Historisch besef en profetie
Kerkelijke verantwoordelijkheid voor de politiek (1)
Op 26 april werd door ondergetekende op de conferentie van het Contact Orgaan voor de Gereformeerde Gezindte (COGG) een referaat gehouden over 'Kerkelijke verantwoordelijkheid voor de politiek'. In deze afleveringen wordt de tekst ervan afgedrukt in deze kolommen.
Het thema voor vandaag is zeer omstreden. Op de vraag van de verhouding tussen kerk en staat, beter nog van de verhouding van de kerk tot het politieke leven, worden heel verschillende antwoorden gegeven.
Voor sommigen ligt het simpelweg zo, dat de kerk in ambt en prediking niets met het politieke leven te maken heeft. Die verantwoordelijkheid ligt bij de afzonderlijke christenen, die zich vervolgens organiseren in een christelijke politieke partij of een andere maatschappelijke organisatie. Voor anderen heeft de kerk een uitgesproken politieke functie. In het uiterste geval wordt zelfs gezegd, dat prediking politieke prediking dient te zijn.
Weer anderen achten politiek een vuil zaakje, waar christenen zich verre van hebben te houden. In bepaalde, met name evangelische kringen wordt dan ook een a-politiek standpunt gehuldigd. Men gaat ook niet ter stembus. Politiek past de christen niet.
Mijn positiekeuze, die ik hier vanmorgen verder wil ontvouwen, ligt in de titel van het referaat, zoals dat is aangekondigd, vertolkt. Daar staat geen vraagteken achter. Wat mij betreft wel een duidelijk uitroepteken. Dat wil zeggen, dat ik uitga van de gedachte, dat er een verantwoordelijkheid van de kerk ten opzichte van het politieke leven is. Dat die zelfs, vanuit de Schrift, geboden is.
Christelijk historisch
Wie christelijk-historisch denkt, kan er niet omheen, dat er sinds de wording van de gereformeerde kerk hier te lande, sprake is geweest van een diep besef van de verantwoordelijkheid, die de kerk heeft naar volk en overheid toe. Men leze de boeken van dr. E. B. Evenhuis 'Ook dat was Amsterdam', om te kunnen constateren hoe er van meet af in ons gemenebest een levendige wisselwerking was tussen de de kerkelijke en burgerlijke magistraten in Amsterdam. De Mozes en Aäronstraat tussen de Nieuwe Kerk en het stadhuis in Amsterdam is het sprekende bewijs van het drukke verkeer tussen kerk en staat in het verleden, tussen Mozes, de leider van het volk en Aäron, de priester.
Onze natie is zelfs in de worsteling om de kerk, om de ware religie geboren. Hoe diep de consequenties daarvan waren blijkt uit het feit, dat de overheid vaak bid- en dankdagen uitschreef in nationale noodsituaties, dat de Statenbijbel op last van de hoogmogende Heren der Staten Generaal werd uitgegeven en dat de overheid het mogelijk maakte dat predikanten werden aangesteld in het leger en op de vloot.
In de kerk functioneerde intussen de politieke voorbede, naar het vermaan van Paulus in zijn brief aan Timotheüs, namelijk dat voorbede moet worden gedaan voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een stil en gerust leven mogen hebben in alle godzaligheid en eerbaarheid. De kerk behoeft zo ook de bescherming van de overheid, om dienstbaar te kunnen zijn aan dat stille en godvruchtige leven. Maar de kerk ging ook verder dan de voorbede. De Zuidhollandse synode van 1567 stelde de vraag: 'wat heeft de kerk te doen met de politiek, met de wapenen en met de koks?' (een aardige trits vindt u niet?). Het antwoord luidde: 'de kerk heeft te maken met alle zaken en zal ook in zulke zaken vanuit het Woord Gods raden wat geboden is'.
