'Om het werk Gods in de Afscheiding'
K. Schilder (2)
Op 29 juni 1928 was K. Schilder predikant van Rotterdam-Delfshaven geworden. Door zijn kerkeraad werd hem daar in 1930 studieverlof verleend. In 1932 trad hij op eigen voorstel uit de actieve dienst als predikant. Hij wilde promoveren. Dat gebeurde niet in Nederland, maar in het Duitse Erlangen. Daar promoveerde hij op 3 maart 1933 tot doctor in de wijsbegeerte. Met de hoogste lof.
De hervatting van zijn dienstwerk in Delfshaven zou maar kort zijn. Op 25 augustus van datzelfde jaar werd hij door de synode van de Gereformeerde Kerken te Middelburg benoemd tot hoogleraar aan de Theologische School te Kampen. Het College van hoogleraren achtte zich ontslagen van een brede motivering van de voordracht. Schilder was genoegzaam bekend 'als een man van scherpe en diepe denkkracht en grote werkkracht'. Men achtte hem zozeer de eerst aangewezene, dat het niet nodig werd gevonden nog een andere naam te noemen. Dus werd Schilder professor door enkelvoudige kandidaatstelling en met algemene stemmen. Opmerkelijk, waar binnen 10 jaar het getij radicaal keerde. In 1944 werd Schilder geschorst als hoogleraar en afgezet als predikant. Dat zou een breuk betekenen in de Gereformeerde Kerken en in de Theologische Hogeschool.
Terug in Kampen
Op 17 januari van het jaar 1934 wordt Schilder geïnstalleerd, als opvolger van dr. A.G. Honig (1864-1940). Om te doceren en onderzoek te verrichten in de gereformeerde theologie. Die had niet alleen zijn belangstelling, maar ook zijn hart. De toespraak die hij die dag hield (en die onlangs voor het eerst in druk is uitgegeven) bevat een scherpe polemiek tegen de Barthiaanse theologie. Aan het eind ervan dankt hij de kerken die hem riepen en vraagt hij om haar gebed. In het bijzonder richt hij zich tot de afgevaardigden van Rotterdam-Delfshaven. Deze kerk eert hij als Gods instrument 'welker raad mij de gelegenheid tot studie opende en haar dienaren des Woords, zonder wier toewijding en offerwil ik aan deze plaats niet zou staan'. Hij wil zijn leven aan die kerken geven, die hij hartelijk liefheeft, die hij als draagster van Gods werken eert 'zo vaak ik mij realiseer, dat mijn gang naar de collegezaal mijner kerken mij voert tussen de plaatsen waar mijn ouders mij het leven gaven en ik hun graf zag delven'.
Enkele maanden later (20 juni) sprak Schilder opnieuw een rede uit. De aanleiding was het eeuwfeest van de Afscheiding. In een openbare samenkomst hield Schilder de academische herdenkingsrede om 'het werk Gods in de Afscheiding te eren'. De titel van deze toespraak, die door de radio werd uitgezonden en die later in drak verscheen, luidde dan ook: 'De dogmatische betekenis der "Afscheiding" ook voor onzen tijd'. Hierin neemt Schilder het nadrukkelijk op voor de Dordtse Leerregels. Hij kent het verwijt van dogmatische zwakheid aan het adres van de afgescheidenen. Dat verwijt wijst hij af met het argument dat men in 1834 niet met 'interpretaties' van de Canones kwam en geen lievelingsthema's in het centrum plaatste. Wat dan wel? Men hield de kerk aan haar eigen historisch aangenomen geestelijk goed. Met klem wijst Schilder erop dat de afgescheidenen niet een speciaal dogma naar voren schoven. Het ging hun er maar om dat 'men handhaafde wat sedert Dordrecht — de laatste dogmatisch sprekende synode — wettig eigendom der kerk was, dan was men tevreden'. Geen nieuw dogma, geen speciaal thema was de inzet. Ook had men geen eigen wijsbegeerte. Het pleidooi dat werd gevoerd was er een voor aansluiting bij de 'laatste confessie-doende synode'.
Ook hier gaat Schilder de confrontatie aan met Barth. Hij hield vast aan de in de geschiedenis presente genade. De vraag waarop alles vastzit is of God in de geschiedenis plaats heeft voor dat werkelijke drama van gericht en van genade. Het ging Schilder niet om de 'forten Heidelberg of Dordrecht', maar om de onderbouw van alle forten. Te gemakkelijk maakt men zich van Dordt af door te zeggen, dat men daar en toen van onze problemen niet heeft geweten. Schilder geeft toe dat de problemen anders zijn, maar 'we ontkennen, dat dit de onschuld beneemt aan wie zich confessioneel noemen en intussen de vooronderstellingen der confessie loochenen'. Daarom stelt hij opnieuw het dilemma. Dordt (voor Schilder de Synode van voortgang en verdieping op de lijn van de Reformatie!), dan wel de theologie van Barth (die hij nadrukkelijk als een afbuiging van die lijn beschouwde). Schilder eindigt zijn betoog dan zo: 'Ik geloof aan de volharding der heiligen. Ik geloof aan God in de geschiedenis. Ik geloof aan de wedergeboorte, de, bekering, de ordo salutis (d.w.z. de orde van het heil) en haar "praesentia". Daarin zie ik de vooronderstellingen van Dordt. Wie ze niet aanvaardt, staat verder van Dordt af dan de meest verzekerde liberaal van 1834. Maar wie ze wel aanvaardt, met dien willen wij samenwonen. Met hem zullen wij weer weten te zijn dragers van het geloof der kerk, goede vaderlanders, kinderen der Reformatie, opgenomen in het oecumenisch christendom'.
