Uit de pers
Opwekking
Dat is de titel van een boek dat vorig jaar verscheen en werd geschreven door de onlangs in zijn eerste gemeente Wouterswoude bevestigde ds. W. van Vlastuin. Dit boek trok de aandacht in de kerkelijke pers van velen, met name in reformatorische maar ook in evangelische kring. Het zal in ons blad wellicht ook nog een nadere bespreking ontvangen. In deze rubriek citeren we uit een gesprek dat 'Koers' voerde met de schrijver waarvan in het nummer van 8 juni jl. verslag werd gedaan.
'De armoede en de nood van deze tijd beschrijft soms met nogal scherpe bewoordingen in uw boek. Aan het eind citeert u bijvoorbeeld "een vriend predikant" die zei "dat er over een jaar o twintig zelfs geen uiterlijke kerk meer zou zijn als er geen opwekking zou komen" (178). Denkt u dat zelf inderdaad ook?
Die uitspraak heeft me in ieder geval geweldig getroffen. Het is misschien wat overtrokken gesteld, maar de bedoeling ervan onderschrijf ik helemaal. Je ziet het toch om je heen: de kerken zitten nog wel vol, maar welke betekenis heeft de dienst van God nu echt in ons leven? Wat betekent God voor je en wat betekenen zonde en genade voor je? Zijn God en die begrippen werkelijkheden of is heel de godsdienst niet méér dan een vorm, een sleur of iets om je geweten te sussen? Uit het onderzoek van Van Driel en Kole ("Bij-tijds leren geloven") bleek bijvoorbeeld dat veel jongeren nog wel christelijk en reformatorisch zijn, maar dat er in hun levensstijl bijna geen verschil met onkerkelijken is. Het christelijk geloof heeft in hun leven weinig werkelijke betekenis. En ik ben bang dat dit ook voor veel van hun ouders geldt.
Het is opvallend dat u in dit verband de problemen niet zozeer in de omslag in de cultuur zoek maar meer in de kerk zelf. U schrijft: "Niet de omstandigheden vormen de nood van de kerk. Maar de nood ligt in de kerk zelf" (46). En: "Het is niet de nood van de kerk dat de kerk in de wereld verkeert, maar dat de wereld in de kerk is" (67).
Inderdaad. Daarmee bedoel ik te vragen of wij werkelijk wel als vreemdeling op de aarde leven. Paulus zegt: "Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten". Dat zal in ons leven merkbaar moeten zijn! Ik heb in het boek een gedeelte uit een preek van John Owen aangehaald, waarin hij zegt dat het duidelijk moet zijn dat er voor de kerk andere belangen spelen dan voor de wereld.
Maar is dat in deze tijd zo? Denken wij vaak niet hetzelfde als de wereld en vinden we ook niet precies dezelfde dingen belangrijk als de wereld belangrijk vindt? Een grotere auto? De wintersportvakantie? Of de mode?
Als in ons leven de eeuwige dingen werkelijk beslag hebben gekregen en als we aardse dingen hebben leren te verachten, dan is dat merkbaar! Dan zullen niet-gelovigen aan ons kunnen zien dat God werkelijk betekenis voor ons heeft. Ik denk aan Petrus die schrijft dat heidense mannen "door de wandel der vrouwen zonder Woord" gewonnen kunnen worden. Dat betekent toch dat er door de kracht van de Heilige Geest zo'n leven mogelijk is, dat daar een trekkende kracht van uitgaat?'
