De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Recht van spreken voor de kerk

Bekijk het origineel

Recht van spreken voor de kerk

Kerkelijke verantwoordelijkheid voor de politiek (2)

11 minuten leestijd

Dit alles brengt me tot de conclusie, dat de kerk recht van spreken heeft. Ik bedoel dit heel letterlijk. Eigenlijk ontkent niemand dat. Want als het bijvoorbeeld om eerbied voor het geschapen leven gaat of over de zedelijkheid, heeft welke kerk dan ook, in adressen naar de overheid toe gesproken, geprotesteerd; en hoe vaak zijn zulke zaken niet in de prediking aan de orde geweest!
Elke kerk heeft wel één of ander Deputaatschap bij de Hoge Overheid, of hoe dit ook heten moge. Maar er zijn fundamentele verschillen.
De Hervormde Kerk is in 1951 weer sprekende kerk geworden. Toen ze was uitgekomen van onder het juk van de Reglementenbundel van Koning Willem I, heeft ze de zaken direct grondig aangepakt. De kerk zou weer volop belijdende kerk zijn maar ook sprékende kerk naar buiten. In het kerkorde artikel, dat over het apostolaat handelt (artikel VIII), wordt gezegd dat de kerk als Christusbelijdende geloofsgemeenschap gesteld is in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen. De kerk vervult haar opdracht 'in de verwachting van het Koninkrijk Gods, door haar gesprek met Israël, door het werk der zendingen, door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie'. Wat dit laatste betreft wordt dan nog eens uitdrukkelijk gestipuleerd, dat de kerk — en opnieuw wordt dan gezegd in de verwàchting van het Koninkrijk Gods — zich in de arbeid der kerstening tot volk en overheid richt om het leven naar de beloften en geboden Gods in te richten.
Over het hóé van het spreken van de Hervormde Kerk kom ik nog nader te handelen. Het dàt heeft mijn instemming, al zou ik de volgorde van geboden en beloften willen omkeren. Het gebod Gods is immers een gebod mèt een belofte. Er is alleen sprake van belofte in het leven náár het gebod Gods.

Hoedemaker
Het is zonneklaar, dat het apostolaatsartikel in de Hervormde Kerkorde ten principale teruggaat op de opvattingen van de theoloog uit de vorige eeuw, wiens geboortejaar vorig jaar uitvoerig is herdacht: dr. Ph.J. Hoedemaker. Hij heeft met Abraham Kuyper de degens gekruist, met name over het recht Gods in kerk en staat. 'Gods recht is volstrekt — zo voegt hij Kuyper toe — en geldt niet voor een groep, een partij, een heersende kerk of een zich de heerschappij aanmatigende richting, maar voor heel de kerk en heel het volk'. Daarom vraagt hij aan Kuyper: 'Is het u te doen om het bestaan en de invloed van mijn, uw of hun geloofsgenoten of geestverwanten te waarborgen in de neutrale staat of komt gij tegen die staat zèlf op?' En dan bezigt hij het gevleugelde woord: 'De eis van gehoorzaamheid is volstrekt onafhankelijk van getalsterkte, van voor- of nadeel. Is God de levende God? Heeft Hij Zich bekend gemaakt? Bemoeit Hij Zich met de aardse huishouding? Is de overheid Zijn dienaresse? Dan gaat het in de politiek niet om onze christelijke of kerkelijke belangen maar om Gods recht om te regeren'.
Op grond van deze visie verzette Hoedemaker zich tegen Kuypers antithesegedachte, waardoor het volk werd opgesplitst in een christelijk en een niet christelijk deel, waarvan het christelijk deel dan maar de meerderheid zou moeten verwerven om zo macht te kunnen oefenen. Het gaat, aldus Hoedemaker niet om de majoriteit der kiezers maar om de autoriteit van het Woord Gods. God is de hoogste Souverein, zo zei hij, niet over een bepaald volksdeel maar over het héle volk.
Welnu, Kuyper heeft de politieke verantwoordelijkheid aan de afzonderlijke christenen, georganiseerd in politieke partijen of andere christelijke organisaties, gedelegeerd. Maar de profetische roeping van de kerk als zodánig naar volk en overheid was intussen weg. Die hebben de Gereformeerde Kerken ook nooit meer terug gekregen, zelfs niet toen — heláás moet ik zeggen — ook binnen deze kerken de politieke prediking ingang vond. Heeft ook H.M. Kuitert niet gezegd dat de kerk zich niet met de politiek moet bemoeien? En wat een recent besluit betreft, dat de kerk alleen dàn spreken zal op synodaal niveau over politieke en maatschappelijke zaken, wanneer zich niet meer dan vier synodeleden tégen verklaren acht ik een gotspe. Alsof het getal beslist en de waarheid bij meerderheid van stemmen wordt beslist. Bij Hoedemaker ging het, als bij Calvijn, om het woord uit psalm 33:
'Alles moet Hem eren,
want het Woord des Heeren,
't richtsnoer van Zijn daan,
is volmaakt rechtvaardig,
al onze achting waardig,
eeuwig zal 't bestaan'.