Deze synodale uitspraak is typerend voor de gereformeerde Reformatie, in navolging van Calvijn. Calvijn was diep doordrongen van het feit, dat de staat door God bedoeld is om het leven op aarde — 'dankzij wetten en politiën' — mogelijk en leefbaar te maken en te houden. Hij was ook diep overtuigd van het ambtelijk karakter van de overheid, zijnde Gods dienaresse. De wetgeving vanwege de overheid dient dan ook een afglans te hebben van het gebod Gods. In kerk en staat beide gaat het om de Gloria Dei. Want God is de hoogste Souverein, in kerk en staat.
Calvijn beroept zich in zijn visie op psalm 82 (vers 1 en 6 ), waar we lezen, dat God staat in de vergadering der goden, dat is van de overheden. Ook het politieke leven voltrekt zich Coram Deo, voor het aangezicht Gods. Van Ruler bezigde daarom het gevleugelde woord, dat kerk en staat de twee brandpunten zijn van dezelfde ellips, waaromheen zich het gehele geordende leven voltrekt.
Profetie
Als het dan zo is, dat de overheid, naar Romeinen 13 overigens, Gods dienaresse is, dan zal de overheid dat ook dienen te wéten. De overheid is niet alleen Gods dienaresse als ze zelf belìjdt dat te zijn, als ze zelf voor honderd procent of in meerderheid uit Evangeliebelijders bestaat. Nee, de overheid ìs Gods dienaresse. Maar ze is als dienaresse Gods het volk ten goede. Calvijn zegt dan ook: 'omdat de overheden door God zijn aangesteld zullen ze ook eenmaal aan Hem rekenschap geven'.
Christus zegt tot Pilatus, dat hij geen macht over Hem zou hebben, als deze hem niet door God was verleend. Juist en zelfs onder de wereldlijke rechter Pontius Pilatus heeft Christus geleden. De vroegchristelijke kerk heeft het dan ook nodig geoordeeld om dit wereldschokkende feit in het Apostolicum nadrukkelijk te stipuleren, liever nog: te belijden. Zelfs in het rechtsgeding om Jezus had Pilatus van God verleende macht.
De overheid zal hebben te wéten, dat ze van God verleend gezag bezit. En wie zou haar dat anders moeten zeggen dan de kerk? Want aan de kerk is het profetische Woord toebetrouwd. Zo bezien heeft de kerk een profetische roeping ten aanzien van volk en overheid. 'Alles, moet Hem eren', zegt psalm 33. De kerk heeft zo open vensters naar de staat toe. Maar door die vensters zal alleen het licht van het profetische Woord vallen.
Het gaat in de Schrift niet alleen om de enkele mens.
Is met name het Oude Testament niet vol van de lofzegging op God, die de Koning over de ganse aarde is?
'De Heere, de Allerhoogste is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde' (psalm 47).
'De Heere regeert. Hij is met hoogheid bekleed' (psalm 93). 'De Heere is groot en zeer te prijzen... zegt onder de heidenen: de Heere regeert' (psalm 96).
'De Heere regeert, de aarde verheuge zich' (psalm 97).
'De Heere regeert, dat de volken beven' (psalm 99).
In de Schrift gaat het ook telkens om de aarde, de volken, de steden. Ze worden gesteld in het licht van Gods heerschappij. En Nieuwtestamentisch voegt zich daarbij de belijdenis: Jezus, is Kurios, Jezus is Heere, Heere over de ganse aarde.
Koninkrijk Gods
Dit brengt mij eigenlijk direct bij de kern van de kwestie, waarom het gaat, als we nadenken over de politieke verantwoordelijkheid van de kerk. De vraag is hoe we het Koninkrijk Gods verstaan; en in dat verband de vraag wat de gerechtigheid van het Koninkrijk is naar de Schriften.
Naar mijn diepste overtuiging is het in strijd met het Sola Scriptura als we het Koninkrijk Gods laten samenvallen met de kerk en als we gerechtigheid versmallen tot persoonsgerechtigheid, in de rechtvaardiging van de goddeloze. Christus is Hoofd van Zijn gemeente maar is ook Heere over de ganse aarde. En gerechtigheid krijgt breder gestalte dan in het hart van een mens, die deel krijgt aan de Borggerechtigheid van Christus. Gerechtigheid verhoogt ook een volk en zonde is de schandvlek van de natiën, zegt de Schrift.
