Uit de pers
Vincent van Gogh als gelovige
Afgelopen zondag de 29e juli was het honderd jaar geleden dat de bekende schilder Vincent van Gogh overleed. Ook al heeft de schilderkunst niet direct uw belangstelling, dan zult u toch wel vernomen hebben van de grote aandacht die Van Gogh dit jaar in ons land ondervindt. Wie bijv. de vakantie op de Veluwe doorbrengt, heeft op veel plaatsen langs de wegen verwijsbordjes zien staan met 'Van Gogh' erop. In 'Bijbel en Wetenschap', het tijdschrift van de Evangelische Hogeschool, heeft dr. W.J. Ouweneel in de afleveringen van mei en juni artikelen geschreven over de religieuze achtergrond van Van Gogh, over diens ontwikkelingsgang van evangelist tot sociaal humanist. Ouweneel doet dat met name aan de hand van Vincents brieven waarin zijn geestelijke strijd en ontwikkeling duidelijk na te gaan zijn. Drs. N.C. van Velzen geeft in zijn redactioneel terecht aan hoe de bewondering voor Van Goghs werk in onze tijd bijna lijkt te zijn overgegaan in religieuze verering. Wie inderdaad van tijd tot tijd kennis neemt van de plaats van de kunst in onze samenleving, krijgt de indruk dat voor zeker de bovenlaag van onze bevolking kunst de plaats van de religie heeft overgenomen, zoals bij een ander deel van de bevolking de sport, met name de voetbalgekte die plaats schijnt te hebben ingenomen.
Vincent van Gogh is op 30 maart 1853 in de pastorie van Zundert geboren, waar zijn vader predikant was. Als Vincent in Engeland terecht komt, wordt hij zoveel als hulppredikant aan een methodistenschool in Isleworth, een Londense arbeidersvoorstad. Preken blijft voor hem een hartstocht. Zijn eerste preek gaat over de woorden uit Ps. 119 : 19: 'Ik ben een vreemdeling op aarde'. Ik citeer nu uit het artikel van dr. Ouweneel:
'Zo graag zou hij eenmaal een echt dienaar des Woords willen worden. Hij schrijft op 22 maart aan Theo: "(Ik) heb zulk een begeerte mij eigen te maken de schat van het woord van de Bijbel, al die oude verhalen grondig en met liefde te kennen, vooral te kennen wat wij weten van Christus. Er is in onze familie (...) altijd zover men zien kan, van geslacht tot geslacht iemand geweest die Evangeliedienaar was. (...) Het is mijn bede en innig verlangen dat die geest van mijn vader en grootvader ook op mij moge rusten en het mij moge gegeven worden, te zijn een christen en een christenwerkman..."
Geleidelijk raakt ook vader Van Gogh overtuigd van de godsdienstige roeping van Vincent en hij staat hem toe theologie te gaan studeren in Amsterdam. Vincent begint zich ijverig voor te bereiden voor het toelatingsexamen. Op 30 mei schrijft hij aan Theo: "Het geloof aan God staat bij mij vast — geen denkbeeld is dat, geen ijdel geloof — maar het is zo, het is waarachtig, daar is een God die leeft (...) en die God is geen ander dan Christus van Wie wij in onze Bijbel lezen (...) het is in zijn macht om ons het leven dragelijk te maken, om ons te bewaren voor de boze, om alle dingen te laten medewerken ten goede, om ons einde vrede te maken."
Toch studeert Vincent zonder veel overtuiging, want waarom zou een geroepen evangelist al die studie nodig hebben? Waarom zou de liefde tot Christus en tot de Bijbel al die geleerdheid vergen?
De studie loopt dan ook op niets uit. Gewoon nederig evangelist te zijn, dat is beter dan een geleerde dominee. Hij leest over de arme bewoners van de Belgische mijnwerkersstreek de Borinage; hun wil hij het evangelie gaan brengen! Maar zelfs om te evangeliseren blijken er diploma's nodig te zijn. Vincent moet toch eerst naar de School van het Vlaamse Evangelie in Brussel. Hij gaat erheen voor een proeftijd van drie maanden, maar vanwege zijn impulsieve karakter en zijn eigengereidheid wordt hij ongeschikt bevonden als evangelist.'