Daarom waren bij Hoedemaker de vensters van de kerk profetisch open naar de staat. Het recht Gods bracht hem tot de diepe overtuiging dat gerechtigheid een volk verhoogt. Zijn theocratische visie is zo dóór en dóór gereformeerd en zo dóór en dóór kritisch tegenover elke stroming, die die absolute rechten van God ontkent, dat naar ik meen Hoedemaker op langere termijn het wel eens van Kuyper zou kunnen winnen in kerk en staat, al was dan Kuyper de grote architect en de 'Geweldige' en Hoedemaker – naar een woord van Bronsveld – een warhoofd.

De Hervormde Kerk
Maar nu haast ik mij om bij het concrete spreken van de Hervormde Kerk te komen. Ik kan niet anders dan daarover enerzijds in positieve zin en anderzijds zeer kritisch spreken.
Ik wil voorop stellen, dat één van de beste geschriften, die de Hervormde Kerk in de naoorlogse jaren heeft uitgegeven, is 'De politieke verantwoordelijkheid van de kerk' (1964). Daarin worden Hoedemakeriaanse lijnen getrokken. De hand van dr. A.A. Koolhaas en prof. dr. A.A. van Ruler is daaraan niet vreemd.
In het Oude Testament — zo zegt dit ge­schrift — is er de vreugde der wet en daarom verkondigen de profeten gerechtigheid. Het Nieuwe Testament doet daar niets van af. 'God is en blijft de Koning der koningen en de Heere der heren' (1 Tim. 6 : 15).
De gemeente weet van de roeping tot heiliging van het leven. En die heiliging gaat het persoonlijke leven te boven. Ook het politieke en maatschappelijke leven valt onder de roeping tot heiliging. Zelfs op de bellen van de paarden zal in het eschaton 'heilig' staan, zo wil ik hieraan nog toevoegen.
Als nu in dit geschrift dan wordt gesproken over de kerk, met name over de betékenis van de kerk in de politieke orde, dan wordt gezegd, dat de kerk de staat behoedt voor vergoddelijking. 'Want zij predikt het Woord dat de religieuze toespitsing van elke ideologie uitsluit'. Geen staat kan zonder geestelijke achtergrond bestaan. Er is dan ook geen staat, die zonder, zij het nòg zo vage ideële factoren, kan bestaan, die het politieke handelen begeleiden en mede bepalen. En dan wordt het befaamde woord gesproken: 'De kerk kan niet de zijde kiezen van hen, die...de bedoeling hebben het recht af te snoeren van de dimensie der gerechtigheid en de politieke orde los te maken van zijn wortels in de wet Gods. Door de wet Gods als levenswet resoneert de goedheid Gods, ondanks de zonde, in de geschiedenis'. Dat acht ik een prachtige Calvijnse uitspraak met betrekking tot de usus politicus van de wet. Ook wordt gezegd, dat de kerk de humaniteit niet veilig acht, zeker op den duur niet, wanneer de levende achtergrond van Gods recht uit het bewustzijn wegzakt en daarmee de afglans van Gods gerechtigheid, barmhartigheid en menselijkheid in de conceptie van humaniteit verbleekt. 'De aan geestelijke wortels ontrukte staat staat bloot aan allerlei intolerante, fanatieke ideologieën door het vacuüm dat dan geschapen is.'
Intussen wordt ook uitvoerig aandacht gegeven aan de politieke partij. In dit geschrift wordt de voorkeur uitgesproken voor een beginselpartij. Dat is zeker vermeldenswaard. En letterlijk wordt dan gezegd, dat de kerk er geen vrede mee kan hebben 'wanneer de beginselen uitsluitend van sociale en economische aard zouden zijn'. Een woord om vandaag ter harte te nemen nu het alles economie is wat de klok slaat.


De uiteindelijke conclusie, waartoe het geschrift komt is, dat de kerk haar politieke verantwoordelijkheid verwerkelijkt door:
a. De politieke voorbede. Welnu dat ligt in de lijn van 1 Tim 2:2.
b. De politieke zielszorg, b.v. door het beleggen van conferenties waar de leden van de kerk, die politieke verantwoordelijkheid dragen, bijeen kunnen zijn en bemoedigd kunnen worden vanuit het Evangelie.
c. De Profetie. En dan zijn we gekomen bij het concrete spreken van de kerk naar volk en overheid toe.

