De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

8 minuten leestijd

Dr. G. Puchinger (red.), Ontmoetingen met Schilder. Uitg. J.H. Kok, Kampen, 213 blz., prijs ƒ 65,—.
Een kloek en goed uitgegeven boek, gewijd aan prof. dr. K. Schilder, die werd geboren op 19 december 1890, verlucht met vele bladzijden foto's. In dit boek wordt hij herdacht door drie theologen, twee medici, een wijsgeer en een econoom, die Schilder hebben gekend of door hem zijn beïnvloed. Bovendien bevat dit werk een aantal brieven van Schilder, enkele uitspraken over Schilder en zijn werk en een datalijst.
In zijn inleiding merkt dr. Puchinger op dat de hier geboden opstellen allereerst beogen duidelijk te maken dat de figuur van K. Schilder niet mag worden vergeten. Dat mag niet omdat zijn invloed eens zo groot is geweest en men veel kerkelijke situaties van vandaag niet kan begrijpen, wanneer men Schilders optreden en de uitwerking daarvan niet duidelijk voor ogen heeft. Vervolgens omdat Schilders zeer persoonlijke confessioneel-gereformeerde spiritualiteit zowel in kerkelijk als in cultureel opzicht te belangrijk en eigensoortig is geweest, om vandaag vergeten of zelfs bewust verzwegen te worden.
Dat telkens de kwestie van Schilders schorsing en afzetting ter sprake komt, laat zich verstaan. Het vertolkt de (algemene) trend dat dat niet had moeten gebeuren.
Algemeen gesproken zijn de opstellen in waarderende toon geschreven. Dat geldt niet alleen zijn houding vóór en in de Tweede Wereldoorlog, maar ook zijn (theologische) persoonlijkheid.
Er vallen zelfs uitdrukkingen als 'een geniaal mens' (blz. 13), die een 'vonk van het geniale had' (blz. 14). Er wordt van hem gezegd dat hij in de jaren twintig het kerkelijk spoor volgde, maar het in de dertiger jaren trok (blz. 27). Hij was voor Puchinger en vele anderen een 'uitzonderiijke figuur' (blz. 38). Het is een schoon getuigenis als van Schilder wordt gezegd dat 'zijn kracht altijd was het zien op de Schrift. Wat daar te zien is, kunnen we onvoorwaardelijk vertrouwen' (blz. 49). Volgens dr. Okke Jager is het markante van Schilder: 'de hemelse levendigheid van zijn markerende belijndheid' (blz. 69). Zo zouden we door kunnen gaan. Maar deze lof heft de kritiek bepaald niet op. En die betreft Schilders polemiek ('Als er iets te polemiseren viel, liet Schilder zich zelfs de kleinste pointe niet ontgaan en overschreed hij regelmatig het verzadigingspunt van zijn lezers', blz. 50). Het betreft ook zijn onvermogen te relafiveren, waar de vrees wordt uitgesproken dat Schilder in 'zijn amateur-psychologie het vriend-vijand-schema als verklaring voor wat hij ondervond... een veel te zwaar accent heeft gekregen' (blz. 17). Er blijkt uit sommige opstellen ook inhoudelijke distantie en kan het Schilder overkomen — en heeft hij dat niet gemeen met vele 'groten'? — dat hij voor een bepaald (theologisch) karretje wordt gespannen. Als dr. Okke Jager schrijft over het feit dat voor Schilder steeds op het spel staat de 'betrouwbaarheid van de openbaring' (blz. 69) kijk je toch wel wat vreemd op als er enkele bladzijden daarna uit dezelfde pen (gecursiveerd) deze zin vloeit: 'Kuitert heeft de oorspronkelijke inzet van Schilder voortgezet' (blz. 74). Ik moet zeggen dat ik die lijn nooit heb ontdekt. En als prof. dr. J. Veenhof in zijn betoog, getiteld 'Jezus Christus de plaatsbekleder', een 'onmiskenbare overeenstemming' ziet bestaan (weliswaar op één punt, maar dan toch!) tussen Dorothee Sölle en Schilder (blz. 77) is dat niet overtuigend. Er zou meer te noemen zijn. U moet dit boek echter maar zelf ter hand nemen en lezen, als is het een 'gereformeerd' boek over iemand die we niet of nauwelijks kennen en is de achtergrond een 'wereld' die ons ook goeddeels onbekend is. Want daarmee zijn we niet klaar en van Schilder nog niet af. Aan enkele conclusies uit dit boek ontleen ik een drietal redenen om ons op het werk van Schilder te bezinnen. In de eerste plaats zal 'een eerlijke nauwgezette, geduldige analyse zonder twijfel naar voren brengen wat Schilder heeft willen zijn en geweest is: een trouwe, moedige getuige van Christus, wiens getuigenis ons, ook nu nog iets te zeggen heeft' (blz. 17). In de tweede plaats was Schilder een man, die 'met al zijn diepte en brede belangstelling voor alles de auteur is geweest van en voor het gereformeerde volk' (blz. 99). Een derde en laatste reden is dan de oecumenische betekenis van Schilder dat hij nl. 'van niemand is, want hij is van allen die naar hem luisteren willen!' (blz. 61).
K. ten Klooster

