De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De stijl van het ambt (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De stijl van het ambt (2)

9 minuten leestijd

De gang door het ambt
De stijl van het ambt komt ook openbaar op de manier, waarop zij verkozen worden. Dat is gewoonlijk nog altijd door middel van het beroepen worden. Wij onderscheiden daar de mogelijkheid om voor het eerst beroepen te worden als candidaat en ten tweede: van de ene gemeente naar de andere over te gaan. Deze gewoonte van beroeping achten wij nog immer beter dan de aanstelling of de benoeming door een bisschop of een ander kerkelijk college. Wij tekenen daarbij aan, dat het beroepingswerk dikwijls uiterst menselijk toegaat. Vaak tot bedroevens toe. In dat opzicht zou men zeker wel eens wensen, dat een wijze kerkelijke autoriteit strikt gezag bezat en kon ingrijpen in gevallen van nood...


Staan wij nu eerst stil bij candidaten. Het is een grote zegen, wanneer één of meer beroepen op ons worden uitgebracht. Veelal staan wij daar passief tegenover. Juist nu het aantal candidaatsgemeenten nog gering is in verband met het aanbod van hen, die op de markt staan, kan het voor een kerkeraad een verzoeking vormen een overmaat van criteria te gaan aanleggen, die men in gewone tijden niet of nauwelijks zou te berde brengen. Het is zelfs zo, dat men een schaap zou willen hebben met vijf poten. Er dreigt een overschatting van bepaalde candidaten op bepaalde punten. Wij kunnen dan wel eens ongerust zijn over het niveau van een kerkeraad. Men holt achter een candidaat aan, die men het puikje acht, maar helaas... later komt wel eens voor de dag, dat men de man inderdaad te hoog inschatte. Het bleek ook maar een gewoon mens te zijn. Het ontbreekt ook in diverse colleges vaak aan voldoende wereldkennis en mensenkennis. De tegenwoordige tijd vertoont op breed gebied een gebrek aan eenvoudige levenswijsheid. Wanneer die in een kerkeraad aanwezig is, wordt men bewaard voor overschatting van een candidaat of ook voor onderschatting. Het is menigmaal gebeurd dat een paar wijze kerkeraadsleden in een jonge candidaat bepaalde kwaliteiten opmerkten, die nog verborgen waren voor de gemeente en die soms niet aan de dag kwamen vanwege een stuntelige voordracht of andere onbeholpenheden. Er zijn ook in iedere gemeente altijd mensen, die de gave van de onderscheiding der geesten hebben en mensen reeds van het eerste begin af aan doorzien. Het zou goed zijn eens naar deze mensen te luisteren.


Maar van de kant van de candidaten is er ook wel eens sprake van onzuivere motieven. Sommige candidaten dragen al heel vroeg een ouwelijk voorkomen. Hun gezicht is jong en hun haar blond, maar och lieve, ze zijn zo oudachtig. Eigenlijk blijven ze hun hele leven door oud. Hier is een bepaalde verwringing van aanleg. Weelderige haardos en snorren in de studententijd verdwijnen, frisse kleuren worden bleker, anthracietkleuren komen op. Stemmen worden wat gemaniëreerd. Wij zullen nu maar verzwijgen hoe vriendschappen in concurrentie omslaan. Het worden verstolen vijandschappen. Hoe zouden wij hier een pleidooi willen houden voor natuurlijkheid, openheid en zuiverheid. Het is zeker niet onze bedoeling op te komen voor overdreven vlotte manieren, of voor onnatuurlijke stijfheid. Maar in zulke gevaren is er toch altijd een goede toon te vinden, die voor de leeftijd past. Wanneer ons hart maar eerlijk en open is voor de Heere. Wij dienen ook hier zuiver en echt te zijn.


Gaan wij nu over naar het beroepingswerk van de ene gemeente naar de andere, dan is er soms sprake van vreemde praktijken. Wij laten hier de woorden simonie, vriendjespolitiek, sluwe bemiddeling vallen. Het komt allemaal voor, wanneer wij in de diepte peilen. De één ontvangt beroep op beroep, een ander krijgt er zo nu en dan één. Enkelen krijgen nooit een beroep en blijven jaar in jaar uit op een standplaats staan. Hoeveel verdriet in zulk een lot schuilt, hoeveel verbittering voor de hand kan liggen en verzuring, dat is alleen aan de ingewijden bekend. Om niet uitgepreekt te raken, om hoge normen te blijven bewaren — het vraagt een bijzondere bediening van de Heilige God om door alle teleurstelling heen stil te blijven aankleven en van Hem de zegen te verwachten. Dat gebeurt óók.


Het komt ons voor, dat elke ambtsdrager de zekerheid moet hebben, dat hij door de Heere geroepen is op deze plaats waar hij is gesteld. Deze roeping bestaat nooit in visioenen of gezichten, maar veeleer in de gedurige prikkeling en lust tot het Woord, om dat in deze plaats voor deze mensen te brengen de jaren door. De begeerte om het Woord te bedienen mag dan soms wel eens kwijnen, maar hij treedt toch telkens weer met kracht naar voren. Daaraan mogen wij het recht ontlenen om volhardend door te gaan. Daarvan mogen wij ook de troost verwachten om stil op onze plaats te blijven, al komt er vooreerst of helemaal geen beroep.


Wie vertrouwen heeft op Gods leiding in het leven, kan wachten. In die wachttijd kan een beproeving liggen. Dat is een geloofsbeproeving, als wij maar verstaan, dat Gods tijd de beste tijd is. Wanneer de Heere ons tot het ambt roept, zal Hij de wegen effenen en banen. Dit verlangt van ons vertrouwend biddend wachten. Beter een beroep na lange tijd van wachten, dan een beroep dat niet uit 's Heeren hand is ontvangen. Wij zullen ook niet op de een of andere manier ooit een beroep uitlokken. Wanneer men zich niet ingedrongen heeft en rustig de tijd afgewacht, dan kan men in de roeping van een gemeente ook zien de waarheid van de regel: en mitsdien van Godzelf geroepen...


