De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verlangen naar gemeenschap met God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verlangen naar gemeenschap met God

5 minuten leestijd

'Zeg mij aan, gij dien mijn ziel liefheeft waar gij weidt, waar gij de kudde legert op de middag; want waarom zou ik zijn als één die zich bedekt bij de kudden uwer metgezellen? Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwe zo ga uit op de voetstappen der schapen en weidt uw geiten bij de woningen der herders.' Hooglied 1 : 7 en 8

Over het Hooglied is de eeuwen door verschillend gedacht. Er zijn er, die in dit bijbelboek niet meer zien dan een weergave van de zuivere, aardse liefde. Anderen staan daar tegenover, die het verklaren als de beschrijving van de innige verhouding van de Heere tot Zijn volk en nog dieper: als het Boek van de omgang van Christus en de enkele gelovige. Het is hier de plaats niet daarop uitvoeriger in te gaan. We willen alleen uitdrukkelijk verklaren, dat wij het Hooglied in laatstgenoemde zin wensen te lezen en derhalve ook onze tekst van dat licht uit gaan ophelderen.


Er is hier een jonge vrouw aan het woord, die vervuld is van een diepe hunkering naar een ontmoeting met haar bruidegom. Eenzelfde verlangen spreekt zich hier uit als eerder in het hoofdstuk is te lezen, maar de beeldspraak is hier aan het herdersleven ontleend, de geliefden zijn als herder en herderin voorgesteld en het verlangen naar een samenzijn neemt de vorm aan van de vraag, waar zij in het rustuur van de dag, de hete middaguren, haar geliefde herder vinden kan. En zij versterkt haar verzoek door de bedreiging dat ze, als hij het haar niet zegt, als een rondloopster en vrouw van verdachte gedragingen zou kunnen verschijnen bij de andere herders. Ge vindt hier een toestand uit het geestelijk leven geschilderd, die veelvuldig voorkomt, een periode van geestelijke verlating, waarin men zelf van het nieuwe leven en van de nabijheid der genade des Heeren niets meer bespeurt. De opmerkelijke ondervinding in zulk een tijd is, dat ge nauwelijks énig verschil meer aantreft tussen 'n natuurlijk mens en een levendgemaakte ziel. Er is geen liefde meer, geen drang tot het gebed en ge komt tot het punt, dat ge begint te twijfelen aan de staat der genade en aan al de weldaden en trouwbewijzen des Heeren. Is het dan alles verloren en voorbij? Wij denken van wèl — doch het tegenovergestelde is waar. Wij bespeuren niets anders dan dood en toch trilt er leven! Dat is daaraan te bemerken, dat in het grootste gemis nochtans de trekking der liefde werkzaam blijft. Het verlangen naar de Bruidegom breekt zich baan in de vraag: waar weidt ge, waar legert gij de kudde op de middag?
Bovendien — hoezeer ook de vreugde van de ontmoeting wordt gemist — er klinkt nochtans de blijde toon: gij, die mijn ziel liefheeft! Dit nu is zeer vreemd. De ondervinding is donker, eenzaam en ellendig — maar de liefde van het hart kan door niets verzwolgen worden, door geen aanvechtingen, door geen duisternissen, ze openbaart haar leven in kleine uitlatingen. En al zegt de mond: 'Ik heb geen liefde meer', reeds de toon, waarop men klaagt, verleent aan die woorden een gans andere betekenis. In het zielsgemis van de Heere is de liefde niet dood, al schijnt het wel. Integendeel, de liefde leeft en streeft naar gemeenschap. Liefde wil daar wezen, waar de geliefde is. Is dat niet de algemene ervaring? De ziel verlangt immers naar de Goede Herder? Ze wil toch telkens nader tot Hem komen, delen in Zijn liefde en barmhartigheid? Is dat ook niet de gang van de gelovige tegenover zijn Heiland?


Het antwoord — en nu spreekt in het achtste vers de bruidegom — luidt even hoopvol als ontwijkend. De herderin is voor hem de schoonste der vrouwen, ook al is ze een dochter van het land. Maar om hem te vinden moet ze maar zoeken, het risico waarop ze zinspeelt maar willen lopen, de sporen van het vee heeft ze maar na te gaan en bij de bekende verblijfplaatsen der herders de ontmoeting met haar geliefde te verwachten. De ziel, die naar God zoekt wil in verlangen en ongeduld weten waar precies en op welke tijden en gelegenheden zij haar hemelse Herder kan vinden. Ze wordt verwezen naar Gods medearbeiders, medeherders, patriarchen, profeten, apostelen, leraren der Kerk en op de langere weg van het gebruik der middelen, zoeken, kloppen en bidden! De bruid wordt verwezen naar de voetstappen der schapen. De afdrukken van hun poten zijn gemakkelijk na te gaan. Welnu, de Kerk der eeuwen heeft óók zulk een spoor. Ze gaat als een kudde haar Herder na. Uw weg zal veilig zijn, wanneer ge in die zelfde wegen wandelt, door het Woord ons getoond.
De langgezochte gemeenschap met Christus vindt ge altijd in het Woord alleen. Daar ziet ge beschreven de gangen der Kerk achter de opperste Herder der schapen aan. Haar strijd zij ook de onze. Haar diepten en haar hoogten dienen ons tot richtsnoer, haar woord is ons tot besturing, ja, waar zij wandelt kunnen wij ook gaan, zij ging immers een veilig pad? Paulus wekt in dit verband op, hem na te volgen. Het kan zo vertroostend wezen te ontdekken, dat onze weg achter de Heere aan, in vele opzichten dezelfde is als die van de ganse Kerk. Wie andere kinderen Gods naoogt en de wegen der heiligen gadeslaat, die bevindt dat hij geen eenzame mus op het dak is, maar hij ziet dat zijn ondervinding overeenkomt met die van de Kerk der eeuwen.


Waar staan de voetstappen der heiligen? Niet altijd op voorspoedige wegen. Integendeel, het gaat vaak stroomafwaarts en door diepe dalen, 't Psalmboek geeft de weg der heiligen scherp aan. Klagen en juichen, loven en wenen, hopen en versagen — ziedaar, enkele afdrukken van de voetstappen der Kerk. Desondanks — de Weg komt uit in Jeruzalem. Vraag naar dat Woord en ge zult behouden worden. Wat méér is: ge zult de Herder vinden! Volg het geloof der heiligen en hun werken na — zij wandelden getroost en zij kwamen behouden aan.
Ze vonden hun Heiland in en door het Woord. Er is geen andere weg, kleingelovigen van hart. Naar het Woord dan heen!
Heden!
Morgen!
En... altoos!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verlangen naar gemeenschap met God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's