Uit de pers
Kerkmodel en belijdenis doen
In 'De Wekker' is prof. dr. W. van 't Spijker een aantal artikelen aan het schrijven onder de titel 'Belijdenis afleggen'. In het tweede artikel (verschenen 29 juni 1990) gaat hij in op de oorsprong van de kerkelijke gewoonte van de openbare belijdenis des geloofs. Na enkele bijbelse lijnen in het kort te hebben geschetst, stelt hij dat het instituut van de openbare belijdenis des geloofs samenhangt met het kerk-zijn als zodanig en met de vorm en de manier waarop wij kerk willen zijn. Wie met de Gereformeerde Reformatie Rome afwijst, is daarmee nog niet klaar. Er blijft dan een keuze tussen twee modellen van kerkzijn, aldus prof. Van 't Spijker. Er is de mogelijkheid van de grote volkskerk, d.w.z. een kerk waarin alles is gefundeerd op de doop, op de kinderdoop uiteraard. Van 't Spijker acht dit een aantrekkelijk model omdat hierin de breedte van het verbond tot zijn recht kan komen. Het gevaar acht hij echter dat de tucht moeilijk aan zijn trekken komt.
Tegenover het model van de volkskerk staat het type van de kleine selecte groep. De bewuste vrije gemeente, die zichzelf constitueert op een vrijwillige belijdenis. In de tijd van de Reformatie het doperse ideaal. In dit model, aldus prof. Van 't Spijker, spreekt ons het radicale erg aan. Er is geen plaats voor halfslachtigheid, er wordt een bewuste keus gevraagd.
Prof. Van 't Spijker schrijft dan:
'De Reformatie heeft het ideaal van de dopers niet alleen aangehoord, zij heeft het in zekere zin ook overgenomen. In zekere zin: want de Reformatie heeft (terecht) de kinderdoop gehandhaafd. Zij is de dopers niet tegemoetgekomen in hun eis om de kinderdoop af te schaffen. Integendeel: terwijl de dopers zeiden, in allerlei toonaarden, dat de kinderdoop de oorzaak was van het verval van de kerk, hebben de meeste reformatoren precies het tegenovergestelde beweerd. De kinderdoop is een van de oorzaken geweest, dat in de vele donkere eeuwen, die aan de Reformatie voorafgingen, het licht nog niet geheel werd gedoofd. Zij waardeerden de kinderdoop positief. Maar zij hebben wel iets van het doperse bezwaar aangevoeld. Ze hebben het zoeken naar een heilige gemeente gewaardeerd en daarom hebben zij, juist de gereformeerden onder hen, de kerkelijke tucht willen handhaven. In verband daarmee hebben zij het ouderlingenambt weer ingesteld. En de ouderling had de wacht te betrekken bij het avondmaal, zodat niet iedereen maar zo, door elkaar, de dis van het verbond zou kunnen naderen. Zo hebben de gereformeerden de gemeente gezien: niet alleen zonder meer als een volkskerk, maar als een belijdende gemeente. En ook niet zo zonder meer als een vrijwilligheidskerk, op basis van de kinderdoop, maar als een kerk die krachtens de belijdenis van het geloof zich groepeert rond het avondmaal.'
Historische wortels belijdenis doen
Deze visie op de kerk, zoals door de gereformeerden verwoord, heeft gevolgen voor de plaats van de openbare geloofsbelijdenis:
'Deze historische wortels van de openbare belijdenis hebben derhalve alles te maken met de structuur van de kerk, zoals deze door de gereformeerde reformatie werd aanvaard. D.w.z. een kerk die de kinderdoop handhaaft met alle consequenties daarvan. Maar tegelijk een kerk die het avondmaal op het oog heeft. Geen volkskerk. Maar ook geen conventikel. Maar een belijdende kerk, die gehoor geeft aan de oproep: doet dat tot Mijn gedachtenis. En daarom hebben de gereformeerden tussen de doop en het avondmaal de openbare belijdenis geplaatst.
Wie aan dit instituut begint te sleutelen, moeten weten wat hij doet. Ik zou aandacht willen vragen voor deze twee zaken. Men moet de breedheid van het verbond handhaven door de kinderdoop als kerkelijk gebruik met overtuiging te verdedigen. En men moet de heiligheid van het verbond handhaven door de zin en de betekenis van het kerkelijke instituut van de openbare belijdenis uit overtuiging vast te houden.'
