De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De stijl van het ambt (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De stijl van het ambt (3)

9 minuten leestijd

De groei in het ambt
Paulus geeft in 1 Timotheüs 4 : 15 aan Timotheüs een ondubbelzinnige vermaning. Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Dat woord heeft een heldere bedoeling. Wij zijn allen geneigd in het goede te verslappen en op onze lauweren te rusten. Daarom wekt de apostel Timotheüs op zijn vermaningen op te volgen. Niet als een slaaf moet Timotheüs zijn dienst waarnemen, onwillig en gedwongen. Wees hierin bezig: De ganse mens moet in het werk opgaan. Het toenemen moet in alles openbaar worden: in elke tak van zijn dienst moet het zichtbaar worden, dat hij in begaafdheid vordert. De grens van de trouwe ambtsvervulling wordt nooit bereikt. Integendeel, de gloed van de liefde maakt alle onderdelen van de dienstvervulling meer warm en open. Het is niet gemakkelijk om van deze zaak een statistische benadering te geven. Wij zouden dan in het cijfermatige opgaan. Neen, het is veeleer een enthousiasme, dat zich geheel vanzelf meedeelt. U kunt u daarover zelf wel een oordeel vormen. Spreek eens met iemand, die uw woorden maar matig toehoort, langs u heen ziet òf voer eens gesprekken met een mens, die op uw betoog ingaan wil. Op uw beweringen inhaakt. Zie, daar ontstaat er hoor en wederhoor. Een ziel gaat open.


Het spreekt geheel vanzelf, dat wij onmogelijk in alles even bekwaam kunnen zijn. ledere predikant heeft ook zijn zwakke kanten. De één heeft meer gaven voor de prediking, de ander heeft meer talent voor het pastoraat, er zijn er met bestuurlijke aanleg, en wie kent ze niet, die uitzonderlijke catechetische begaafdheden bezitten? Het is om die reden goed prioriteiten te stellen. Op deze wijze kan een zekere gave voor een tijd in de gemeente naar voren komen, terwijl wij geroepen zijn het onze te doen om onze mindere kwaliteitten voldoende op te vijzelen. Desalniettemin kunnen wij ons leven lang zwaar te torsen hebben aan datgene wat wij niet kunnen en toch moeten doen krachtens ons ambt.


Wanneer wij nu na al het bovenstaande iets mogen noemen, waarin wij vooral moeten toenemen, dan is dat vooral, bij het reeds gememoreerde, in de kennis van mensen en toestanden, de bekwaamheid om te leren en de gave van het gebed. Wij denken aan de zogenaamde diagnostische gave. Dat is de bekwaamheid om uit zekere verschijnselen te besluiten tot de innerlijke toestand. Hierbij wordt aangetekend, dat absolute zekerheid hieromtrent natuurlijk niet te verkrijgen is. God kent alleen de harten, maar door de gemeenschap met Hem kan ook de zielzorger enige bedrevenheid in deze dingen ontvangen. Een zekere mate van zelfkennis is de onmisbare basis van algemene mensenkennis. Tevens noemen wij als een grote gave de therapeutische bekwaamheid om op grond van de diagnose het doel van de speciale zielzorg te kunnen bereiken.


Dat het noodzakelijk is de diagnose te stellen ligt voor de hand, omdat daardoor de pastor het gemeentelid leert verstaan. Een overspannen voorstelling van de waarde van het ambt en van de objectiviteit van het Woord Gods miskent deze noodzakelijkheid. Echter diagnose is een divinatorische gave, die groter kan worden door kennis van de gemeente en met name van de gezinnen. Zorgvuldige waarneming en kritische zin scholen hierin niet weinig, terwijl ook kennis van goede boeken ons daarbij niet weinig kan helpen. Er zijn nu eenmaal auteurs geweest van wereldnaam die in hun werk ons van deze gave een voorbeeld hebben gegeven. De Russische schrijver Dostojevsky is hier een geniaal voorbeeld.