Wat mij om te beginnen in deze reactie opvalt is de eerlijkheid waarmee collega Van Vlastuin de werkelijkheid om zich heen in de kerk en in de wereld onder ogen durft te zien. Dat is trouwens in zijn genoemde boek ook heel opmerkelijk. Hij zet het mes in eigen kerkelijk vlees en dekt de realiteit niet toe onder wollige woorden. Dan volgt in zijn studie en ook in het gesprek met 'Koers' de stelling dat wij helemaal niet in een unieke tijd leven wat betreft de minderheidspositie van de kerk en ook niet als het gaat om de geweldige secularisatie van deze tijd. Het is nooit anders geweest, aldus ds. Van Vlastuin, de kerk is altijd òf een vervolgde òf een gedoogde minderheid geweest. Het eigenlijke probleem ook vandaag ligt in de kerk zelf. De wereld is altijd al goddeloos geweest. Daar hoeven we ons niet zo over te verwonderen. Dat zal waar zijn. Maar daarmee ben je volgens mij toch te gauw klaar met de geweldige problematiek waarvoor we ons als christelijke gemeente in deze tijd geplaatst zien. Want waardoor is de kerk zo krachteloos, als ds. Van Vlastuin terecht constateert? Komt dat niet mede door de geweldige druk en zuig bekracht die er van het moderne levensgevoel juist op jongeren en ouderen uitgaat? We leven nu eenmaal niet op een eiland, niemand van ons, ook al proberen we misschien zo'n eiland wel te creëren. Vorm, organisatie maar ook inhoud van veel kerkelijke activiteit, schreef onlangs iemand, is mede bepaald door cultuur en wordt daarom ook meegetrokken in de machtige omslag die er zich in onze cultuur voltrekt. Wie dat niet mee betrekt in zijn overwegingen over de huidige nood van de christelijke gemeente, loopt m.i. gevaar docetisch over de christelijke gemeente te spreken. Ik bedoel daarmee te zeggen: je kunt het concrete bestaan en functioneren van de gemeente niet loskoppelen van de realiteit waarbinnen ze zich bevindt. Trouwens collega Van Vlastuin geeft dat zelf min of meer toe als hij aangeeft hoe velen in de kerk net eender leven als de massa buiten de kerk.
Toch hoop voor de kerk
In zijn studie over 'Opwekking' geeft ds. Van Vlastuin talloze voorbeelden uit de Schrift en de geschiedenis van de kerk van geestelijke opwekkingen. Juist als het zo donker is, breken veelal Gods tijden aan.
'Dus dat biedt, hoe vreemd het ook klinkt, hoop voor juist ook déze donkere tijd?
Zeker. Ik wil ermee zeggen dat we aan God nooit moeten wanhopen, hoe troosteloos en donker het ook is. Kijk, er wordt in deze tijd heel veel gesproken over Godsverduistering. Op zich is dat terecht, maar ik vind dat het vaak met een veel te negatieve teneur wordt gedaan, in die zin dat men het te weinig van God verwacht. Dat is ook mijn kritiek op het boek "Gereformeerden op zoek naar God" van prof. Graafland. Eigenlijk maakt hij op mij zelfs een beetje een remonstrantse indruk. Want hij lijkt veel meer bezig te zijn met de vraag welke theologie we nu moeten hanteren om "succes" te hebben, dan dat hij het alleen van God verwacht. En ik denk dat dat laatste toch de weg is: het van God te verwachten en te zien op wat Hij kan doen. We belijden elke zondag: "Ik geloof in de Heilige Geest". Maar doen we dat ook echt? Geloven we echt in de almachtige kracht van Gods Geest? Geloven we dat de moderne mens, hoe onbereikbaar hij voor ons ook is, voor Hèm niet onbereikbaar is? Ik zeg niet dat het verkeerd is om je theologisch te bezinnen op de vraag of de boodschap van de Schrift wel goed en ten volle verstaan is, maar het moet duidelijk zijn dat je het niet van een theologie kunt verwachten. Ik vind dat een veel te menselijke benadering. Dan verwacht je het te veel van jezelf en te weinig van God.'
Of prof. Graafland helemaal recht wordt gedaan, laat ik voor nu in het midden. Eigenlijk corrigeert hij zichzelf als hij toegeeft dat theologische bezinning op de situatie en ons Schriftverstaan niet verkeerd is. Uiteraard, dáár verwachten we het niet van. Ik ben het helemaal met hem eens als hij indringend onderstreept dat we veel meer dan tot nu toe nog het geval is, ons als kerken dienen uit te leveren aan God. We hebben en we zijn nog teveel als kerken in Nederland. Het ontbreekt ons helaas nog maar al teveel aan waarachtige verootmoediging (en dan gemeenschappelijk) voor Gods aangezicht. Er is nog teveel zelfgenoegzaamheid en te weinig oprechte wederkeer tot God en dat over de hele breedte van kerkelijk Nederland.