Wij zijn voorts van mening, dat dienaren des Woords overal eenzelfde macht hebben. De predikanten in de stad gaan in geen enkel opzicht boven de dienaren des Woords in een dorp. Deze wijze levensregel van de belijdenis zal ons ervan terughouden op de een of andere manier heerschappij over collega's te gaan uitoefenen. Uiteraard is het geenszins denkbeeldig dat de een over de ander gaat heersen. Het gevaar bestaat levensgroot. Wij erkennen nu ook wel, dat er een graadverschil bestaat in aanleg en dat er verscheidenheid van gaven bestaat. Sommigen kunnen beter leiding geven dan anderen. Toch pretenderen wij dat de gemeente meer heeft aan eendrachtige samenwerking dan aan eigenzinnig baasspelen. Helaas, naarmate richtinggevoeligheden een grotere rol gaan spelen loert hier een groot aantal gevaren om de hoek.


Voorts wijst onze belijdenis erop, dat de ambtsdragers moeten geacht worden om huns werks wil, niet om hun persoon en hun plaats, waar zij wonen. Op die manier nemen wij dus van de karaktereigenschappen afstand, al leggen die natuurlijk wel gewicht in de schaal. Wanneer wij hen, die als voorgangers over ons gesteld zijn, achting bewijzen om der wille van het werk, zullen wij graag enigerlei afgodische verering vermijden. Dat is een groot gevaar voor sommige dienaren. U ziet het allerwege. Die éne is het, die éne ontvangt alle eer en mag alles doen. Er heerst een psychose, dat die éne goed móet zijn, al is het inderdaad heel gewoon wat die éne brengt. Het schijnt vreemd, maar ook in de kerkelijke wereld worden sommige voorgangers hemelhoog verheven en anderen zonder nadere toetsing ten vure gedoemd. Wij komen dan niet meer naar de kerk om het Woord Gods te horen, maar om een mens te horen. Dat is ook fnuikend voor de dienaar des Woords zelf. Innerlijk weet hij zich soms gevleid. Hij doet er soms ook wel eens iets voor, al is het maar een licht accent in zijn stem, een eigenaardig gebaar, een bepaald getypeerd voorkomen van gewicht. In dit opzicht kennen wij heel vreemde tics, die veel minder onschuldig zijn dan wij denken.


Wij geloven, dat het goed is, hier ons te oefenen in het nederige en eenvoudige. Een bijbelse mensen- en zelfkennis doet deugd op dit punt. Wij leren ons te harden in miskenning en teleurstelling. Wij krijgen veel klappen in het leven en wij moeten allen veel leren verdragen. Zolang wij beginnen in een gemeente, valt het wel mee. Wij zijn nog nieuw. Wij weten nog niet hoe de zaken precies liggen. Maar wanneer wij eenmaal langer ergens zijn, dan komt de gemeente openbaar zoals ze is en trouwens wij maken onmiskenbaar onszelf ook openbaar. Wij zullen niet ontlopen aan bitter verdriet. Wij zullen het lijden gaan meemaken en de vlijmende pijn. Het doet dan deugd hoge normen te blijven hanteren en voortdurend aan zichzelf te blijven werken. De mensen kunnen soms allerlei dwaze eisen stellen, en wij kunnen ons stipt aan die eisen onderwerpen en altijd plechtig voor de dag komen en nochtans vaak te licht bevonden worden voor de rechtbank van ons eigen geweten reeds en bovenal in het oordeel des Heeren. Daarentegen kunnen wij in- en uitgaan als andere christenen, ons niet storende aan het 'smaak niet en raak niet en roer niet aan', zonder ons te bezondigen. Maar het moet een in- en uitgaan zijn als christenen. Wij hebben te bedenken, dat op ons bij uitnemendheid van toepassing is, wat de Heere Jezus tot zijn discipelen zeide: 'Gij zijt een stad liggende op een berg.' Onwillekeurig vestigen zich de ogen der gemeenteleden op de pastorie en wie haar bewonen. Men weet er alles van. Wat bij een ander onopgemerkt zou voorbijgaan, wordt ons niet geschonken. Wij hebben dus toe te zien, dat wij geen rechtmatige ergernis geven. Onze liefde moet de Heere en Zaligmaker zijn gewijd. Dan zal het ons niet moeilijk vallen onszelf te verloochenen en om Zijnentwil weg te doen, wat ons verhinderen zou onze krachten te besteden aan de gemeente.


Ons eigen, door het Woord Gods voorgelicht geweten moet het antwoord geven op hetgeen wij mogen en niet mogen doen. Wij kunnen onmogelijk voldoen aan allerhande onredelijke eisen. Dan wordt de gemeente toongeefster. Dan worden de eisen van zulken die pilaren menen te zijn, allengs meerder. Het spreekt geheel vanzelf, dat er onderscheid zal zijn tussen de manier waarop wij afwijzen, naargelang wij te doen hebben met betweters of met eenvoudige zielen. Een sprankje van goedhartige humor kan daarbij ook geen kwaad. Dat de liefde, die niet verbitterd wordt en niet ongeschikt handelt, ons in deze moet bezielen, behoeven wij wel niet te zeggen en evenmin, dat de apostel, die zijn leven lang geen vlees zou hebben willen eten, indien bij zijn broeder daardoor aanleiding tot zondigen gaf, ons tot een voorbeeld moet zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De stijl van het ambt (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's