Overpeinzingen in komkommertijd
Het heeft z'n bekoring om thuis te zijn als de grote vakantietrek plaats vindt. Straten stromen in bepaalde plaatsen leeg, zonder dat ze, zoals in andere plaatsen, worden opgevuld met vreemdelingen, die tijdelijk hun intrek nemen om daar vakantie te vieren, waar de autochtonen nu juist wegtrekken. Het is een merkwaardig verschijnsel, die volksverhuizing, die tijdens de vakanties plaats vindt. Met wagens volgeladen staan of rijden tienduizenden bumper aan bumper, richting zuiden of wat onze zuiderburen betreft juist richting noorden, soms om bivak te kiezen op een wijze die men thuis niet tolereren zou, ongemakken trotserend, die dan juist als avontuurlijk worden ervaren.
Ook de geestelijke stand trekt er tussenuit. Predikanten verwoorden dat soms in hun kerkblad op een wijze alsof ze zich excuseren willen, alsof vakantie houden toch niet echt in overeenstemming zou zijn met hun geestelijke status. Een lichte gêne ontwaart men soms bij de simpele mededeling, dat ze er ook een poosje tussenuit gaan. Alsof we niet allemaal op z'n tijd nodig hebben even adem te scheppen, even te ontkomen aan de jacht van het leven, ook van het kerkelijke bedrijf. Op adem komen betekent ook geestelijk recreëren. De gelegenheid voor de overpeinzing is er dan méér dan wanneer de caroussel van het alledaagse leven voortmaalt. Al is het ook onmiskenbaar waar, dat veel mensen juist ook in vakantietijd de stilte mijden. Ook dan kruipt men op een kluit. Zoals mensen de eeuwen door de grote stad zochten, de drukte en het gewoel van het samen-op-één-gepakte leven, zo zoeken mensen ook in vakantietijd de massa. Velen zijn kennelijk bang voor de stilte.
Als gezegd: het kan z'n bekoring hebben om tijdens de vakantiepiek thuis te zijn, omdat dan hier en daar de stilte juist neerdaalt.
Eerste overpeinzing
Een van de wezenlijke kenmerken van het christelijke leven is dunkt me de overdenking, de overdenking met name ook van het toekomende leven (de meditatio futurae vitae). Zonder iets af te doen van het hoge goed van een periode van rust voor lichaam en geest, zoals die ons in deze tijden gegeven wordt, mogen we ons echter wel afvragen of die overdenking nog wel spoort met het eigentijdse levensgevoel, waarin we ook met de christelijke gemeente zijn opgenomen en waarvan ons vakantiepatroon niet los staat. We hebben ons vaak diep ingenesteld in deze aarde, in de schema's ook van de wereld. Het geestelijk luieren voor God zijn we maar al te vaak verleerd.
Wat mij de laatste tijd, in momenten van stille overpeinzing, kan bezig houden, is de diep ingevreten materialistische levenshouding, die in onze welvaartssamenleving gemeen goed geworden is, ook in de meest rechtzinnige gemeenten. Ds. J.T. Doornenbal placht wel eens speels te zeggen, dat hij het 'arme en ellendige volk' niet meer vinden kon, omdat ze allemaal in dure Mercedessen reden. In alle humor ligt ernst, in speelse opmerkingen liggen waarheidselementen, in overdrijving zit een echte kern. Zo ook hier.
Toegegeven, elk mens komt voor momenten te staan dat alle aardse goed van nul en generlei waarde wordt, omdat de reis moet worden gemaakt, waarbij van het aardse niets anders rest dan een kleine kamer met zes wanden. Maar, door de bank genomen, voelen we ons zeer op ons gemak in deze wereld, die ons haar schatten biedt, en weten we nauwelijks meer van onthechting.
Jawel, we lopen vandaag op tegen de grote vervuiling van het leefmilieu. Maar bij alle acties om het milieu schoon te houden of weer te krijgen, speelt heimelijk de gedachte mee, dat we ons hemeltje op aarde niet kwijtmogen raken. Anderzijds kan het lichtelijk ironisch aandoen, dat aandacht voor (het bewaren van) het milieu in 'onze kring' gemakkelijk met activistisch of horizontalistisch wordt afgedaan, terwijl in de meest rechtzinnige gemeenten de weelde en de aardsgerichtheid hun eigen tol eisen. Het gaat om de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zeggen we dan; om die wereld die kòmt, een wereld waarop gerechtigheid woont, een thuis heeft. Maar intussen houden we de zonde van het materialisme aan de hand en misbruiken we de schepping, die we van de Schepper in beheer hebben gekregen. We zijn vaak uiterst eenkennig, misschien zelfs wel dualistisch geworden als het gaat om de zonde en de wereldgelijkvormigheid.