De therapeutische gave heeft de bekwaamheid om te leren nodig om de vragen, twijfelingen en schommelingen te beantwoorden en uit de weg te ruimen of ook om te wederleggen. Daarbij past een nauwkeurige kennis van de geestelijke stromingen en problemen van de tijd. Vooral is dienstig op de hoogte te zijn met de hoofdstroom van het huidig wijsgerig denken zoals dat in de bestaande mode en onderhavige denktrant aan de orde komt. Daarbij voegt zich als een zegen een eigen vaste overtuiging van de waarheid in Christus en een rijke kennis van de Heilige Schrift. Bij dit alles hoede men zich voor te grote vertrouwelijkheid, die het vrij gebruik van de pastorale wapens verhinderen, maar men vergete de voorbede niet. Dat is de vanzelfsprekende veronderstelling in alle pastorale verkeer. Het gebed is een grote macht. Wij waarderen het gebed veel te weinig. Juist door middel van het gebed gaan harten open, die anders voor ons gesloten bleven. Wanneer wij ernst maken met de voorbede zullen wij keer op keer de ervaring opdoen dat God langs wonderbare wegen ons tot mensen brengt, die anders nooit onze weg zouden kruisen.


Er is nog een ander punt, waarin wij ook vordering zullen moeten maken. Het heeft ons altijd getroffen, dat Spurgeon in zijn 'Pastorale Adviezen' wijst op de noodzaak vooruitgang te boeken in de welsprekendheid. Breedvoerig is zijn argumentatie. Wij weten, dat wij twee woorden kennen voor welsprekendheid. De eerste uitdrukking daarvoor is 'rhetorica', het tweede woord 'eloquentia'. Welnu, wij bedoelen het afleren van ijdele bombast en het aanleren van goede overredingskracht. Wij zullen veel zegen ontvangen van enige oefening in deze. Aan de universiteit bestaat wel scholing in taaiexpressie, maar wij hebben de indruk, dat daarmee in de eer­ste jaren nogal eens de spot gedreven wordt. Met kracht houden wij vol, dat scholing in de eloquentia ons gehele leven van nut is. Er vormt zich een zeker tegoed aan regels van de welsprekendheid in ons, een zeker deposito en onbewust gaan wij ons van deze voorschriften bedienen. Wij doen dat aanvankelijk met sterke concentratie, maar op den duur gebruiken wij deze regels geheel vanzelf. Op deze manier zal dat de overdracht van ons gesproken woord ten goede komen. Mallotige aanwensels verdwijnen, sobere gebaren komen tevoorschijn, wij gaan met duidelijke stem spreken; wij oefenen ons in een zuivere beeldspraak en illustratiemateriaal. Dat is van groot belang. Want juist in onze tijd bestaat er een verschrikkelijke taalbarrière. Een vorige generatie beschikte nog over enige kennis in dogmatisch opzicht. Het thans levende geslacht weet veel minder van de hoofdlijnen van het Bijbels onderricht. Wij zullen dus daarin hen moeten te hulp komen. Eenvoudig èn klaar, maar daarom juist niet onnozel en onbeduidend. Het is goed veel tijd te besteden aan de schikking en rangordening van onze gedachten. De gemeente moet dwars door de preek heen kunnen zien. Desalniettemin zullen wij bij de oefening in de welsprekendheid wel eens meer dan ooit grote teleurstellingen opdoen. Het is namelijk zo, dat heldere sprekers, als bronnen, niet zo diep schijnen, als ze zijn. Troebele, verwarde sprekers lijken vaak zeer diep. De gemeente kan hun gedachtengang totaal niet volgen en derhalve denken velen: dat is zo diepzinnig, daar kunnen wij niet bij. In werkelijkheid heeft de spreker zelf zijn stof niet helder doorgedacht. Hij breit de ene gedachte onlogisch aan de andere. Nu schijnt een waas van diepzinnigheid over zijn redevoering te liggen, maar in wezen is het alleen onhelderheid en wazigheid. Er zijn natuurlijk ook predikanten, die veel te bieden hebben aan een rijke gedachtengang, maar de gemeente moet hun manier van spreken nog leren volgen. Zulke predikanten winnen langzamerhand het pleit en hoe meer hun prediking is uitgewerkt, hoe dieper werkt ze in op de gemeente.