We zouden, als het hierover gaat, juist als gereformeerde christenen vandaag wel eens een blinde vlek kunnen hebben.
Bij Christus' wederkomst zal Hij het Koninkrijk, waarover Hij de scepter voert, teruggeven aan de Vader. Maar dan zullen ook de koningen de heerlijkheid en de eer der volkeren indragen in het Nieuwe Jeruzalem. (Openb. 21 : 24, 26)
In Christus is het Koninkrijk Gods nabij, zeer nabij gekomen. Het Koninkrijk Gods is onder ons, zelfs in ons. En wanneer de Schrift zegt dat we eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid hebben te zoeken, dan gaat het ten diepste om de vreemde vrijspraak vanwege de Borggerechtigheid van Christus in de rechtvaardiging van de goddeloze. Maar het gaat in de Schrift om veel wijder contouren van de gerechtigheid dan de menselijke ziel.
Van Ruler zegt: 'Het Rijk van Christus (let wel: van Christus, v.d. G.) wil ook volledige gestalte krijgen in het sociale en politieke handelen, nationaal en internationaal. Om deze gedachte lacht tegenwoordig alles wat christen en theoloog is. Maar ik houd het ervoor dat zij met deze verwerping Christus en Zijn Heer verloochenen. Want wat zou Hij nog voor de wereld te betekenen hebben, als Hij niet haar Heere wilde zijn en dat niet slechts domweg in de feitelijkheid, maar ook op de wijze van bewuste erkenning van daadwerkelijke gehoorzaamheid?' (in Ik geloof, Nijkerk, 1968).
— Het gaat God om de wet, om de thora. Christus heeft de gerechtigheid en de gehoorzaamheid van de goddelijke wet volkomen vervuld. Volkomen, dat wil zeggen: het hele gebod Gods. Dan zal gerechtigheid ook onder de volkeren zichtbaar zijn. Want Christus heeft niet alleen het handschrift, dat tegen ons was, uitgewist (Col. 2), maar Hij heeft op het Kruis ook de machten overwonnen, ze openlijk ten toon gesteld, aan de paal geslagen, krachteloos en machteloos gemaakt. Toen de Russische christen Berdjajev van een secretaris van de communistische partij de vraag kreeg: 'wie zal overwinnen Christus of het communisme?', antwoordde Berdjajev: 'Jullie zullen overwinnen maar na àl jùllie overwinningen zal Christus overwinnen'.
Die bemoedigende boodschap mag de kerk proclameren. Ze mag dan ook proclameren dat gerechtigheid onder de mensen en de volkeren alleen gediend is, wanneer het Gebod Gods — een gebod met een belofte, een gebod ook, dat zeer wijd is — daarvan de dragende grond is. Het gaat God om de wet, om het gebod dat ten goede is. Het gaat ten diepste ook daarin om de Gloria Dei.
Wanneer de joodse sofeer de thorarollen calligrafeert — er zijn er maar enkelen in de wereld, die dat foutloos, in einem Gusz kunnen — dan tekent hij elke letter van boven naar beneden. De thora komt van boven naar beneden, van God uit naar de mensen. De thora is gericht op persoonsgerechtigheid maar ook op gerechtigheid onder de volkeren. Het zal recht toe gaan onder de mensen. Die gerechtigheid tussen God en mens en tussen de mensen onderling voor Gods Aangezicht zal op de nieuwe aarde wónen, een plaats hebben.
Het is opvallend hoe in het Oude Testament zo de gerechtigheid nauw verbonden wordt met Godsvrucht. 'Wat eist de Heere van u, o mens, — zegt Micha (6 : 8) — dan recht te dóén en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God?' Godsvrucht en het doen van gerechtigheid horen bijeen.