Is er zó intussen nog ruimte voor de overdenking van het toekomende? Laat ik de vraag dieper en breder stellen: is er nog gespànnen verwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die, door de wederkomst van onze Heere Jezus Christus op de wolken des hemels heen, aan de (nieuwe) dag zullen treden? 'Waar is de belofte van Zijn toekomst?', werd al spottend aan de apostelen gevraagd, door mensen 'die naar hun eigen begeerlijkheid wandelen' (2 Petr. 3 : 4). Vanaf het begin van de wereld zijn de dingen gebleven zoals ze waren.
En wij, in onze tijd? We zien alleen maar tekenen, die erop wijzen, dat de mensheid deze wereld inricht alsof ze oneindig zal voortbestaan. En de profetie van de christelijke gemeente lijkt hier vaak verstomd. De christelijke gemeente heeft de verwachting van de wederkomst vaak ook prijsgegeven, omdat ze zo is ingenesteld in deze wereld. Zouden we het willen dat Christus morgen, neen vandaag nog terugkomt? Hij heeft het wel be-loofd. Maar wie ge-looft het nog? Zal Christus, als Hij terugkomt, nog geloof vinden? Of slechts bedrijven en auto's en weelderig ingerichte huizen en vakantiecruises en ...?
Tweede overpeinzing
Dit brengt me op een tweede overpeinzing. We kunnen met zorg vervuld zijn over wereldse en verwereldlijkte levenspatronen van onze tijd, waar de christelijke gemeente niet buiten staat. Maar we mogen ook wel met diepe zorg vervuld zijn, als we zien hoe we kerkelijk twistend onze weg gaan. De polarisatie gaat niet met vakantie. Hier is sprake van elkaar versterkende factoren. Eén van de factoren is, zo overpeins ik, herleving van de doperse geestesstroming. In reactie op vervlakking constateren we vandaag een geestelijke vluchthouding, die, wat de geestelijke dingen betreft, ver weg staat van de leefwereld van elke dag, waarin men voor het overige intussen toch ten volle opgaat.
Laat ik concreet worden. Een der kenmerken van genoemde stroming is wereldmijding. Maar kenmerkend daarvoor is óók een volk-van God-cultus, die ten diepste een verwaarlozing en verachting betekent van de gemeente in haar concrete gestalte, ook in haar onder de maat zijn vaak, in haar gestalte onder het kruis of onder de gebreken. In de loop van de geschiedenis is de doperse stroming altijd een begeleidend verschijnsel, we moeten zeggen een begeleidende dwaling geweest van het gereformeerde leven. Onze gereformeerde vaderen hebben zich dan ook altijd weer scherpelijk daartegen gekeerd, zonder — vanwege de daar optredende overgeestelijkheid — het leven des Geestes uit het oog te verliezen of — vanwege verwettelijking van het leven — het zicht op de wet kwijt te raken. In de doperse geestesrichting worden echter op wettische wijze steeds verdere verfijningen aangebracht inzake de (uiterlijke) kenmerken van Gods volk. En niet meer wat het Woord Gods in de brede en diepe verbanden zegt, is bepalend, maar wat het volk van God — althans wie daarvoor doorgaat — als maatgevend ervaart of gedicteerd krijgt.
Met diepe zorg mogen we wel constateren hoe deze doperse geest ook in onze tijd weer veld wint en gevoed wordt. Al wat dan verder niet past in de eigen straat wordt afgeschreven.