Conclusies
We kennen ook in eigen kerk de discussie rond het vasthouden aan of loslaten van de openbare geloofsbelijdenis, mede ook in verband met het al dan niet toelaten van kinderen aan het avondmaal. Vanuit de gereformeerde traditie is daar het een en ander tegen in te brengen, aldus prof. Van 't Spijker. Maar hij vindt dan wel dat we dienen vast te houden aan de eveneens gereformeerde regel dat het bij het belijdenis doen gaat om een oprecht geloof en niet om b.v. een belijdenis doen van de waarheid alleen. Twee conclusies vallen er te trekken die men beide tegelijkertijd en ineen moet vasthouden, aldus prof. Van 't Spijker die dan schrijft:
'Wij laten niet zonder meer kinderen aan het avondmaal. Tussen doop en avondmaal staat de openbare belijdenis. "Onderscheidende het Lichaam des Heeren". De tweede conclusie: wie tussen de doop en het avondmaal de belijdenis plaatst, kan dit alleen zinvol doen, wanneer hij bij die belijdenis als kerk de eis stelt van een waarachtig geloof. Niemand kan in het hart kijken. Alleen de Heere weet degenen die de Zijnen zijn. Maar wanneer de kerk dáár en op die plaats de eis zou laten vallen van een waar geloof, dan zou dit in werkelijkheid betekenen, dat de kerk tussen de openbare belijdenis en het werkelijk toetreden tot het avondmaal nog eens weer een onderzoek zou behoren in te stellen. Hetgeen het eerste onderzoek eigenlijk zinloos zou maken. En eigenlijk zou men dan ook nog geen zekerheid hebben, dat het dan wel goed was.
Daarom dient de kerk bij de openbare belijdenis te vragen naar waar en oprecht geloof. De pastor zal leiding weten en zoeken te geven aan de vele vragen die hier liggen. Maar is hij overtuigd, dat er geen echt geloof, geen waarachtig zoeken van de Heere is, dan is het de vraag welke zin, kerkelijk gezien, de openbare belijdenis heeft. Men kan een kerk dan uitleveren aan een dode orthodoxie. Wij zien aan wat voor ogen is. De Heere ziet het hart aan. Maar wij mogen niet minder vragen dan dat het hart de Heere zal belijden, wanneer de kerkeraad zegt: wij verlenen u toegang tot de dis van het verbond. In een getrouw pastoraat van de predikant en van de ouderlingen (huisbezoek voor het avondmaal!) zullen deze dingen biddend betracht worden en onder de zegen van de Heere mogen meewerken aan de geestelijke opbouw van de gemeente.'
Ik acht dit een heldere stellingname waar we ook in onze gemeenten mee uit de voeten kunnen. Het gaat hier niet om een keiharde aanpak, maar om een pastorale zorg voor het geestelijk welzijn van de gemeente. Een zaak waarvoor een gereformeerde ook vandaag nog wil staan. Opdat Christus een bruid hebbe die Hem bemint met heel het hart.
Her-evangelisatie
In het juninummer van Credo (maandblad van het Gereformeerd Confessioneel Beraad) schrijft ds. Bram Krol in een themanummer: Hoe het Evangelie in onze lage landen kwam een bijdrage met als opschrift: Her-evangelisatie van de Lage Landen. Hij geeft daarbij een forse veeg uit de pan aan wat er binnen zijn eigen kerken aan gedachtengoed leeft over wat evangelisatie inhoudt. Omdat het hier om gedachten gaat die ook in onze eigen kerk de nodige aanhang hebben, geef ik door wat ds. Krol op zijn manier daarover schrijft:
'In de Leusdense elite van onze kerken is een heel bepaalde kijk op evangelisatie bekokstoofd — als je het huidige menu nog met evangelisatie kunt aanduiden. Volgens mij is evangelisatie: mensen winnen voor Christus en Zijn gemeente. Maar het gereformeerde evangelisatie-walhalla ziet er meer in: de presentatie van Christus (op indirecte wijze) in allerlei psychische, sociale en politieke problemen. Een combinatie van diaconaat en filosofie (nl. over de rechtvaardige maatschappij, als vooruitschaduwing van het komende Koninkrijk) in mijn ogen. De bedoelingen zijn goed, maar welke zondaar vindt zo genade bij God? Dat staat toch centraal in de Bijbel? Dan moeten we niet gaan knoeien met Gods boodschap.
Die andere kijk op evangelisatie heeft enkele ingrijpende gevolgen:
1. De aandacht wordt gericht op de mens en zijn aktiviteiten. Het gaat om wat wij tot stand moeten brengen. Het gaat om het maatschappelijk engagement van de gemeente, die zichzelf als politieke factor moet bewijzen, om zo openheid te scheppen voor het evangelie. Maar dan zij we aangeland bij een nieuw wetticisme. Zo wordt de kerk verkocht aan een ideologie. Het evangelie gaat juist om God en om wat Hij in de mens tot stand wil brengen. Christus centraal in Zijn Gemeente! De mens centraal... o nee! Dan zijn we een filiaal van het humanisme geworden.