Strijd
Anders dan Schilder in zijn voormelde rede bedoelde, was hij inderdaad een goed vaderlander. Dat blijkt uit het feit dat deze 'eminente geleerde en bezielde voorganger' al heel vroeg de gevaren van het nationaal-socialisme heeft onderkend en ertegen heeft gewaarschuwd. Hij had het in zijn ware gedaante leren kennen tijdens zijn verblijf in Duitsland. Daar heeft hij zich publiekelijk geuit in naar eigen zeggen gebrekkig Duits (de joden applaudisseerden voor hem). In Nederland heeft hij ook de NSB aan de kaak gesteld (geen stem op de NSB!). Hij wist van geen wijken. Ook niet toen de oorlog was begonnen. Aan een artikel in De Reformatie (juni 1940) geeft hij de veelzeggende titel mee: 'De schuilkelder uit; de uniform aan'. Daarin zegt hij dat er dingen zijn, die erger zijn dan inslaande bommen en uit de lucht vallende verordeningen van een vreemde mogendheid. Gevaarlijker dan een bom op de dijk is het stage onzichtbare wroeten van kleine knaagdieren in het dijklichaam. Het Nederlandse volk is hard geslagen en zwaar vernederd. Maar volgens Schilder kwam daarna het gevaar. Hij bedoelt de geleidelijke overgang van de lichamelijke tot de geestelijke ontwapening. Hij waarschuwt voor de langzame ontwapening van de geest. Doen alsof het zo erg niet is. Daarom het uniform aan. Laten zien wie je bent: een goed christen en tegen elke revolutie en dus een goed Nederlander onder het Nederlandse recht.
Schilders houding en artikelen getuigden van (geloofs)moed. Het blad De Reformatie mocht na augustus 1940 niet meer verschijnen. In het nummer van 16 augustus eindigde Schilder met een gebed. Wat kennelijk de bezetter niet welgevallig was, waren de woorden: 'Macht en bevoegdheid blijven gelukkig twee. Tenslotte zal de antichrist gene en de Kerk deze behouden. En daarna komt de dag van de grote oogst. Kom, Heere, Oogster, ja kom haastelijk, kom over het Kanaal en over de Brennerpas, kom via Malta en Japan, kom van de einden der aarde en breng Uw snoeimes mee en wees genadig aan uw volk; het is wel gevoegd, maar slechts door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen'.
Schilder zelf werd een aantal maanden gevangen gezet en werd later gedwongen onder te duiken.
Schorsing
In de oorlog ontlaadden zich de spanningen die al jaren in de Gereformeerde Kerken aanwezig waren. Mede door de opkomst en nog nadrukkelijker door de polemiek van Schilder. Hij zag een dreigende neergang in die kerken, en zweeg daarover niet. Met zijn scherpe pen liet hij niet na aan te wijzen, waar het zijns inziens aan schortte. In boeken, brochures en vele artikelen blies hij zijn partij geducht mee. Of het nu ging om Kuypers opvattingen over de 'gemene gratie' of over de dan heersende opvattingen betreffende verkiezing, verbond en doop. Schilder gaf zijn mening. Het conflict te beschrijven kan onze bedoeling niet zijn. In het voorbijgaan zij opgemerkt dat er een sfeer van wantrouwen heerste waar Schilder in zijn brieven aan zijn vrouw uiting aan gaf. Hij hoorde op zijn onderduikadres dat zijn zaak er niet best vóór stond met betrekking tot de synode. Zijn tegenstanders gebruikten de tijd van zijn machteloosheid, om zich van een bepaalde kant te doen gelden. Schilder vond het moeilijk onder de gegeven omstandigheden in alles de hoofdzaak voor ogen te houden en niet uit wraakzucht te schrijven.
Ondanks de oorlogsomstandigheden en het feit dat Schilder zich niet kon verantwoorden werd het conflict beslecht met de bekende tragische afloop. Het gevolg was dat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ontstonden, waar de naam van dr. K. Schilder onlosmakelijk mee verbonden is en waarvoor hij zich tot het einde van zijn leven heeft ingezet. Dat was bepaald geen eenvoudige opgave. De polemiek bleef (vooral naar buiten), terwijl naar binnen de eenheid bewaard moest worden. Na een kort ziekbed stierf hij op zondagmorgen 23 maart 1952. Kort daarvoor was hem door zijn arts enige tijd volstrekte rust voorgeschreven. Als hij daarvan mededeling doet in De Reformatie, dan schrijft hij: 'Voor mezelf zal ik deze ongewone beproeving dankbaar uit de hand Gods hebben te aanvaarden; welnu, ook de gave der blijmoedige berusting is in die hand, als zij zich opent... Het is een Vaderhand, die zich opent. En die zich strekt'. Er werden op meerdere plaatsen rouwdiensten gehouden en vele duizenden omzoomden de route naar het kerkhof in IJsselmuiden, waar aan zijn graf werd gelezen Joh. 17 en op zijn grafsteen staat gebeiteld: 'Opdat zij allen een zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's