Dr. W.H. Velema, Ethische vragen in prediking en pastoraat. Uitgeverij Kok Voorhoeve, Kampen, 112 blz., ƒ 22,50.
Dit boekje is uitgegeven in de Reformatie-Reeks die onder redactie staat van drs. K. Exalto, ir. J. van der Graaf en dr. W. Verboom, en de bedoeling van deze serie mag als bekend worden verondersteld: de redactie begeert op toegankelijke wijze materiaal aan te reiken dat bijbels betrouwbaar is, en waarmee allen die op enigerlei wijze geroepen zijn vanuit het evangelie met mensen bezig te zijn, geholpen worden.
Wie het theologisch werk van Velema enigermate kent, moet niet verwachten nieuwe dingen onder ogen te krijgen. De kracht van het boekje is de pastorale vorm waarin allerlei vragen — en antwoorden — gekleed zijn. Velema schreef concreet, ingaand op vele vragen die leven, en ook vragen stellend die zouden moeten leven, vanuit de geboden van God.
Nochtans aarzel ik even bij de opzet van dit boekje. Het combineert immers twee vraagstellingen. De eerste is hoe het komt dat de wijze waarop ethische vragen in de prediking aan de orde gesteld worden een andere is dan die waarop ze in het pastoraat ter sprake dienen te komen. De vraagstelling dus waarin dit verschil nu precies zit. Het antwoord hierop wordt niet helemaal duidelijk. Wel wordt het geadstrueerd.
De tweede vraag is dan die naar het antwoord dat er op allerlei concrete vragen van mensen moet komen. Dit boekje geeft deze antwoor­den wel degelijk, het biedt richtlijnen, maar gezien de opzet zijn deze aan sterke beperkingen onderhevig. Men moet zich bepalen tot grepen uit de praktijk. Dit geeft aan dit boekje toch iets tweeslachtigs. De dingen kunnen niet echt worden uitgespit. Zelfs de actualiteit van de geboden niet. Zelf zou ik mij dus in dit harnas wat ongelukkig hebben gevoeld. Was het niet beter geweest aan het gebod als het gepredikte gebod een eigen boekje te gunnen? En dan ook aan de actualiteit van het gebod in het pastoraat een boekje? De schrijver kan nu wel met grote nadruk stellen dat het God is Die de vragen stelt, maar de praktijk is dat we in het pastoraat komen tot de vragen die God stelt via de vragen die mensen stellen. En wie anders pastoraat bedrijft, faalt. En voorts, dat mensen een heleboel vragen stellen die met een direct beroep op de bijbel beslist niet te beantwoorden zijn, zodat het antwoord een omweg vergt.
Hoezeer de schrijver dan ook het belang van een werkelijk begrijpend gesprek en van een inhoudelijk gevulde ontmoeting onderstreept, men kan in een boekje met een titel als het bovenstaande niet de leefwereld van moderne mensen buiten beschouwing houden. Nu komt deze, mede vanwege de opzet van het boekje, praktisch buiten de aandacht te vallen.
Of speelt hier toch ook een rol dat men zich toch altijd een voor de openbaring openstaand gehoor en lezerspubliek voorstelt? Maar zo velen zitten juist met de vraag wat zij met de Boodschap in hun beroep aan moeten, en hoe daarvan iets door te geven, en waar te beginnen wanneer het leven van Gods goede gebod is weggedreven.
Ik zie de grootste waarde van dit boekje dan ook vooral in het kringwerk liggen, hetzij van hen die geestelijk gemotiveerd bezig willen zijn in hun beroepsuitoefening, hetzij van hen die als gemeenteleden een meer dan doorsnee-taak of -belangstelling hebben. Trouwens, de telkens toegevoegde bezinningsvragen wijzen ook in deze richting.
S. Meyers te Leiden

Kenneth E. Hagin, De bediening van een profeet. Gazon Uitgeverij, Den Haag, 64 blz.
Een boekje van een Amerikaanse voorganger die meent over profetische gaven te beschikken. Het is een subjektief verhaal geworden van openbaringen door gezichten of inwendige stemmen. De voorbeelden die de schrijver noemt zijn zeer alledaags. Daarbij beroept hij zich o.a. op Ef. 4 : 11, waar geschreven staat, dat God zowel apostelen als profeten heeft gegeven. Ik wil niet uitsluiten dat God in heel bijzondere situaties tot zijn kinderen kan spreken. Maar het profetische ambt is m.i. niet het ontvangen en doorgeven van openbaringen, maar de gave van de uitleg en verkondiging van het profetische Woord. Uit de kerkgeschiedenis zijn vele voorbeelden bekend van het gevaar van openbaringen die God ook nu nog zou geven. Men denke aan de geschiedenis van de Wederdopers. De kant van deze Amerikaanse voorganger moeten we dan ook zeer belist niet op.
H. Veldhuizen, Hillegersberg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's