'Kerkelijk gaan gij en wij uiteen'
K. Schilder (1)
Het kan niet ontkend worden dat er thans veel belangstelling is voor de persoon en het werk van prof. dr. K. Schilder (1890-1952). Een in Amsterdam aan de Vrije Universiteit gehouden symposium trok meer dan 700 belangstellenden. In de pers komen we de naam Schilder regelmatig tegen. Verschillende publikaties zagen het licht, meerdere zullen er nog volgen. Waaruit is die belangstelling te verklaren? Is dat omdat het dit jaar honderd jaar is geleden dat Schilder werd geboren? Daarmee is wel wat, maar niet alles gezegd. Er moet in dit verband ook gewezen worden op het feit dat zich een wijziging heeft voltrokken in de Gereformeerde Kerken, waarbij afstand wordt genomen van de gebeurtenissen in 1944.
Toen werd de gereformeerde Schilder geschorst en afgezet en ontstonden de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt). Datgene wat toen is gebeurd, wordt betreurd in een uitspraak van de synode van de Gereformeerde Kerken in Almere (1988). Men had van tuchtoefening moeten afzien. Datzelfde is ook gezegd door de voorzitter van de synode uit 1944, die Schilder veroordeelde, prof. dr. G.C. Berkouwer. Hij gaat in zijn nieuwste boek op de zaak in en houdt zich uitvoerig met het werk van Schilder bezig. Een derde reden zou nog kunnen zijn een herleving van de belangstelling voor de klassiek gereformeerde theologie (Schilder was een gereformeerd theoloog). Maar daar valt vooralsnog weinig van te bespeuren. In ieder geval is het de moeite waard ook in De Waarheidsvriend aandacht voor hem te vragen.
Kampen
Dat Schilder hoe dan ook een grote is geweest in het landschap van de theologie gedurende de eerste helft van deze eeuw, staat wel vast. Hij werd geboren in Kampen, op 19 december 1890 en was afkomstig uit een arbeidersmilieu. Zijn vader, Johannes Schilder (een sigarenmaker) was voor de tweede keer gehuwd. Zoon Klaas werd gedoopt in de Hervormde Kerk te Kampen op 1 maart 1891. Een onbezorgde jeugd heeft hij bepaald niet gehad. Vader Schilder had een inkomen van nog geen ƒ 500,— per jaar. De situatie werd nog nijpender, toen de man één dag voor de zesde verjaardag van Klaas overleed, nog maar 36 jaar oud. De moeilijke omstandigheden laten zich raden.
Korte tijd na het overlijden van haar man, ging de weduwe Schilder met haar kinderen over tot de Gereformeerde Kerken. Later dankt Schilder zijn God voor die stap van zijn moeder, die hem gebracht had binnen dat verband.
Al met al was het niet vanzelfsprekend, dat hij zou gaan studeren. Het lag meer voor de hand, dat hij, gezien de gezinssituatie, aan het werk zou gaan. Wat ook gebeurde. Hij werd loopjongen in een manufacturierenzaak. Dat bleek geen succes te zijn. Op voorspraak van en met behulp van vrienden werd hij na een toelatingsexamen in 1903 leerling van het Gereformeerd Gymnasium in Kampen. Hij deed in 1909 eindexamen en slaagde. Vervolgens liet hij zich inschrijven aan de Theologische School, eveneens in Kampen.
Student
De Hogeschool had enkele jaren daarvoor een geducht verlies te incasseren gekregen door het vertrek van de hoogleraren H. Bavinck (1854-1921) en P. Biesterveld (1863-1908) naar de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij namen bijna de helft van het aantal studenten mee.
Schilder viel als student al op door zijn veelzijdige belangstelling, zijn enorme belezenheid en zijn vaardige pen. Gedurende zijn studententijd maakte hij een geloofscrisis door, waarbij hij met name steun vond bij de hoogleraar M. Noordtzij (1840-1915). Hij leerde in die worsteling de majesteit van God en de kleinheid van de mens verstaan.
Zijn veelzijdige belangstelling bleek uit het feit dat hij Schleiermacher bestudeerde en door Kierkegaard werd geraakt. Zijn aristieke bekwaamheden kwamen uit in zijn pennevruchten, die hij publiceerde in de studentenalmanak. Dat omvatte beschouwingen en verhalen, maar ook gedichten (in het Grieks, Latijn en Duits). Het was in deze tijd dat Schilder zich ontplooide, niet alleen als theoloog, maar ook als spreker en schrijver. Verwierf hij de nodige vaardigheden, die hem later van pas zouden komen. Aan het eind van zijn studietijd schrijft hij nog een schets over 'Geloof en Religie', naar aanleiding van Hebr. 11 : 6. Daarin typeert hij zijn dagen als 'een tijd van twijfelzucht en vaagheid van weten'. Hij legt er in dit opstel sterk de nadruk op dat het geloof gehoorzaam is. Gehoorzaam aan dat wat God in Zijn Woord beveelt. Dat geloof is de enige waarborg voor de mogelijkheid, de redelijkheid, de waarachtigheid en de verzekerdheid van de religie. Het is rustige kracht... tot in de dood.