In de Borinage
Van Gogh vestigt zich dan in de arme Belgische, mijnstreek de Borinage. Hij belegt godsdienstige bijeenkomsten, houdt bijbellezingen bij mensen aan huis, bezoekt zieken en armen.
'Deze periode in de Borinage wordt overigens voor Vincent van beslissende betekenis. Zijn prediking ondergaat er een wending, zodanig dat hij tenslotte inziet dat zijn nieuwere geloof zich beter een weg kan banen langs de weg van de kunst dan die van de prediking. Zijn evangelie, dat altijd al onconventioneel was, wordt steeds meer een sociaal evangelie voor de armen, de zieken en de zwakken. Zijn intense deernis gaat uit naar de arme verschoppelingen in de streek, de doodarme mijnwerkers. De verzorging van de zieken neemt veelal de plaats van de prediking in. Hij leeft in een kleine hut, zo eenvoudig als de mijnwerkers, voor hen offert hij zijn nachtrust op, ziet er nog vuiler uit dan zij, en even armoedig gekleed. Bijna al zijn bezit gaat naar de armen, en dat alles vanuit het verlangen op de meest radicale wijze Christus na te volgen, net als de eerste christenen.'
Van prediker tot kunstenaar
Deze gepassioneerde man die uiterst gevoelig reageert op wat hij om zich heen waarneemt, stort zich dan op de kunst.
'Na zes maanden heeft het synodale comité, onder welks auspiciën hij werkt, veel lof voor hem, maar vindt tevens dat de prediking ondermaats gebleven is. Vincent blijft nog drie maanden in de Borinage, maar mag officieel niet meer evangeliseren. Toch gaat hij door met zijn hulp aan de armen en zieken. Tegelijk stort hij zich echter op het tekenen. De kunst (vooral het weergeven van de mijnwerkers en hun barre omstandigheden) is voor hem een uitlaatklep om zijn diepe gevoelens van deernis ook op andere wijze gestalte te geven. Maar hoe moet zijn leven verder? Aan Theo schrijft hij: "(...) wat het innerlijk betreft, wat mijn manier van zien en denken betreft, dat is niet veranderd; alleen, als er werkelijk verandering zou zijn, dan is het dat ik nu met meer ernst denk en geloof en liefheb wat ik toen (een jaar eerder) ook al dacht, geloofde en liefhad"; wat echter niet (alleen) op het evangelie, maar (ook) op... schilders als Rembrandt, Millet, Delacroix blijkt te slaan. Waar is zijn geloof in God? Als hij in dezelfde brief schrijft over zijn zwaarmoedigheid, zijn innerlijke leegte, roept hij het uit: "Hoe lang nog, mijn God!" Maar ook deze aangrijpende, beroemd gewerden woorden: "Wat wil je, wat in ons inneriijk gebeurt, is dat ook van buiten zichtbaar? Je kunt een groot vuur in je ziel hebben en niemand komt zich er ooit aan warmen, en de voorbijgangers zien niets dan een beetje rook boven uit de schoorsteen komen en gaan huns weegs. Welnu, wat te doen? Het vuur van binnen onderhouden, zout in zichzelf hebben, geduldig wachten — en toch met hoeveel ongeduld — wachten zeg ik op het ogenblik dat wie maar wil er zal komen zitten, wie weet er zal blijven? Laat wie in God gelooft, wachten op het uur dat vroeg of laat zal aanbreken".'
Ingrijpende ommekeer
Dr. Ouweneel geeft dan aan hoe er zich in het geloofsleven van Van Gogh een complete wending voltrekt.
'Hier heeft de grote wending in het geloof van Vincent zich duidelijk voltrokken. Zijn vroegere geloof in Christus en Zijn heilswerk is nu een geloof geworden in de naastenliefde, de medemenselijkheid, in de schoonheid van de natuur, ja, van de goede mensen en hun werken. Nú, in de zomer van 1880, gaan het tekenen en schilderen (waarin hij deze idealen wil uitdrukken) geheel en definitief de plaats innemen van het prediken. Maar tegelijk raakt het godsdienstige ook in zijn denken steeds verder op de achtergrond.