2. Evangelisatie wordt elitair — een zaak voor mensen, die zich thuis voelen in discussies over het maatschappelijke functioneren... waarmee we een groot gedeelte van de gemeente nauwelijks meer bij evangelisatie kunnen betrekken.
3. Evangelisatie wordt zo een koude zaak. Het heeft weinig van doen met de geloofswarmte, die mensen binnen hun gemeente zoeken. Het brengt ze niet dichter bij God of bij de Bijbel.'
De verlegenheid is niet gering als het gaat om de overdracht van het geloofsgoed der kerk. De matheid is groot in de grote kerken. Het élan lijkt geblust. En wij delen daarin net zo goed als de anderen, ook al worden er onder ons nog de nodige pogingen ondernomen tot communicatie vanuit het Evangelie met de randkerkelijke of 'afgehaakte' dorpsbewoner. De kloof is ontstellend diep en de boodschap vreemder dan ooit tevoren. Is het haalbaar, zo vraagt ds. Krol zich af, dat Nederland opnieuw geëvangeliseerd kan worden? Hij komt in zijn werk geregeld vier argumenten tegen, waarmee mensen hun twijfels over de haalbaarheid uiten.
'Ten eerste het goddeloze argument: Val mensen niet lastig met het evangelie. De kerk is zo zwak en ons geloof is zo weifelachtig. Laat ieder maar met rust... Alsof de duivel zelf spreekt, die niet wil, dat mensen de enige weg tot behoud vinden. Sommigen geven er ook een syncretisch tintje aan: er is zoveel wijsheid in andere wereldreligies, dat we eerst maar eens naar anderen moeten luisteren.
Dan is er het heilshistorische argument: Nederland heeft al een kans gehad om het evangelie te horen. Nu heeft Gods Geest Zich teruggetrokken. Maar daar stel ik dan tegenover: Er is een generatie opgegroeid zonder God. Die draagt toch niet de schuld van de vorige generatie? Een groot deel van de jongeren in ons land bestaat uit moderne heidenen. En God heeft medelijden met ze. Kijk maar naar wat er staat in Jona over Gods erbarming over Ninevé. Straks zullen de Bosjesmannen en Eskimo's hun zendelingen sturen, om onze nieuwe generatie een kans te geven. Zo ging het ook in de tijden van de richteren en de koningen van Israël. Hoe vaak heeft Israël God niet verlaten, en hoe vaak zijn er toen geen nieuwe profeten gezonden om het volk terug te roepen tot Hem?
Ten derde is er het rationalistische argument: Wij zijn nu zoveel wijzer dan vroeger, dat de boodschap van God niet meer zal aanslaan. De secularisatie is niet meer te keren. Maar dat is geen wetenschap, dat is geloof. Dat is geloof in een macht die sterker zou zijn dan onze God. Dwaasheid! Geen gelovige kan toch uit te voeten met zulke praat? Wij geloven in de Almachtige, die maar één woord hoeft te zeggen, en heel Nederland ligt op de knieën. Intellectuele abacadabra brengt een mens niet verder van of dichter bij God. Het geloof ontstaat daar, waar God Zich openbaart in het menselijk bestaan.
Tenslotte is er het eschatologische argument. We leven in de laatste dagen, vol kommer en kwel en met grote vervolgingen voor de gelovigen. Slechts een enkeling zal het geloof behouden in deze donkere dagen. Wat een pessimisme. Wat demotiverend... Maar het stemt niet met de Bijbel overeen. Alle volken, stammen en taalgroepen zullen het evangelie horen. In alle talen ter wereld zal de naam van Christus worden grootgemaakt. Er is een 'grote oogst'. En God beschermt al zijn kinderen, altijd! Laten we geen aanhangers worden van de "grote afgang".'
Het artikel van ds. Krol straalt veel bezieling uit, hoewel het me op sommige punten te activistisch overkomt. Ik mis erin de ootmoed over onze verlegenheid. Zeker, hij heeft gelijk als hij stelt dat veel van het huidige kerkelijke leven zo koel is en zo zakelijk. Hij heeft eveneens gelijk dat de behoudende groepen soms ook heel weinig voorstellen als het gaat om visie en getuigenis. Maar met een goede organisatie en geplande actie krijgen we ons volk ook niet gewonnen voor het Evangelie. Verootmoediging voor Gods aangezicht als christenen en het inwachten (niet hetzelfde als: afwachten) van de werking van Gods Geest door de verkondiging van het Evangelie lijkt voorshands de enige weg. Veel gebed zij er onder hen die bidden hebben geleerd om een krachtige doorwerking van Geest en Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's