Dezer dagen werd de Veluwe in bepaalde bladen (een volle pagina in de Edese Post en de Barneveldse Courant) onthaald op geesteloze uitlatingen van een ouderling uit de hervormde gemeente te Harskamp, die precies wist te vertellen dat Gods volk niet meer in Driebergen komt. Bedoeld was de zendingsdag van de Gereformeerde Zendingsbond. Maar we mogen hieraan gevoeglijk toevoegen — als we ons oor goed te luisteren hebben gelegd — zendingsdagen van verwante kerkelijke groeperingen, waarnaar ook in genoemd stuk wordt gelonkt. Predikanten die daar spreken — voor de aanstaande zendingsdag werden ze met name genoemd — kennen het echte geestelijke leven niet. Dat mag men zich voor gezegd houden als men nog naar Driebergen gaat. Men sta mij intussen toe, dat ik het tegen deze hovaardige lastertaal opneem voor de dienaren des Woords, die daar voorgaan (het Barneveldse predikantencorps werd en passant ook meegenomen) en alle gaarne getrouwe dienaren des Woords, die ook vandaag niet anders begeren dan naar Schrift en belijdenis in hun bediening te staan. Men mag zich in gemoede afvragen of dit het 'gepraat' is, dat voor Gods volk kenmerkend is naast 'gelaat en gewaad', om over de daad nog maar niet te spreken.
Harskamp heeft wel de maskers afgeworpen. Hier blijkt intussen een Gods-volkcultus van bedenkelijk allooi weer in opmars te zijn.
Bij alle uiterlijke kenmerken, die er al zijn, om tot dit (vaak onbestemde) volk te behoren, voegen zich telkens nieuwe. Ik herinner mij dat ds. W.L. Tukker ons vaak vertelde van zijn ervaringen in zijn eerste gemeente te Hei en Boeicop. De gemeente was jarenlang vacant geweest, omdat men niet had mogen beroepen vanwege nalatigheid inzake de financiële verplichtingen voor de landelijke kerk. In de langdurige vacaturetijd waren allerlei personen voorgegaan, die daartoe niet door de kerk waren geordend. Welnu, met het aantreden van de jonge predikant was dit kwaad niet zomaar uit de wereld. Op doordeweekse avonden moesten in ieder geval nog bepaalde voorgangers gevraagd worden. Tenslotte werd de jonge dominee gevraagd ook die en die voorganger een keer te laten komen. Dat was nog 'een echte' want die droeg nog een pet. Welnu, er is niet zoveel voor nodig om vandaag weer te gaan voorschrijven dat dominees een pet moeten dragen of een kuitbroek met gespen of een hoge hoed. Ik besef dat ik chargeer. Maar anderzijds zien we allerlei symptomen van veruitwendiging die voor geestelijk door moeten gaan maar in feite werelds zijn. We mogen terecht pleiten voor goede stijlvormen in de gemeente — ze worden in onze tijd maar al te zeer aangevreten — maar ompaalde overgeestelijke vormen kunnen ook in hoge mate stijlloos worden, caricaturaal naar de wereld toe.
Ernstig is het als deze vormendienst dienen moet om geestelijke armoede te verhullen. We constateren hier intussen in toenemende mate, althans in een bepaalde flank van de Gereformeerde Gezindte, gefrustreerde verhoudingen tussen kerkeraden en hun predikant. Enerzijds hebben — als we ons niet vergissen — kerkeraden of bepaalde leden van kerkeraden soms zo'n wettisch-vormelijke onderstroom of een vleug daarvan, waardoor ze afhaken van de gezonde prediking, die voluit naar Schrift en belijdenis wil zijn, of hierop kritisch gaan reageren. Anderzijds hebben predikanten zelf soms die hang, waardoor ze de gemeente in de volle breedte, in al haar schakeringen, niet meer op het oog hebben, maar erop uit zijn een bepaalde groep of een groepje of een vermeendaanwezige groep (of zichzelf) te behagen. Overigens vergeten kerkeraad en/óf predikant dan wel eens, dat ze zich vanwege het beroepingswerk voor Gods Aangezicht geestelijk aan elkaar hebben verplicht. Maar helaas wordt lang niet altijd meer het ambt geestelijk ingevuld. En derhalve is het verder alles de dood in de pot. En intussen wordt in de gemeente gezucht door hen, die naar een woord voor het hart vragen, naar een woord waarin het echt gaat om wat de Geest tot de geméénten zegt.
Derde overpeinzing
Dit brengt me tot de derde overpeinzing. Willen we in deze tijd het gereformeerde blazoen zuiver houden dan zal naar twee kanten het mes erin moeten. Enerzijds naar de kant van een remonstrantse geest, die altijd weer en ook vandaag de kop opsteekt maar anderzijds even goed en even scherp naar de kant van een doperse geest. In beide gevallen gaat het om ik- of mensmiddelpuntigheid. Beide stromingen werken polariserend op elkaar in. In beide gevallen dreigen de gereformeerde leer en de religie der belijdenis een aangevochten zaak te worden.