Predikant
Op 23 januari 1914 legde Schilder zijn kandidaatsexamen af in de theologie (cum laude). Hij ontving een beroep naar de gemeente Ambt-Vollenhove. Dat nam hij aan. Na op 18 juni van datzelfde jaar in het huwelijk te zijn getreden met Anna Johanna Walter (1881-1977) werd hij drie dagen later bevestigd als dienaar van het Woord. Hij deed intrede met de woorden uit 1 Joh. 2 : 20 en 27a: Doch gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet alle dingen. En de zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in U en gij hebt niet van node dat iemand U lere'. Vermeldenswaard is het, hoe hij aan het eind van die dienst zijn Hervormde collega Boersma toespreekt. 'Kerkelijk gaan gij en wij uiteen; dit te verbloemen zou thans even dwaas als onnodig zijn. Toch mogen wij geloven — en Uw vriendelijke tegenwoordigheid aan deze plaats is mij daarvan een lichtend bewijs — dat en Uw ideaal en het onze grijpt naar een hogere synthese ook bij deze door onvolkomen mensen noodzakelijk geworden antithese... Trouwens, van geloofsverdeeldheid valt in Ambt-Vollenhove over het algemeen weinig te bespeuren... Zegene onze God U in Uw arbeid en worde en aan U en aan ons meer gezien de toepassing van het hoge beginsel:
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
Van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen,
En leven naar Uw goddelijk bevel.
Want een andere beperking wensen wij niet.'
Zo begon ds. K. Schilder zijn ambtelijke dienst aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Lang zou hij in Vollenhove niet blijven. In 1916 vertrok hij naar Vlaardingen (waar hij anders dan in Vollenhove over een eigen kerkbode beschikte, waardoor hij zich kon uiten). Zijn volgende standplaats was Gorinchem (waar hij kwam in 1919). In 1922 verwisselde hij opnieuw van standplaats en volgde de roep op naar Delft.
Oegstgeest
In 1925 werd Schilder beroepen in Oegstgeest. Hij nam dat beroep aan, mede met het oogmerk hier zijn proefschrift te schrijven (de Leidse bibliotheek was daar binnen handbereik). Maar het werd hem naar zijn eigen getuigenis verhinderd. Er waren problemen in de gemeente. Wel had hij hier contact met de (Hervormde) kerkhistoricus A. Eekhof (1884-1933), die aan de Rijksuniversiteit in Leiden doceerde. Eekhof kerkte ook wel bij Schilder. Dr. Puchinger vermeldt ergens een brief, gedateerd 28 november 1931, van Schilder aan Eekhof (Schilder is dan al in Rotterdam). Daarin schrijft Schilder dat hij Eekhof enkele weken daarvoor wel in de kerk had gezien, maar hij verontschuldigt zich min of meer. 'Ik zal niet trachten die "preek" te rechtvaardigen, want 't is mij dien morgen mislukt te preeken. Het zou me evenwel spijten, als U dien morgen naar huis gegaan zoudt zijn met de gedachte: hij heeft niet gewerkt. Want gewerkt had ik wel; het is me alleen niet gelukt — om in ouderlingentaal te spreken — de "overdachte waarheid helder voor den geest te stellen". Het was dien morgen me onmogelijk mijn aandacht te concentreeren; dat is in Januari in diezelfde kerk nog eens zo geweest. Ik bedoel dus niet te excuseeren; alleen maar het voor de hand liggende vermoeden dat het gebrek aan eerbied was, weg te nemen. Misschien had ik in die week wat al teveel overhoop moeten halen'.
Na het overlijden van Eekhof in 1933 schrijft Schilder een ontroerend 'In memoriam' in zijn blad 'De Reformatie'. Daarin noemt hij Eekhof een 'sieraad der Leidse Universiteit' en 'een der onzen in de mooiste zin des woords'. Er was bij zijn aantreden ook in Gereformeerde kring vreugde geweest over het feit dat in Leiden weer de stem van het Gereformeerde protestantisme zou weerklinken. Naar Schilders getuigenis heeft 'op dat Rapenburg de stem van Albert Eekhof gesproken in getrouwheid, van de ene Christus, Die hij met ons beleden heeft. En wij herinneren ons, dat het belijden daar, op die plaats, moeilijker was, dan het in eigen huis dikwijls is voor ons. We herinneren ons dan tevens, dat hij zich daar nog nooit die belijdenis heeft geschaamd'. Hij wijst er dan ook op van hoe groot gewicht het is 'dat uit het gereformeerde volksdeel... een plaats wordt opengehouden voor mannen, zoals Eekhof is geweest: kenner van onze geschiedenis en daarbij het bloed en de geest van het gereformeerde volk dragende, met ere'.
Schilder kan de Heere 'met bewustheid danken voor het lichtend, soms beschamend spoor, dat professor Albert Eekhof, die Nederlander en die christen, in zijn eenheid met de eenvoudigen van hart, heeft achtergelaten'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's