Daarom is het Oude Testament ook vol van het recht van de weduwe, de wees, de vreemdeling, de ont-rechte. Zelfs het land mag delen in het recht Gods. Het gaat in dit alles dus wel om het Droit Divin — zoals Groen van Prinsterer dit aanduidde — om Gods recht op het leven van mensen en volkeren. Maar daaraan zal het recht ònder de mensen dan ook beantwoorden. In het Nieuwe Testament gispt Jacobus diegenen, die het loon der landlieden verkort hebben. Het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth. En wat te denken van Amos, die niet ophoudt de oordelen Gods aan te kondigen over het onrecht, bijvoorbeeld omdat ze de rechtvaardige voor geld verkopen en de nooddruftige om een paar schoenen en die er naar hijgen dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij.
Stellingen bij het referaat ‘Kerkelijke verantwoordelijkheid voor de politiek’ voor de conferentie van het COGG op donderdag 26 april 1990 te Putten
1. Christelijk historisch denken betekent zicht hebben op een wederkerigheid in de verhouding tussen kerk en staat.
2. Alleen de kerk kan de overheid doen weten, dat ze onder alle omstandigheden dienaresse Gods is.
3. Het Koninkrijk Gods valt niet samen met de kerk en de wet van het Koninkrijk heeft ook alles te maken met gerechtigheid onder de volkeren.
4. Omdat Christus Kurios, Heere van de wereld is, heeft de kerk recht van spreken, heeft ze een profetische taak naar volk en overheid toe.
5. In het geding tussen Kuyper en Hoedemaker in de vorige eeuw had Hoedemaker de beste gereformeerde papieren, omdat hij opkwam voor het recht Gods in kerk en staat.
6. Alleen een kerk, die artikel 36 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis (onverkort) belijdt, kan de vensters profetisch open hebben naar de samenleving.
7. Het feit, dat de Hervormde Kerk na 1951 weer sprekende kerk werd, doet recht aan haar reformatorisch karakter.
8. In het profetisch spreken der kerk behoedt de kerk de staat voor staatsabsolutisme en als zodanig voor vergoddelijking.
9. De politieke verantwoordelijkheid van de kerk bestaat uit voorbede, zielszorg en profetie.
10. De uiteindelijke ontwikkeling van het apostolaat in de Nederlandse Hervormde Kerk heeft een geseculariseerd gerechtigheidsbegrip opgeleverd, met als consequentie gerechtigheid als socialistische categorie.
11. Door deze ontwikkeling van het apostolaat bestaat het gevaar dat de kerk een functie van de politiek wordt en haar profetische roeping juist verliest.
12. Ideologisering van de gerechtigheid in bepaalde kringen mag voor kerken van gereformeerde confessie geen alibi zijn om aan de eigen roeping tot invulling van de gerechtigheid naar de samenleving toe te ontsnappen.
13. Het afwijzen van politieke prediking ontslaat niet van de noodzaak om de Koningsheerschappij van Christus over het hele leven te proclameren.
14. Naarmate de kerk kleiner wordt en de samenleving verder in de greep van de secularisatie komt wordt de roeping om profetisch te getuigen pregnanter.
15. De Kerk zal alleen spreken wanneer het om zaken van goddelijke ernst gaat en zal dan ook met goddelijke ernst spreken.
16. Politiek is een zaak van ethiek en heeft te maken met micro-etische vragen en macro-ethische vragen.
17. Gerechtigheid heeft ook alles te maken met de sociale kwestie, zowel in eigen samenleving als in wereldverband.
18. Als in de kerk de prediking van zonde en genade, verzoening en verlossing ontbreekt en de voorbede wegsterft is alle spreken van de kerk ijdel geklap.
19. De verdeeldheid der kerken van gereformeerde confessie maakt 'de' kerk voor de overheid tot een 'zouteloos zaakje'.
20. Een herleving van de kerk en meer eenheid der kerken zou heilzaam zijn voor heel het volk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's