Prediking
Hoe ontstaan veelal 'opwekkingen'?
'Wat kunnen we eventueel van die opwekkingen uit het verleden leren? Dus niet om te imiteren, maar om onszelf als spiegel voor te houden?
Kenmerkend voor opwekkingen is altijd dat mensen de nood van hun tijd beseffen en dat ze daardoor tot God gaan bidden om door Hem geholpen te worden. Een ander kenmerk is, dat het voornaamste middel dat God gebruikt om een opwekking te geven, de zuivere prediking van het Woord is. Dus niet allerlei kunstgrepen om de prediking aantrekkelijker te maken, maar de eenvoudige prediking waarin de meest wezenlijke dingen heel duidelijk en heel uitdrukkelijk aan de orde worden gesteld: de noodzaak van bekering, wedergeboorte en geloof, maar ook een sterke nadruk op de vruchten van het geloof, dus het leven van de heiligmaking.
Heeft de orthodox-gereformeerde prediking in die zin bijstelling nodig?
Dat vind ik een moeilijke vraag. Het klinkt natuurlijk gauw wat veroordelend en hooghartig als je daar "ja" op zegt. Laat ik voor mezelf antwoorden. Ik houd mijzelf constant voor hoe nodig het is om zo te preken, want ik bespeur bij mezelf heel vaak tekorten in dit opzicht. En ik ben bang dat dat bij anderen ook wel zo zal zijn.'
Ik onderstreep de schroom van collega Van Vlastuin in zijn antwoord op de laatste vraag. Het komt zo makkelijk hoogmoedig over als we een oordeel uitspreken over de prediking. Wel is het waar dat de klare verkondiging van het Evangelie gedrenkt in de voorbede van prediker en gemeente de bijbelse weg is tot geestelijk herstel van de kerk. Zeker, de verkondiging voltrekt zich in een kerkelijk kader. We hebben ervoor te zorgen dat er geen onnodige proppen ontstaan in de kanalen waarlangs de Heilige Geest pleegt te werken. Maar wat waar is, is waar: het Woord zal het doen, ook vandaag! Daarom dient de prediking altijd prioriteit te hebben en te houden in de kerkelijke arbeid van predikant en kerkeraad.
Piëtistische egodocumenten
In het juni-nummer van Spiegel Historiael (voor abonnementen: Postbus 59338, 1040 KH Amsterdam) staat eenboeiend artikel te lezen van Fred van Lieburg over de wijze waarop het lezen en schrijven van egodocumenten, met dikwijls de eigen bekering als centraal thema, functioneerde binnen de piëtistische groepscultuur in de Republiek der Nederlanden tijdens de 18e eeuw. In de 18e eeuw werd veler prediking al geleerder en ging steeds meer over de hoofden van hoorders heen. Verder ontstond er, als Van Lieburg, een soort binnenkerkelijke secularisatie. Velen deden wel belijdenis en vierden avondmaal, maar leefden onbekommerd een 'werelds' leven. Als reactie daarop ontstond er in toenemende mate een gereformeerd 'volkspiëtisme' dat zich in de 18e eeuw steeds hechter begon te organiseren. Het conventikelwezen begon op te bloeien, door Van Lieburg genoemd 'een randkerkelijk netwerk van plaatselijke groepen vromen die op regionaal niveau contacten onderhielden via correspondentie en via rondreizende oefenaars en geestverwante predikanten'.