Van oktober 1880 tot april 1881 is Vincent in Brussel, en voorjaar 1881 gaat hij bij zijn ouders in Etten wonen. Daar wordt hij verliefd op zijn nicht, de jonge weduwe Kee Vos, die zijn liefde echter radicaal afwijst. Zijn heftige emoties brengen hem tot allerlei intense (on)geloofsuitspraken. Op 21 december schrijft hij dat hij zijn diepe teleurstelling over zijn afgewezen liefde niet anders kon verzoeten dan door een prostituée op te zoeken: "(...) De dominees noemden ons zondaar, in zonde ontvangen en geboren, bah! Wat vind ik dat (...) nonsens. Is het zonde lief te hebben, behoefte aan liefde te hebben, zonder liefde het niet te kunnen uithouden? Ik vind een leven zonder liefde een zondige toestand en een onzedelijke toestand. Als ik ergens berouw van heb, dan is het, dat ik vroeger een tijd gehad heb, dat ik mij door mystieke en theologische diepzinnigheden heb laten verleiden om mij te veel in mijzelf terug te trekken. (...) ik geloof dat dikwijls de jezuïtismen van dominees en devote dames meer impressie op haar (= Kee Vos) maken dan op mij, jezuïtismen, die nu eenmaal juist omdat ik enige dessous de cartes heb leren kennen (= achter de schermen heb gekeken), geen vat meer op mij hebben. Maar zij hecht eraan en zou het niet kunnen verdragen dat het systeem van resignatie, en zonde, en God, en weet ik wat meer, ijdelheid bleek te zijn. En 't komt geloof ik niet bij haar op, dat God eigenlijk misschien pas begint, als we dat woord zeggen, waarmee Multatuli zijn Gebed van een onwetende besluit: O God, daar is geen God.
Zie die God van de dominees, ik vind hem zo dood als een pier. Maar ben ik daarom een atheïst? De dominees beschouwen me zo (...) maar zie, ik heb lief en hoe zou ik liefde kunnen voelen als ik zelf niet leefde, en andere niet leefden, en als we dan leven, daar is iets wonders in. Noem nu dat God, of de menselijke natuur, of wat ge wilt, maar er is een zeker iets, dat ik niet definiëren kan in een systeem, ofschoon het erg levend en werkelijk is, en zie dat is nu God of net zo goed als God".
In dit nieuwe credo staan zinnen die, waar we zijn vroegere geloof gekend hebben, ons door het hart snijden. In december 1881 komt het tot een ernstige botsing met zijn vader, en wel omdat hij niet meer naar de kerk ging. In een brief van 29 dec. zegt hij: "Ik was zo driftig als ik me niet herinner ooit in mijn leven geweest te zijn, en ik heb ronduit (tegen vader) gezegd dat ik het hele systeem van die godsdienst afschuwelijk vond, en juist omdat gedurende een miserabele tijd van mijn leven, ik mij te veel in die dingen verdiept heb, er niets meer mee te maken wil hebben, en mij er voor wachten moet, als voor iets fataals".
De wending is compleet, het vroegere geloof overboord gegooid; wat overgebleven is, is een soort pantheïstisch godsgeloof, en vooral een intens beleefd sociaal humanisme, dat zijn verdere kunstenaarsschap zal bepalen.'
Vincent van Gogh als godsdienstig humanist
In een tweede artikel geeft dr. Ouweneel aan hoe het leven van Van Gogh zich verder ontplooit in de richting van het gelovig humanisme. Hij bleekt heel gevoelig te reageren op liefdeloze misstanden in de samenleving van zijn dagen, miaar ook op vaak onchristelijke harde afwijzingen van mensen die toen buiten de boot van de samenleving vielen. Ook al schrijft Van Gogh soms vrij scherp tegen het christendom van zijn dagen, dat wil bij hem niet zozeer zeggen een aanval op het christendom als zodanig. Hij keert zich veelmeer tegen het burgerlijk fatsoenschristendom van zijn dagen, aldus dr. Ouweneel. Van Goghs gedachten over het geloof banen zich een weg in zijn kunst. Als hij in februari 1888 naar Arles in de Provence trekt, komt daar zijn kunst geheel tot bloei en komen zijn religieuze gevoelens ook meer en meer met zijn kunst overeen.
