbij is vanouds dienstig een leven op de maat van de klok in nuchter evenwicht. Een zekere zakelijkheid, mensenkennis en wijsheid, naar de regel van het bijbelwoord: oefen uzelf tot godzaligheid!
Bij de persoonlijke zelfdiscipline voegen wij nu de leerdiscipline. Wij mogens ons wel gedurig afvragen of onze prediking wel overeenkomstig de Heilige Schrift is. Diepe studie zij daartoe aanbevolen in combinatie met het bestuderen van de belijdenisgeschriften. Een oude wijze regel is daarvoor de lectio continua van de Heilige Schrift. Het geregeld doorlezen van de Schriften voor persoonlijke stichting en dat wel gehele bijbelboeken dóór. Dan ziet u de belijdenis uit de Schrift opwellen. Het is in dit verband goed daar te beginnen, waar ons de theologie als de uitlegging van de Heilige Schrift levend wordt. Zo komt de volheid van de Schrift gaandeweg meer op ons aan. De één mag dan een voorkeur hebben voor dit onderwerp, een ander kiest weer een ander onderwerp om daar zijn aandacht aan te wijden. Er zijn theologen geweest, die hun leven lang aan één onderwerp doende bleven. Wij denken aan de verklaring van de brief aan de Romeinen, of aan de toelichting van de Openbaring van Johannes. Natuurlijk kunnen wij ook aan beperktere onderwerpen denken, met name de gevangenschapsbrieven, een paar kleine profeten. Zo was er in de historie een predikant gespecialiseerd in de gelijkenissen. Elke activiteit voere ons tot de omgang met de Heilige Schrift. Daarnaast zal het ook mogelijk zijn een bepaald studieonderwerp te kiezen in de geschriften van de een of andere leraar van de kerk; wij kunnen ook denken aan een bepaald dogmatisch onderwerp. Zulk een afgebakend terrein van gedegen gehalte bewaart ons voor kerkelijke journalistiek van inferieur gehalte. Ook kiezen wij liever voor een boek dan een tijdschrift. Alles wat niet tot lezen van de Schrift voert, worde gemeden. Wij behoeven echt niet alles te lezen. Een keuze is noodzakelijk op een toegespitst terrein.
Wanneer wij juist helemaal geen mogelijkheid hebben om door te studeren, denk dan eens aan de studie van de predikkunde. Dat geeft voor het wekelijkse preekwerk een goede ondergrond. De lectuur van goede preken vijzelt ons òp voor ons eigen werk. Wie er studie van maakt, wordt voor slaafse navolging behoed. Elke dag een draadje, maakt een hemdsmouw in een jaar, zo luidt het spreekwoord. Welnu, gestaag volgehouden regel van studie aan een deel-onderwerp, elke dag een tijdsdeel, dat geeft in discipline degelijke kennis. Het schenkt ook grond aan de prediking. Juist wanneer men een geniaal preekvoorbeeld kiest bewaart dat ons voor sleur en dorheid.
In de prediking komt alles tezamen. Theologische vorming, intellectuele begaafdheid, kracht van meditatie, hermeneutische overdracht, levenservaring – ze komen alle bijeen in de voorbereiding van de preek. Alle diepten en ondiepten van de persoon van de predikant vertonen een zekere relatie met zijn prediking. De prediking eist ons helemaal òp, daarom is het zo beslissend, dat wij discipline oefenen over onszelf; de kracht bewaren om te kunnen denken, waar te nemen, te vertolken datgene wat om ons heen is. De studie van de Heilige Schrift houdt ons mentaal, intellectueel, emotioneel en spiritueel op de been. Wanneer wij deze studies verwaarlozen, zakt op den duur alles in elkaar.
De Schrift biedt ons mensenkennis en zelfkennis, al staat natuurlijk bovenaan, dat zij ons Godskennis geeft. Daardoor worden wij bewaard voor de ondiepte van het optimisme en de schijndiepte van het pessimisme. Het eerste miskent de macht van de zonde, het tweede de macht van Christus. De kennis van de Heilige Schrift is mechanisch en organisch. De mechanische Schriftkennis is notitia localis en notitia realis. De notitia realis is de kennis der woorden, die in het geheugen liggen, de notitia localis is het kennen van de plaats waar de woorden zijn te vinden. De notitia localis wordt door veel lezen van de Schrift en door de behandeling van de Schrift met de gemeenteleden bevorderd. De notitia realis door Bijbelstudie. De organische Schriftkennis ontstaat door de mechanische te verbinden met het gelovig thuisraken in het Evangelie. Daardoor weet men de afzonderlijke stukken in hun samenhang godsdienstig aan te wenden. Op deze wijze vormt zich een grondige Schriftkennis. Een ingewijde weet, dat men op deze wijze vanzelf een stap omhoog zet naar een gedegen dogmatisch inzicht in de Schrift. Voor de preekarbeid en de zielzorg is dit alles van onberekenbare waarde. Zo krijgt onze persoonlijkheid diepte, vorm en gezag. Wij winnen aan geestelijk overwicht. Dat straalt naar buiten door in zin en gloed. Alleen wie tucht heeft over zichzelf, kan ook naar buiten invloed uitoefenen.
Wat wij tot nu toe hebben betoogd, heeft te maken met zelfdiscipline. Wij kunnen er niet omheen ons oog er voor te openen, dat hier een zwaar punt in het predikantenleven wordt aangeraakt. Er is natuurlijk bij ieder onzer, naast de algemeen-menselijke fouten het speciaal zondige en verkeerde. Hier is het de hoogmoed, ginds de zelfzucht, elders gebrek aan ernst, daar aan kracht en vertrouwen. Hier een neiging tot zelfgenoegzame tevredenheid, ginds tot wankelmoedige bangheid. Kortom, er is verleiding allerwege. Wat kunnen wij anders tegenover de verleiding plaatsen dan de volharding, die machtig en krachtig het néén laat horen? Veel is weggevlucht voor een gedurig néén! In de kracht des Heeren is telkens weer de strijd voor ons om te overwinnen op datgene wat naar beneden zuigt. In gedurige geloofsbezieling telkens weer de taak op ons nemen, die God ons op de schouders legt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's