De bekeringsweg
Om de piëtistische groepscultuur in de 18e eeuw van de binnenkant te leren kennen, komen egodocumenten als bronnen ongetwijfeld het eerst in aanmerking. In de denk- en leefwereld van piëtisten nam het 'ik' een centrale plaats in, en dat had zijn weerslag op wat zij bespraken, lazen en schreven. In hun ogen waren de persoonlijke geloofsbeleving en het individuele contact met God de belangrijkste criteria om iemand en vooral zichzelf als ware gelovige aan te merken. De vraag die de piëtisten bezighield was: ben ik door God uitverkoren, en hoe kan ik daar zekerheid over krijgen? Die aandacht verklaart hun belangstelling voor de kenmerken van het geloofsleven in het algemeen en voor de ervaringen van gelovigen in het bijzonder. Zij wilden precies weten op welke wijze en via welke stadia de Heilige Geest in het hart van de mens werkte om hem tot geloof in Christus te brengen. Voor het antwoord op die vraag gingen zij te rade bij de preken en geschriften van gereformeerde theologen die met kennis van zaken tot dergelijk zelfonderzoek aanspoorden. Maar ook luisterden zij gretig naar mensen die al op de bekeringsweg gevorderd waren en over hun eigen geschiedenis konden vertellen.
Voor mondelinge vormen van autobiografische verslaggeving bood het conventikelwezen een geschikte gelegenheid. In gezelschappen waar het "accent minder lag op bijbelstudie dan op stichtelijk gesprek, was het uitwisselen van elkaars bevindingen een voor de hand liggende bezigheid. Zeker iemand die voor het eerst een plaatselijk conventikel bijwoonde, kon rekenen op het verzoek om iets te vertellen over zijn godsdienstige levensloop. Het relaas werd met aandacht beluisterd, omdat de piëtisten geloofden dat God zijn kinderen in principe volgens eenzelfde schema leidt. Zo konden de aanwezigen hun eigen geestelijke ontwikkeling afspiegelen aan die van medechristenen, waarbij bleek dat de één verder gevorderd of meer verzekerd in het geloof was dan de ander. Het vertellen van bekeringsgeschiedenissen diende enerzijds tot onderlinge troost, bemoediging en zelfbevestiging, anderzijds juist tot zelfkritiek en waar nodig tot correctie of aanbeveling van bepaalde meningen of handelingen.'
Opmerkelijk is dat er in onze tijd veel vraag is naar egodocumenten in de vorm van biografische en autobiografische geschriften. Gelet op het aanbod schijnt er een markt te zijn voor publicaties waar het 'ego', het 'ik' van de schrijver of de beschrevene in het centrum staat. In de kerk zijn we er eerder wat van afgestapt uit vrees dat toch al te zeer de mens centraal komt te staan. En van de hier beschreven conventikels zijn ziekelijke uitwassen bekend. Toch zou het de overweging waard zijn in een cultuur waarin het individualisme en het subjectivisme hoogtij vieren als kerk daar meer op in te spelen door toe te geven aan sommiger vraag naar bv. gebedskringen en andere bijeenkomsten. Niet om geestelijke wildgroei te bevorderen, maar om langs de spontane weg die de Geest soms kiest onder biddend opzien uit te zien naar een geestelijke opwekking. Want waarom sluiten we deze rubriek af door aandacht te vragen voor piëtistische egodocumenten? Niet om na te doen wat in vroeger eeuwen in de kerk gebeurde toen geestelijke dorheid de 'zielen' van velen in de kerk kwelde. Maar wel om te onderstrepen dat geestelijke vernieuwing van de gemeente begint bij de geestelijke vernieuwing van haar voorgangers en haar leden. Onlangs biechtte een collega eerlijk op hoe moeilijk het gebedsleven werd gaande gehouden in zijn leven. En wie eerlijk is, herkent dit in eigen leven. We vergaderen en confereren, sjouwen en draven in de gemeente, organiseren en evalueren, schrijven nota's en brieven, maar vindt Christus ons, voorgangers en ambtsdragers, dagelijks aan Zijn voeten? Dat sluit ons bezig zijn niet uit maar in. We kunnen met al ons bezig zijn zo op de wereldse toer geraken. Alsof een cursus management de dominee zou helpen en de gemeente kon opkrikken. Ik geloof in de Heilige Geest en daarom in de heilige algemene christelijke kerk. Daarmee sluiten we aan bij de stelling van ds. Van Vlastuin: God moet het doen, ook vandaag. En we geloven het door alles heen: Hij doet het. Zijn Woord doet het. Zijn Geest doet het. Het Woord werkt omdat God werkt door Zijn Woord en Geest. Geloven we dat nog?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's