Wat dit laatste betreft wil ik herinneren aan het indrukwekkende spreken van de Duitse Bekennende Kirche vóór de Tweede Wereldoorlog. Een zevenvoudig neen werd uitgesproken tegen de ontkrachting van de alléén-heerschappij van Christus, dit tegen de achtergrond van de demonie van het Nationaal Socialisme. Tegen de vergoddelijking van de staat, zei de Bekennende Kirche 'nee', overduidelijk nee. Ook in Nederland zijn toen indrukwekkende getuigenissen gegeven.

Geseculariseerd
Intussen moet ik zeggen, dat de Hervormde Kerk het er in concreto bitter slecht heeft afgebracht, als het ging om het profetische spreken naar volk en overheid toe. Voor alle duidelijkheid: ik bedoel dit politieke spreken, want er zijn gelukkig ook goede herderlijke schrijvens geweest over allerlei andere themata.
Dat heeft, naar mijn overtuiging, te maken met een bepaalde ontwikkeling als het gaat om de visie op gerechtigheid.
Een klein stukje voorinformate is daarvoor gewenst. Toen de Hervormde Kerk in de vijftiger jaren het geschrift Fundamenten en Perspectieven van belijden uitgaf (een soort actueel belijden voor vandaag) verschilden prof. dr. K.H. Miskotte en prof. dr. A.A. van Ruler fundamenteel inzake artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Miskotte was een man van de doorbraak, één van de eerste 'rooie dominees'. En in de doorbraak ging het om het 'Gebot der Stunde'. Van Ruler was theocraat en voor hem ging het om het gebod Gods, dat verankerd ligt in de decaloog. Welnu, in de apostolaatstheologie van de naoorlogse jaren zijn van meet af deze twee sporen zichtbaar geweest. Maar uiteindelijk heeft de lijn van Miskotte het gewonnen.
In het geschrift 'De politieke verantwoordelijkheid van de kerk' werd nog, dankzij Van Rulers bijdrage, impliciete en expliciete kritiek geleverd op de doorbraak. Maar in de latere ontwikkeling werd gerechtigheid vooral een politieke categorie in plaats van een bijbelse, gerìcht op de politiek.
Er is een geschrift verschenen onder de titel 'Revolutie en gerechtigheid'. Het gerechtigheidsbegrip, dat daarin wordt gehanteerd, is een marxistisch getint gerechtigheidsbegrip. Ik acht dit geschrift — en ik zeg dat niet voor de eerste keer — het slechtste, dat de Hervormde Kerk in de naoorlogse jaren heeft uitgegeven. Het Rijk ligt geheel binnen de einder van onze geschiedenis. Wij verwezenlijken een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, door de ontwikkelingen en de revoluties in de geschiedenis heen. In latere geschriften, of liever nog in de praktijk van het bezigzijn van de kerk met politieke zaken, in eigen land en in wereldverband — als ik bijvoorbeeld denk aan de Wereldraad van Kerken – is de gerechtigheid van het Koninkrijk wel niet altijd marxistisch geduid maar minstens wel socialistisch. Gerechtigheid is vaak geworden tot een geseculariseerde socialistische categorie.
De gerechtigheidsvraag is een louter politieke kwestie geworden en staat niet meer in relatie tot het recht Gods, het Droit Divin, maar eerder tot de rechten van de mens. De Koninkrijksgedachte hierachter heeft niets meer te maken met het Koningschap van Christus. We kunnen een Koning belijden zonder Koninkrijk. Maar hier gaat het vaak om een Koninkrijk zonder Koning.
Welnu, wanneer de kerk dan zó concreet spreekt in politieke situaties, wordt ze zelf een functie van de politiek. Daarmee is de hervormde Kerk — want daar hèb ik het nog steeds over — ontrouw aan haar eigen uitgangspunten, in 1951 gekozen.
Het is mijn diepe overtuiging, dat Hoedemaker in zijn eenheid van conceptie aangaande kerk en staat, fundamenteel de revolutie heeft bestreden. In het genoemde hervormde geschrift moest de gerechtigheid dienen om de revolutie te bevòrderen. Zo hebben bepaalde internationale hulpverleningsorganisaties ook vaak de zijde gekozen van hen, die een socialistische samenleving voorstaan. Dan echter geeft de kerk haar profetische roeping prijs. De kerk mag zich niet binden aan welke politieke groepering of richting dan ook. Zo heeft de kerk soms ook politici uit haar midden voor de voeten gelopen in plaats van hen te hebben gediend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1990

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Recht van spreken voor de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1990

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's