In alles?
Dankt God in alles. (1 Thess. 5 : 18a)
Zoals de apostel Paulus dikwijls doet, besluit hij ook de eerste brief aan de Thessalonicenzen met een aantal praktische raadgevingen ten aanzien van het leven van de gemeente. Het zijn welgemeende vermaningen, waard om altijd en overal ter harte genomen tte worden. Hij voegt er hier een paar aansporingen aan toe, die het geestelijk leven van de leden der gemeente persoonlijk raken: 'Verblijdt u te allen tijd. Bidt zonder ophouden. Dankt God in alles'. 'Want', zo vervolgt Paulus, 'dit is de wil Gods in Christus Jezus over u',
Blijdschap te allen tijde dus, nooit aflatend gebed en dan dat laatste: God dankzeggen in alles! Onwillekeurig komt de gedachte op: Verliest de apostel hier de werkelijkheid niet wat uit het oog? God in alles danken, is dat niet wat te veel gevraagd? Is het niet wat te hoog gegrepen voor de man die aan de gemeente te Filippi moest schrijven: Zie niet te hoog tegen me op; ik ben ook niet volmaakt (Fil. 3 : 20). Hij heeft onze berijming van Psalm 103 weliswaar niet gekend: Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten; maar de zaak was hem niet onbekend. Hij had geleerd klein van zichzelf te denken. Getuige die uitspraak uit Romeinen 7: 'Het goede, dat ik wil doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil dat doe ik'. En dan toch zulke zwaar geladen woorden?
Me dunkt, dat we wel wat meer zicht op de zaak krijgen als we er eens andere uitspraken van de apostel naast gaan leggen. Bij voorbeeld die in Fil. 4 : 13 'Ik vermag alle dingen'. Weer dat voor ons gevoel haast overmoedige 'alle dingen'. Paulus geeft er echter de verklaring, waarom hij zo kan spreken, bij: 'door Christus Die mij kracht geeft'.
En dan 2 Cor. 5 : 6, daar schrijft hij: Wij hebben dan altijd goede moed'. Altijd, in alle omstandigheden? Kan dat? 'Ja, want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen!'
Dat moeten we bij die opwekkingen in Thessalonicenzen 5 ook voor ogen houden. Niet door aanschouwen maar door geloop. Het gaat om zaken, die ten nauwste met het geloof in Christus verbonden zijn. Uit de gemeenschap met Christus voortvloeien en in die gemeenschap geleerd, geoefend worden. Men kan ze daarom ook niet van elkaar losmaken. Er is een innerlijk verband tussen die aansporingen. In Fil. 4 : 6 vat Paulus zijn bedoelingen als het ware in één tekst samen: Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God'. In een commentaar las ik: Het gedurig gebed, het brengen van al het leven voor Gods aangezicht tempert ook de smart, geeft een oog voor de geestelijke weldaden, die Hij schenkt en leert ook — en daar zijn we bij de tekst van deze overdenking — te danken in alles, dat wil zeggen in iedere toestand, in alle omstandigheden. Het rechte, volhardend gebed heft de ziel op boven de ogenblikkelijke nood tot de eeuwige gunst Gods en leert ook in de verdrukking danken voor Zijn liefde.
Dus als de apostel aanspoort om God in alles te danken, bedoelt hij ook in alle omstandigheden. Of: ondanks alles. Dat ligt er zeker in opgesloten. Bij alles wat ons wedervaart, toch voor ogen hebben, dat de genade des Heeren altijd genoeg is. Dat was het waarom Job bij alle leed dat hem overkwam kon zeggen: De Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd! 'In alles' kan dus inhouden: ondanks alles. Maar ook: voor alles danken. Denk maar aan de dichter van Psalm 119, die erkende: Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde' (vs. 71). En Paulus zelf schreef eens aan de Romeinen: … wij weten, dat hun, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede (Rom. 8 : 28). Alles heeft bij God zijn doel. Ook dat, wat wij niet kunnen doorgronden.
Evenwel, al is er dus alle reden om hier aan 'ondanks alles' en 'voor alles' te danken, de bedoeling van de apostel komt voor ons, dunkt mij, het meest tot uitdrukking, als we het gewoon bij 'in alles' laten.
Danken heeft in onze taal met denken aan, gedenken, te maken. Het is ook een vermaning om in alles aan God te denken. Om te gedenken wat God gedaan heeft in Christus voor zondaars. Verblijdt u in de Heere. Dat hoort er immers onlosmakelijk bij! God danken in alles is in het geloof leven bij, leven uit de genade des Heeren, in Christus reddend verschenen. Dat is de wil Gods over u in Christus Jezus, laat Paulus dan ook op zijn opwekking om God in alles te danken, volgen. In Christus Jezus, Die van de Vader gegeven is om ellendigen en armen, in zichzelf verloren zondaars te zijn tot wijsheid van God, tot rechtvaardigheid, tot heiligheid en tot volkomen verlossing.
Leven bij, leven uit. Wat is dat? We kunnen het niet beter voor de aandacht krijgen dan door te luisteren naar dat wat Paulus in Filippenzen 3 daarover zegt. Eertijds leefde hij, leefde hij uit dat, wat hij zelf in handen dacht te hebben: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar de ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. Maar dat alles, waarmee hij dacht voor God te kunnen bestaan en zich er mee bij God te rechtvaardigen, moest hij voor schade en drek, vuil en waardeloze rommel gaan achten om er de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus voor in de plaats te krijgen. Uit die volheid levend door het geloof kon de apostel er bijvoorbeeld vrede mee hebben, toen de Heere in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, ondanks Paulus' indringend en volhardend smeken, de smartende doorn in het vlees van de apostel liet zitten. Vrede, toch vrede, omdat Gods genade hem, Paulus, genoeg mocht zijn.
God danken in alles, voor alles, ja in alles bloeit op uit het in het geloof gedenken van de genade Gods, die in Christus Jezus reddend is verschenen. Uit het vertrouwen, dat de Heere een volkomen Zaligmaker is. Die met Zijn dierbaar bloed voor al de zonden der Zijnen volkomen betaald en hen uit alle geweld van de duivel verlost heeft en hen zo bewaart, dat zonder de wil van hun hemelse Vader geen haar van hun hoofd vallen kan en alle dingen tot hun zaligheid dienen moeten. Van dat leven zong Koning David in de zo bekende 23e psalm: 'De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken'.
Zingen we het met hem? Omdat we ons met David in leven en sterven voor rekening van die goede Herder weten? Of, om het anders te zeggen: Vallen we Paulus bij: Dankt God in alles? In alles? Ja, in alles. Want Zijn genade is altijd genoeg.
Of is het voor ons te hoog gegrepen? Weet dan, dat de Heere zegt: Wie mij nederig valt te voet, die zal van Mij zijn wegen, haar wegen, leren. Die God is een waarmaker van Zijn woord. Hij heeft nog nooit tegen iemand gezegd: 'Zoekt mij tevergeefs!'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's