Het Labadisme — de geestesstroming van Jean de Labadie, die het om een gemeente van louter wedergeborenen begonnen was — kan zich naar twee kanten manifesteren. Enerzijds in die zin, dat de hele gemeente gelovige, opgewekte, enthousiaste, getuigende gemeente heet of geacht wordt te zijn. Anderzijds dat er nog uitsluitend of vrijwel uitsluitend aandacht is voor wat het volk Gods heet te zijn. De radicaliteit van de rechtvaardiging van de goddeloze ontbreekt maar al te vaak, in beide gevallen. En de rechte bevinding des geloofs wordt spaarzamenlijk.
Deze hang naar één van beide kanten kan ook in bepaalde vormen tot uitdrukking komen. We noemden al veruitwendigde vormen, die met de doperse hang samenhangen. Een mens is dan geestelijk al een hele Piet als hij aan de kenmerken beantwoordt. De vrome mens wordt gekoesterd, tot in z'n onbekeerlijkheid toe. Anderzijds kan er de hang zijn naar vormen, waarin enthousiasme wordt gesuggereerd, getoond of wordt opgewekt. Dan moet er meer in de handen worden geklapt of moeten de handen ten hemel worden geheven ('Prijst de Heer'). Mensen, die dat doen. zijn pas echt bevrijde mensen; zoals mensen, die het in de vormen anders doen dan in de gemeente gebruikelijk is — bijvoorbeeld als mannen in hun eentje gaan staan onder het gebed — pas als recht ernstig kunnen worden beschouwd.
Als het dan overigens toch om een vorm gaat: waarom horen we nooit eens pleiten voor het zich op de heup kloppen! Aan die grondhouding van diepe verootmoediging moest de oud-minister van onderwijs, de joodse minister Pais, ooit de Tweede Kamer herinneren bij de behandeling van de Drie van Breda. Verootmoediging, is dat het niet wat ons zo vaak ontbreekt? Wie ootmoedig heeft leren buigen voor God weet ook wat een ootmoedige gestalte is tegenover de ander. Die schrijft niet zo gemakkelijk af. Het zou de wortelzonde van het huidige kerkelijke leven juist ook van het gereforméérde kerkelijke leven wel eens kunnen zijn, dat we zo gemakkelijk afschrijven en niet zoeken naar wat de Heere Zelf erbij wil hebben en houden en waartoe Hij de dienst in de gemeente wil gebruiken.
Vierde overpeinzing
Dit brengt me tot de laatste overpeinzing. Ik stelde in het bovenstaande dat we het gereformeerde blazoen zuiver moeten houden door af te grenzen naar een remonstrantse en een doperse geesteshouding. Dat vraagt van dienaren des Woords innerlijke vrijheid, vanwege het profetische Woord, dat geen enkele cultus van welke geestelijke mens dan ook spaart om zódanig in de bediening te staan, dat de vrome mens met al zijn strevingen en hoedanigheden wordt gekruisigd en het zicht op Christus alleen wordt helder gehouden. Al te vaak is er gretigheid om het éne en angst om het ándere vanuit het profetische Woord aan de kaak te stellen.
Al te gemakkelijk kunnen we intussen ook de schijn wekken 'de ànder' te bedoelen en zelf buiten schot te blijven; Onderkent echter niet ieder, die weet van het onderzoekende werk des Geestes, bij zichzelf, in eigen hart en leven, die voortdurende pendelbeweging tussen enerzijds die doperse hang (hoe verfijnd ook aanwezig) en anderzijds die remonstrantse neigingen (openlijk of bedekt)? Alleen wie die neigingen in eigen leven, bij het licht des Geestes heeft onderkend, weet dat het om het even is of men van de doperse muis of van de remonstrantse kat gebeten wordt. In beide gevallen hebben we niet genoeg aan het 'Mijn genade is u genoeg en Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht'.
Is er dan een remedie? De tollenaarsbede: O God, wees mij zondaar, de zondaar genadig. Die bede van de tollenaar achtte Jezus overigens genoegzaam om van hem te getuigen dat hij gerechtvaardigd naar zijn huis ging 'méér dan die'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's