Dan is er nog een punt, waarvan wij iets willen zeggen. Dat is de onkunde. Naarmate de jaren in het ambt voortgaan, valt het ons meer op, hoezeer de onkunde zijn duizenden verslaat. Waarom is de onkunde zo erg? Is dan de kennis zo uitermate belangrijk in het geestelijk leven? Past dat nadruk leggen op de kennis wel in onze christelijke beschouwing? Wij zouden ons kunnen voorstellen, dat men juist kan wijzen op mensen, die opgevoed waren buiten kerk en christendom, maar ineens zagen zij de rijkdom van Christus en vonden zij de ware vrede. Komt het dan alles op kennis aan? Het is inderdaad vreemd, dat volgens Bunyans voorstelling alles met de kennis staat en valt. Dat lijkt eerder Grieks dan christelijk. Socrates leerde: de zonde is de onwetendheid. En toch kent Bunyan het mensenhart en de Bijbel zo goed, dat het wel de moeite waard is te vragen, hoe hij dan toch onkunde zo levensgevaarlijk kan achten? Wel, wij menen, dat wij hiervan moeten uitgaan, dat in de regel onkunde niet de laatste factor is in de vervreemding van God. In de regel ligt aan de onkunde iets anders ten grondslag, namelijk dit: men wil zich niet voegen naar Gods wil. Daardoor is het oog verblind. Een beroemd wijsgeer heeft eens gezegd: Wat het hart niet wil, laat het hoofd niet binnen. Onkunde is in de regel niet een zaak van het hoofd, maar van het hart. Dingen, die men in zijn hart niet erkennen wil, kan men ook onmogelijk inzien. Het zou op zichzelf niet zo erg zijn, dat iemands wetenschap over een bepaalde zaak in de Schrift niet volledig is en grote gebreken vertoonde, als daar niet achter lag, dat hij zijn ik ongebroken en ongebogen wou handhaven. Hij kan en wil niet inzien, dat er absolute eisen zijn, waaraan hij zich eenvoudig te onderwerpen heeft. Bij deze onkunde wordt alles relatief. De één heeft zo'n godsdienst, maar de ander heeft het recht er een heel andere godsdienst op na te houden. Als tenslotte doorslaggevend is wat ieder wil, dan kan hij ook kiezen, hoe hij God wil dienen. In het rijk van de onkunde kan ieder op zijn eigen manier zalig worden. Het is nu nodig, meer en meer te weten hoe diep deze onkunde zich verbreidt. Het maakt ons waakzamer om de listen van de vijand te onderkennen. Tevens moeten wij vorderen in de onderkenning van de wezenlijke situatie om ons heen.


Tenslotte — vordering dienen wij ook te maken in het doorzien van de ijdelheid van deze wereld. Wij zeggen niet, dat wij pilaarheiligen moeten zijn, afgezonderd van de wereld. Wij hebben deel aan deze wereld. Maar het komt er wel op aan, dat wij een levenshouding aannemen, waarbij wij zelf in het middelpunt staan òf een levenshouding, waarbij wij ons door God laten bepalen en leiden. Het is altijd het één òf het ander. Wij zijn van mening, dat het doorzien van de onkunde en het afstand nemen van de ijdelheid dezer wereld tot de wezenlijke bestanddelen van het christelijk geloof behoort. Er komt eenzijdigheid in het leven. Niet de eenzijdigheid van bekrompenheid en huisbakkenheid, welneen, maar de eenzijdigheid van een Paulus, een Augustinus en een Calvijn. Voor hen is maar één ding belangrijk en bij dat éne valt alles weg, zelfs de vraag naar eigen zaligheid. Het enige belangrijke is, dat de souvereine God de eer ontvange, die Hem toekomt. Het komt erop aan, dat ons leven hoe langer hoe meer naar Hem toeneigt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1990

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De stijl van het ambt (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1990

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's