Het voorbeeld van Christus
Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Matth. 20 : 28
Twee van de discipelen des Heeren, Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zijn met een verzoek tot hun Meester gekomen. Zij zouden graag in de komende heerlijkheid de ereplaatsen bezetten; de één aan de rechterhand, de ander aan de linkerhand van hun Koning. In het Evangelie naar Markus staat dat zijzelf dit verlangen aan Jezus kenbaar maakten. In dat naar de beschrijving van Mattheüs wordt vermeld, dat hun moeder dat deed. Hebben die twee broers zich toch wel geremd gevoeld, toen zij dat verlangen aan de Heere wilden voorleggen? Of was het een initiatief van hun moeder, die dit aan haar zonen gunde en toen uitsprak wat zij wist dat dezen begeerden?
De andere discipelen namen het, toen zij van dit verzoek hoorden, die twee erg kwalijk. Door de handelwijze van de zonen van Zebedeüs zouden hun die ereplaatsen, waar zij kennelijk ook op hoopten, wel eens kunnen ontgaan. Het is zon menselijk verlangen. De eerste, de meeste, groot te zijn. Echt menselijk. Niet dat God, toen Hij de mens schiep, het zo bedoeld heeft, maar omdat wij in de zondeval tot liefhebbers van onszelf zijn verworden, die, als God het niet verhoedt, alleen nog maar aan eigen grootheid, eigen belang, eigen eer, eigen aanzien kunnen denken.
Als de Heere Zich dan naar aanleiding van dit gebeuren tot Zijn jongeren richt, spreekt Hij daarom niet alleen maar die zonen van Zebedeüs aan, maar zegt Hij tot allen: 'Zo gaat het wel in de wereld er naar toe, maar 'alzo zal het onder u niet zijn'. In de wereld geldt de regel, dat wie 'groot' wil zijn, de ander moet zien 'klein' te krijgen en te houden. De Heere spreekt daarbij in het bijzonder over 'de macht', de gebruikt kan worden en maar al te dikwijls ook gebruikt wordt om zichzelf, ten koste van hen over wie men macht heeft, uit te leven in het najagen van eigen eer en grootheid. Zo gaat het er helaas vaak naar toe in de wereld der volken en het maatschappelijk leven.
Maar die donkere drift om het eigen ik op de troon te brengen en eigenlijk in ons denken, spreken en doen alleen nog maar onszelf te bedoelen, leeft in ons allen. De Heere zegt dan ook tegen Zijn jongeren: 'Doch alzo zal het onder u niet zijn!' Dat kan en mag men als een belofte lezen: In de wereld gaat het er zo naar toe, maar onder u, in Mijn Koninkrijk, zal het anders zijn. Die toezegging mag ons echter niet beletten er ook een vermaning in te beluisteren: Zo mag het er onder hen, die naar Zijn Naam genoemd worden, niet naar toe gaan! Wie onder u groot zal willen worden, die zij uw aller dienaar en wie de eerste zal willen zijn, die zij uw aller dienstknecht. En die onderwijzing onderbouwt de Heere dan met eeii verwijzing naar Zijn Persoon en Werk: Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen!
De Zoon des mensen! Deze benaming spreekt van Goddelijke macht en heerschappij (Daniël 7), maar duidt Christus tegelijk aan als Degene. Die ons in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde. Hij is het Woord, dat bij God was en Zelf God is, vleesgeworden om onzentwil. Hij nam, schrijft de apostel Paulus, de gestalte van een dienstknecht aan (Fil. 2:7). De gestalte, niet de gezindheid. Hij gaf Zijn ziel tot een losprijs voor velen. Dat is maar niet een idee, die een mens moeizaam in een hoge vlucht van gedachten zou kunnen grijpen. Het is gebeurd. Het is een feit, een heilsfeit, waaruit de kerk Gods door het geloof mag leven. Als zij dan maar niet vergeet dat Christus in de dienende liefde, waarmee Hij Zich voor haar heeft gegeven, een voorbeeld heeft nagelaten!