Neergang
Ik sluit af door het slotstuk te citeren uit Ouweneels tweede artikel waarin hij onder andere aandacht schenkt aan de neergang van Van Goghs leven, eindigend in de zelfgekozen dood.
'Geleidelijk gaan Vincents ziekten en zijn toenemende angsten en depressies zijn leven en ook zijn kunst steeds meer beheersen. Zich impliciet vergelijkend met Paulus, die zich "verbrak" in zijn dienst, beschrijft Vincent zijn kunstenaarschap (brief ca. 25 juli 1888): Hoe meer ik afwezig en ziek word, een gebroken kruik (Richt. 7 : 19; 2 Kor. 4 : 7-11!) des te meer ook word ik kunstenaar, schepper, in die grote renaissance van de kunst waarvan we spreken".
En op 3 september 1888:
"O, mijn beste broer, soms weet ik zo goed wat ik wil. Ik kan het in het leven en ook in de schilderkunst wel stellen buiten een God, maar ziek als ik ben, kan ik het niet stellen buiten iets dat groter is dan ikzelf, dat is mijn leven, het vermogen tot scheppen. (...) En in een schilderij zou ik iets troostends willen zeggen, als muziek. Ik zou mannen of vrouwen willen schilderen met iets van dat eeuwige waarvan vroeger de nimbus het symbool was en dat wij zoeken in de uitstraling zelf, in de trilling van ons koloriet".
Het lijden — fysiek, mentaal, geestelijk — gaat zijn hele bestaan domineren. Naar aanleiding van zijn jongste psychotische aanval schrijft Vincent vanuit het krankzinnigengesticht in Saint-Rémy-de-Provence op 2 juli 1889: "Te leren lijden zonder zich te beklagen, te leren het leed te kunnen zien zonder weerzin, dat is het juist zo'n beetje waar men de duizeling riskeert, en toch zou het kunnen — toch vermoedt men zelfs een zekere waarschijnlijkheid — dat we aan de andere zijde van het leven de zinrijkheid zullen ontwaren van de smart, die van hier uit gezien zozeer ons hele uitzicht in beslag neemt dat zij de afmetingen aanneemt van een hopeloze zondvloed. Daarvan, van die afmetingen, weten we maar heel weinig en het is beter om naar een korenveld te kijken, zelfs in de vorm van een schilderij".
Het godsdienstige laat hem geen moment los; hij ziet "dat hier (in het gesticht) de crises een absurd religieus karakter aannemen (...). Ik ben niet onverschillig, en tijdens de ziekte zelf troosten soms religieuze gedachten mij heel erg..." (brief van 7/8 september 1889).
In mei 1890 verhuist Vincent naar Auvers-sur-Oise (niet ver van Parijs), omdat daar een bekwaam zenuwarts èn amateur-schilder woont: dr. P.-E. Gachet. Aan zijn moeder schrijft hij op 11/12 juni de volgende (misschien de laatste duidelijke religieuze) woorden: Als door een spiegel in een duistere reden (1 Kor. 13 : 9!) — 't is zo gebleven; het leven en het waarom van het scheiden en heengaan en 't blijven der onrust, men begrijpt er niet meer van dan dat. Voor mij kon het leven wel eens eenzaam blijven. Aan wie ik het meest gehecht ben geweest, heb ik niets anders gespeurd dan als door een spiegel in een duistere reden..."
Alle crises worden tenslotte teveel voor Vincent. Op 27 juli 1890 schiet hij zich een kogel door het lichaam, waaraan hij op 29 juli overlijdt. Volgens Theo zijn z'n laatste woorden: "La tristesse durera toujours" (Het verdriet zal altijd voortduren). Op 30 juli wordt hij begraven op het kleine kerkhof te Auvers. Maar hijzelf leeft voort in zijn altijd weer diep aangrijpende kunst.'
Mocht u een dezer dagen nog een vakantiebezoek brengen aan één van de manifestaties rond de kunstwerken van Vincent van Gogh, dan kan het goed zijn ook deze kant van deze boeiende man te kennen en wellicht in zijn werk te herkennen. En mocht u nog meer van deze kant van Van Gogh willen lezen, dan zij u verwezen naar de deze maand verschenen studie van mevr. A. Verkade-Bruining 'De God van Vincent' (uitg. Wereldbibliotheek).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's