Een voorbeeld? Kunnen we en mogen we daarvan wel spreken als het om de Persoon en het Werk van Christus gaat? Is het gevaar niet groot, dat de volheid en de volkomenheid van de verzoening door het bloed van Christus ontluisterd en miskend wordt, doordat de betekenis daarvan versmald wordt tot dat van een voorbeeld?
Dat gevaar is inderdaad niet denkbeeldig. Wij menen het leven in eigen hand te hebben en daarom is het Evangelie van het kruis ons van nature dwaasheid en ergernis. Maar met een voorbeeld kunnen we wel wat uit de voeten. Dat grijpen we aan om er ons aan op te trekken in ons begeren om onszelf voor God te rechtvaardigen. Voorzichtigheid in het spreken over het voorbeeldig karakter van Christus' Persoon en Werk is dus geboden.
Toch mag deze terughoudendheid in het spreken over Christus en Zijn werk als voorbeeld ons niet doen vergeten dat de Heere Zelf Zich en Zijn werk als een voorbeeld heeft aangewezen. Toen Hij kort voor Zijn dood aan het kruis met Zijn discipelen het Pascha ging vieren, was niet één van de jongeren bereid hun Meester en de anderen de voeten te wassen. Als Hij dan Zelf deze nederige dienst heeft verricht, zegt Hij tot de discipelen: Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook doet (Joh. 13 : 15). De apostel Petrus heeft dat niet vergeten. Vele jaren later schrijft hij in een brief aan verstrooide vreemdelingen, de kerk Gods in de druk, over het voorbeeld dat Christus Zijn gemeente naliet. Hij betrekt dat dan niet alleen op die gebeurtenis in de zaal van de Paschaviering, maar op het gehele lijden des Heeren voor Zijn kerk. Zoals Christus in de tekst boven deze overdenking heel Zijn werk als norm voor het leven van de Zijnen aanwijst: Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, zo weest gij aller dienaar en dienstknecht.
Dat mocht wel eens wat meer bedacht worden. Er wordt veel over wereldgelijkvormigheid, die zich meer en meer in de kerk breed maakt, gesproken. Dan heeft men het bijvoorbeeld over het meedoen met de mode en allerlei modeverschijnselen, het gebruik van moderne communicatiemiddelen, het zich inlaten met allerlei vormen van vermaak en ontspanning, enz, enz. Ik zal de laatste zijn om dat af te doen met de opmerking: 'Wat zit daar nu in?' Integendeel, ik meen dat het goed zou zijn eens na te denken over de vraag die men in dit verband ook wel eens hoort stellen: 'Waar komen we door met dit alles mee te gaan tenslotte uit?'
Maar we moeten er wel oog voor houden, dat veel van dit alles tenslotte toch maar aan, laten we zeggen, de buitenkant blijft en dat de satan (want die zit daarachter) door altijd maar daarover aan de gang te blijven, ons de eigenlijke wereldgelijkvormigheid die veel dieper zit en veel erger is, wil doen vergeten. Het is de Heere een gruwel, dat het er in de gemeente die naar Zijn Naam genoemd is, dikwijls precies zo werelds naar toe gaat als in de wereld die in het boze ligt. Dat men er koud en onbewogen, onbarmhartig en liefdeloos langs elkaar heen leeft, der wereld gelijkvormig. Hard en hardvochtig, zelfzuchtig en egocentrisch, belust op macht en gedreven door de begeerte groot, de eerste, de meeste te zijn.
Wordt deze wereld niet gelijkvormig, schrijft de apostel Paulus aan de gemeente te Rome (Rom. 12:1 en 2), maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed. Dat hebben we nodig en de gemeente heeft een God, Die dat wil schenken door Woord en Geest, om Christus' wil. Wie Hem nederig valt te voet die zal van Hem zijn wegen leren, zegt de berijming van Psalm 25.
Dan zal er een gemeente zijn, waarin de opzieners, om met het formulier ter bevestiging van ouderlingen en diakenen te spreken, als 'voorbeelden' de gemeente dienen, tot opscherping van de liefde en de leden met hen samengevoegd worden tot één lichaam, waarin men elkaar in de liefde dient.
Een gemeente, die in een donkere wereld als een licht op de kandelaar is. Een voorbeeld voor die wereld. Een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn (Matth. 6 : 14). Tot eer van God en die van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's